Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AL8942

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-10-2003
Datum publicatie
15-10-2003
Zaaknummer
200301435/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 december 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van IJsselstein het uitwerkingsplan Zenderpark III West "De Rivieren (fase 1c)" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200301435/1.

Datum uitspraak: 15 oktober 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 december 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van IJsselstein het uitwerkingsplan Zenderpark III West "De Rivieren (fase 1c)" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 14 januari 2003, no. 2003REG000037i, beslist over de goedkeuring van het uitwerkingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 4 maart 2003, bij de Raad van State ingekomen op 6 maart 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 23 april 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 10 juni 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten, verweerder en het college van burgemeester en wethouders van IJsselstein. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 augustus 2003, waar appellanten, in persoon en bijgestaan door mr. F.A. Geevers, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door drs. S.A. Veldhuis-Van den Berg, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar als partij gehoord het college van burgemeester en wethouders van IJsselstein, vertegenwoordigd door ing. B. Sondermeijer, ambtenaar van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een uitwerkingsplan. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, voor zover hier relevant, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan moet worden uitgewerkt volgens bij het plan te geven regelen. Bij de beslissing over de goedkeuring van een uitwerkingsplan dient verweerder te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven uitwerkingsregelen is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust daarnaast op verweerder de taak om te bezien of het plan binnen de bij het bestemmingsplan gegeven regelen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Het plan betreft een uitwerking van het bestemmingsplan “Zenderpark” (hierna: het bestemmingsplan). Met het plan wordt beoogd de bouw van ongeveer 280 woningen mogelijk te maken. Tevens voorziet het plan in de bouw van zogenoemde schoolwoningen binnen de bestemming “Maatschappelijke Doeleinden (Ed)”.

2.3. Appellanten voeren aan dat zij niet persoonlijk op de hoogte zijn gesteld van het voornemen de bouw van schoolwoningen mogelijk te maken.

2.3.1. De Afdeling stelt vast dat is voldaan aan de wettelijke vereisten ter zake van de bekendmaking van de terinzagelegging. In de Wet op de Ruimtelijke Ordening, noch in enig ander wettelijk voorschrift valt een bepaling aan te wijzen op grond waarvan het gemeentebestuur in een geval als hier aan de orde verplicht is eventuele belanghebbenden persoonlijk in kennis te stellen van de terinzagelegging van een ontwerp voor een wijzigingsplan. Verweerder heeft de gevolgen van de omstandigheid dat appellanten, naar zij stellen, niet op de hoogte waren van het verloop van de procedure, dan ook voor hun rekening kunnen laten.

2.4. Voorts voeren appellanten aan dat de in de publicatie opgenomen benaming van het plan en de omschrijving van het plangebied misleidend is.

2.5. De Afdeling overweegt dat het college van burgemeester en wethouders met de naam van het uitwerkingsplan Zenderpark III West "De Rivieren (fase 1c)" en met de vermelde straatnamen in voldoende mate heeft aangegeven waar het plangebied ligt. Dit bezwaar van appellant faalt derhalve.

2.6. Appellanten hebben voorts aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel dat voorziet in de bouw van schoolwoningen binnen de bestemming “Maatschappelijke Doeleinden (Ed)”. Zij stellen dat het gemeentebestuur heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel door appellanten bij de aankoop van de woning niet te informeren omtrent de plannen voor de bouw van schoolwoningen. Voorts zijn appellanten van mening dat de omvang van het complex schoolwoningen niet in relatie staat tot de beschikbare ruimte. Appellanten vrezen verder voor een aantasting van hun woon- en leefklimaat door geluidsoverlast, verkeersoverlast, vandalisme en hangjongeren. Zij zijn tevens bevreesd voor een waardedaling van hun woning.

