Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AL8948

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-10-2003
Datum publicatie
15-10-2003
Zaaknummer
200301621/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 maart 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Stadskanaal (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor een gedeeltelijke verbouwing tot kantoorruimte van een op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) gesitueerde schuur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200301621/1.

Datum uitspraak: 15 oktober 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Groningen van 31 januari 2003 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Stadskanaal.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 maart 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Stadskanaal (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor een gedeeltelijke verbouwing tot kantoorruimte van een op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) gesitueerde schuur.

Bij besluit van 21 december 2001 heeft het college het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 31 januari 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Groningen (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep gegrond verklaard voorzover het betreft de verleende bouwvergunning, dat besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven en het beroep overigens ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 12 maart 2003, bij de Raad van State ingekomen op 13 maart 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 10 april 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 15 april 2003 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 september 2003, waar appellanten in persoon, bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. D.S.W. van 't Ende, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn verschenen [vergunninghouder] en [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. Het betoog van appellanten dat er op neerkomt dat de rechtbank heeft miskend dat het college de bouwaanvraag niet in behandeling heeft mogen nemen omdat daarbij in strijd met artikel 2.1.1., zevende lid, van de bouwverordening van de gemeente Stadskanaal geen tekening(en) van de bestaande situatie zijn overgelegd, faalt. Nu het college [vergunninghouder] niet binnen vier weken na ontvangst van die aanvraag in de gelegenheid heeft gesteld die tekening(en) alsnog over te leggen, staat artikel 47, eerste lid, van de Woningwet in de weg aan afdoening van de aanvraag overeenkomstig artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.2. Het perceel is ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Buitengebied 1990” bestemd voor “Agrarisch gebied 2”. Niet in geschil is dat het bouwplan daarmee in strijd is. Ten einde niettemin bouwvergunning te kunnen verlenen heeft het college vrijstelling van het bestemmingsplan verleend ingevolge artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) gelezen in samenhang met artikel 20, eerste lid, aanhef en onder e, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: Bro).

2.3. Met het verlenen van deze vrijstelling is de strijdigheid van het bouwplan met het bestemmingsplan evenwel niet opgeheven. Zoals de Afdeling reeds eerder heeft overwogen in de uitspraak van 20 november 2002, inzake no. 200201687/1 (www.raadvanstate.nl), kan de bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling krachtens artikel 19, derde lid, van de WRO in samenhang met artikel 20, eerste lid, aanhef en onder e, van het Bro niet worden aangewend voor het verlenen van een bouwvergunning voor het oprichten van bebouwing waarvan het gebruik in strijd is met het bestemmingsplan. Appellanten betogen derhalve met succes – anders dan de rechtbank heeft overwogen – dat het college die vrijstelling ten onrechte heeft verleend.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep alsnog gegrond verklaren en de beslissing op bezwaar vernietigen.

2.5. De Afdeling komt niet tegemoet aan het ter zitting van de zijde van het college gedane verzoek om de rechtsgevolgen van het besluit van 21 december 2001 in stand te laten omdat in dit geval vrijstelling zou kunnen worden verleend met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO. Appellanten hebben zich daarover niet kunnen uitlaten, terwijl bovendien niet kan worden vastgesteld of voldaan wordt aan de voorwaarde dat sprake moet zijn van overeenstemming met door gedeputeerde staten aangegeven categorieën van gevallen.

2.6. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te Groningen van 31 januari 2003, AWB 02/131 WW 44 V05;

II. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Stadskanaal van 21 december 2001, 15.175;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Stadskanaal in de door appellanten in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 162,50; het bedrag dient door de gemeente Stadskanaal te worden betaald aan appellanten;

V. gelast dat de gemeente Stadskanaal aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht (€ 109,00 + € 175,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.A. Molenaar, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Molenaar

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2003

-412.