Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AL8984

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-10-2003
Datum publicatie
15-10-2003
Zaaknummer
200302500/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 december 1998 heeft appellant het verzoek van de Vereniging tot Bescherming van het Heerder Landschapsschoon (hierna: VBHL) om op te treden tegen het met het bestemmingsplan “Sportvelden Veldkampseweg” van de gemeente Heerde (hierna: het bestemmingsplan) strijdige gebruik door [vergunninghouder] van het perceel kadastraal bekend gemeente Heerde, sectie […], nr. […], plaatselijk bekend [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200302500/1

Datum uitspraak: 15 oktober 2003.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Het college van burgemeester en wethouders van Heerde,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank te Zutphen van 21 maart 2003 in het geding tussen:

Vereniging tot Bescherming van het Heerder Landschapsschoon te Heerde

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 december 1998 heeft appellant het verzoek van de Vereniging tot Bescherming van het Heerder Landschapsschoon (hierna: VBHL) om op te treden tegen het met het bestemmingsplan “Sportvelden Veldkampseweg” van de gemeente Heerde (hierna: het bestemmingsplan) strijdige gebruik door [vergunninghouder] van het perceel kadastraal bekend gemeente Heerde, sectie […], nr. […], plaatselijk bekend [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) afgewezen.

Bij besluit van 14 juni 1999 heeft appellant het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 juni 2000 heeft de president van de rechtbank Zutphen (hierna: president) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard.

Bij besluit van 19 december 2000 heeft appellant [vergunninghouder]. te [plaats] onder oplegging van een dwangsom, gelast het gebruik van het perceel als opslag- en verkoopplaats van bestratingsmaterialen wegens strijdigheid met het bestemmingsplan binnen drie maanden te staken, de aangelegde werken te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 17 juli 2001 heeft appellant het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, met dien verstande dat [vergunninghouder] tot uiterlijk 1 oktober 2001 in de gelegenheid wordt gesteld het strijdig gebruik te staken, de aangelegde werken te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 26 september 2001 heeft appellant voornoemde last onder dwangsom met ingang van 1 oktober 2001 opgeheven. In plaats daarvan heeft appellant besloten het bedrijf van [vergunninghouder] op het perceel per laatstgenoemde datum te gedogen in de vorm en hoedanigheid zoals dit op deze datum aanwezig is.

Bij uitspraak van 21 maart 2003, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank te Zutphen (hierna: de rechtbank) het beroep voor zover dit is gericht tegen het besluit van 17 juli 2001 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep voor het overige gegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 17 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 18 april 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 16 juni 2003 heeft VBHL van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 september 2003, waar appellant, vertegenwoordigd door [juridisch adviseur], en VBHL, vertegenwoordigd door mr. J.J.A. Ceelen, advocaat te Deventer, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De Afdeling stelt vooreerst vast dat appellant het besluit van 19 december 2000, waarbij aan de uitspraak van de president van 5 juni 2000 gevolg is gegeven, ten onrechte niet heeft aangemerkt als een nieuw besluit op bezwaar, maar als primair besluit waartegen bezwaar openstond. Het besluit van 17 juli 2001 is dan ook ten onrechte genomen. De Afdeling ziet evenwel geen aanleiding aan het vorenstaande gevolgen te verbinden, nu appellant bij besluit van 26 september 2001 de besluiten van 17 juli 2001 en 19 december 2000 heeft gewijzigd en uitsluitend de uitspraak van de rechtbank op het beroep tegen besluit van 26 september 2001, dat eveneens is aan te merken als een besluit op bezwaar, in geding is.

2.2. Het perceel is ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan deels bestemd voor “Eengezinshuizen in open bebouwing” en deels bestemd voor “Agrarische doeleinden, klasse C”.

2.3. Niet in geschil is dat het gebruik van het perceel en de daarop aangelegde werken niet in overeenstemming zijn met de voorschriften van het bestemmingsplan. Niet in geschil is mitsdien dat appellant bevoegd is om handhavend op te treden. Partijen verschillen slechts van mening over de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellant niet in redelijkheid heeft kunnen afzien handhavend op te treden.

2.4. Er is door een belanghebbende derde uitdrukkelijk verzocht om tegen de illegale situatie op te treden. Deze heeft in beginsel aanspraak op handhaving van de wettelijke voorschriften. Alleen in bijzondere gevallen kan daarvan worden afgezien. Een bijzonder geval kan worden aangenomen indien concreet zicht bestaat op legalisering van de illegale situatie.

2.5. Appellant bestrijdt niet dat ten tijde van het besluit op bezwaar van 26 september 2001 geen sprake was van een concreet zicht op legalisering. Hij stelt echter dat de rechtbank heeft verzuimd het gegeven dat bij het gemeentebestuur de wil om te legaliseren nadrukkelijk aanwezig was, maar door overmacht daartoe nog niet heeft kunnen overgaan, als bijzondere omstandigheid aan te merken. In dit verband betoogt appellant dat het college van gedeputeerde staten van Gelderland niet wenst in te stemmen met een daarvoor noodzakelijke wijziging van het bestemmingsplan, voordat het gemeentebestuur heeft voldaan aan een aantal onderzoeksverplichtingen.

Dit betoog faalt. De enkele wens van het gemeentebestuur om tot legalisering over te gaan is niet van belang. In dat verband is evenmin relevant door welke oorzaken legalisering nog niet in beeld is gekomen. Een andere opvatting zou er immers toe leiden dat het aanmerken van een concreet zicht op legalisering als bijzondere omstandigheid geen zelfstandige betekenis meer heeft. Weliswaar is - anders dan de rechtbank heeft overwogen - uit de processtukken niet af te leiden dat appellant heeft aangegeven dat te verwachten is dat gedeputeerde staten goedkeuring zullen onthouden aan de uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein, doch het tegendeel is evenmin aannemelijk gemaakt.

2.6. Appellant betoogt verder tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat sprake is van andere bijzondere omstandigheden, waardoor appellant niet in redelijkheid niet heeft kunnen afzien van handhavend optreden. Het door appellant gestelde economische belang en de daarmee samenhangende overeenkomst tussen [vergunninghouder] en Arcadis Planontwikkeling vormen niet een bijzondere omstandigheid als voornoemd.

2.7. De rechtbank is derhalve terecht tot de slotsom gekomen dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan appellant van handhavend optreden kon afzien. Anders dan appellant betoogt heeft de rechtbank dit oordeel niet gebaseerd op omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het besluit op bezwaar van 26 september 2001.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.9. Appellant dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Heerde in de door de Vereniging tot Bescherming van het Heerder Landschapsschoon gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,-, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Heerde te worden betaald aan de Vereniging tot Bescherming van het Heerder Landschapschapsschoon.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. Lodder

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2003.

17-455.