Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AL8952

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-10-2003
Datum publicatie
15-10-2003
Zaaknummer
200301815/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 juni 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wervershoof (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, zoals dit artikel gold vóór 3 april 2000, (hierna: de WRO) en bouwvergunning verleend voor het bouwen van een bedrijfsruimte, een kantoor en kassen op het perceel [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200301815/1.

Datum uitspraak: 15 oktober 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Alkmaar van 11 februari 2003 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Wervershoof.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 juni 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wervershoof (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, zoals dit artikel gold vóór 3 april 2000, (hierna: de WRO) en bouwvergunning verleend voor het bouwen van een bedrijfsruimte, een kantoor en kassen op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 26 juni 2001 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, het besluit van 14 juni 2000 vernietigd en voor het bouwplan opnieuw vrijstelling als bedoeld in artikel 19 WRO en bouwvergunning verleend.

Bij uitspraak van 11 februari 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Alkmaar (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 21 maart 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 22 april 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 19 mei 2003 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 26 mei 2003 heeft [vergunninghouder] een memorie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 september 2003, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. R.G.J. Laan, advocaat te Hoorn, en het college, vertegenwoordigd door F.P.M. Brieffies, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Tevens is [vergunninghouder], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. C.M. Sanders, advocaat te Haarlem, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het voorbereidingsbesluit van 25 januari 2001 geen betrekking heeft op het in het geding zijnde bouwplan.

Dit betoog faalt. De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat in het raadsvoorstel voor het betreffende voorbereidingsbesluit weliswaar een verwijzing staat naar een voorbereidingsbesluit uit 1999, dat zag op een ander bouwplan, maar dat uit het raadsvoorstel duidelijk valt op te maken dat dit ziet op het in het geding zijnde bouwplan. Aldus heeft de gemeenteraad een zelfstandige afweging gemaakt met betrekking tot dit bouwplan, hetgeen ook is bevestigd in de beslissing op bezwaar naar aanleiding van het tegen het voorbereidingsbesluit van 25 januari 2001 ingediende bezwaarschrift.

2.2. Evenmin slaagt het betoog van appellant dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan niet in overeenstemming is met het in procedure gebrachte bestemmingsplan waarop met de vrijstelling vooruit wordt gelopen.

Het voorontwerp-bestemmingsplan “Zwaagdijk-Bebouwde kom” waarnaar appellant verwijst, was blijkens de begeleidende brief van het college nog aan wijzigingen onderhevig. De gemeenteraad heeft ten behoeve van het bouwplan op 25 januari 2001 en 13 maart 2001 een voorbereidingsbesluit genomen. De rechtbank heeft dan ook terecht en op goede gronden geoordeeld dat het college op grond van een voldoende uitgewerkt planologisch kader tot de vrijstelling heeft besloten.

2.3. Appellant betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college het gezamenlijke rapport van de deskundigen [deskundige A]) en [deskundige B] van 4 mei 2001 over de invloed van het bouwplan op het klimaat in de kas van appellant aan de beslissing op bezwaar ten grondslag heeft mogen leggen. Zijns inziens is met name [deskundige B] verantwoordelijk voor het rapport. Bovendien bevat dit rapport volgens appellant onjuiste uitgangspunten. Ook is de rechtbank er ten onrechte aan voorbijgegaan dat het bouwplan een belemmering vormt voor de uitbreidingsmogelijkheden op zijn perceel.

2.4. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de stelling van appellant dat dit rapport niet in overeenstemming is met de visie van [deskundige A] niet kan worden overgenomen. Het rapport is ondertekend door beide deskundigen. In een reactie aan appellant, per e-mail verzonden op 21 mei 2001, bevestigt [deskundige A] bovendien dat het rapport, met toestemming van appellant, onder gezamenlijke verantwoordelijkheid is uitgebracht.

Appellant heeft zijn betoog dat het rapport inhoudelijk onjuist is en dientengevolge ten onrechte de conclusie bevat dat het bouwplan geen nadelige invloed heeft op zijn irissenteelt niet met een tegenrapport onderbouwd. Het eerste rapport van [deskundige A] kan niet als zodanig dienen, omdat daarin, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, een te kleine afstand is aangenomen tussen de nieuwbouw van [vergunninghouder] en de bestaande kas van appellant. Derhalve moet met de rechtbank worden geoordeeld dat het college terecht van de juistheid van het gezamenlijke rapport is uitgegaan.

2.5. Anders dan de rechtbank heeft overwogen dient bij de belangenafweging in het kader van de beslissing over de vrijstelling tevens de invloed van het bouwplan op eventuele uitbreidingsmogelijkheden van appellant op zijn perceel te worden betrokken. Het college heeft in de beslissing op bezwaar onderkend dat van het bouwplan in de wintermaanden gedurende een korte periode van de ochtend enige schaduwwerking uitgaat op een klein deel van het perceel waar volgens het bestemmingsplan nog uitbreiding mogelijk is. Het college verwacht blijkens deze beslissing en daarvan deel uitmakende berekeningen geen noemenswaardige vermindering van lichtinval. Voorts is door het college in aanmerking genomen dat door de in opdracht van appellant en [vergunninghouder] aangestelde makelaars / taxateurs geen waardevermindering van het perceel is geconstateerd.

Gelet hierop ziet ook de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college na afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot het verlenen van vrijstelling heeft kunnen besluiten.

2.6. Gelet op het voorgaande is er geen aanleiding voor een onderzoek door de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak, zoals door appellant is verzocht.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met aanvulling van de gronden waarop die rust, te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Alkema, Voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. P.A. Offers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, ambtenaar van Staat.

w.g. Alkema w.g. Wilbers-Taselaar

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2003

71-429.