2.7. Het college van burgemeester en wethouders is van mening dat tijdens de verkoop van de woningen steeds duidelijk is aangegeven dat er plannen bestonden om schoolwoningen te bouwen. Dit blijkt onder andere uit de gemeentelijke brochure “Gids over de wijk IJsselstein-Zuid/Zenderpark”, aldus het college. Voorts is het college van mening dat de bouw van de schoolwoningen geen onaanvaardbare vermindering van het woon- en leefklimaat van appellanten tot gevolg zal hebben.

2.8. Verweerder heeft geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft dit plandeel goedgekeurd. Verweerder stelt dat appellanten al voor de aankoop van hun woning kennis hadden kunnen nemen van de plannen voor de bouw van schoolwoningen. Verweerder wijst er in dit verband op dat op grond van de uitwerkingsregels in het bestemmingsplan de bouw van onderwijsvoorzieningen is toegestaan. Verweerder stelt voorts ten aanzien van het bezwaar met betrekking tot de omvang van het complex dat met het plan is voldaan aan de bouwvoorschriften in de uitwerkingsregels zoals neergelegd in het bestemmingsplan. Verweerder is verder van mening dat er geen sprake zal zijn van een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van appellanten. Hij wijst in dat verband op de ligging van de woning in stedelijk gebied.

2.9. Niet in geschil is dat met het plan is voldaan aan de bouwvoorschriften in de uitwerkingsregels, zoals neergelegd in het bestemmingsplan.

Ten aanzien van het bezwaar van appellanten dat het gemeentebestuur hen bij de aankoop niet heeft geïnformeerd over de plannen voor de bouw van schoolwoningen overweegt de Afdeling als volgt. Gelet op de plankaart behorende bij het bestemmingsplan is aan de betrokken gronden de uit te werken bestemming “Wonen I” toegekend. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan zijn de op de plankaart voor “Wonen I” aangewezen gronden bestemd voor een woonwijk en de daarbij behorende voorzieningen op wijkniveau. Ingevolge het tweede lid van dit artikel zijn op deze gronden onder meer onderwijsvoorzieningen toelaatbaar. In de uitwerkingsregels is hiervoor geen plaats aangeduid, evenmin is een maximale oppervlakte aangeduid. Gezien het feit dat het bestemmingsplan op 28 juni 1995 onherroepelijk is geworden en appellanten eind januari 2000 hun woning hebben gekocht, hadden appellanten naar het oordeel van de Afdeling reeds voor de aankoop van de woning kennis kunnen nemen van de mogelijkheid tot de bouw van onderwijsvoorzieningen ter plaatse. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de plannen voor de bouw van schoolwoningen voldoende duidelijk waren. Ook overigens is de Afdeling niet gebleken dat het gemeentebestuur hieromtrent onduidelijke of misleidende informatie heeft verstrekt. De Afdeling is derhalve van oordeel dat geen sprake is van een in rechte te honoreren verwachting omtrent de uitwerking.

De stelling van appellanten dat de omvang van het complex schoolwoningen niet in relatie staat tot de beschikbare ruimte, onderschrijft de Afdeling niet. Daarbij neemt zij in aanmerking dat een gedeelte van het bestemmingsvlak niet mag worden bebouwd. Voorts acht de Afdeling van belang dat het complex in een stedelijke omgeving ligt.

Blijkens de stukken is door de afdeling Planning van de Vereniging Besturenorganisaties Katholiek Onderwijs een onderzoek uitgevoerd teneinde een prognose te kunnen maken voor de behoefte aan onderwijsvoorzieningen in de wijk Zenderpark in de gemeente IJsselstein. Uit het onderzoek blijkt dat de komende jaren tot ongeveer 2015 een behoefte aan 66 klaslokalen zal bestaan. Hiertoe is het noodzakelijk te voorzien in 27 extra lokalen.

Met de zogenoemde schoolwoningen voorziet het plan in deze 27 extra lokalen. Bij afname van de behoefte kan het schoolgebouw worden omgezet in woningen.

De Afdeling ziet, mede gelet op het door de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak uitgebrachte deskundigenbericht, geen aanleiding voor het oordeel dat het uitzicht van appellanten door de bouw van de schoolwoningen in ernstige mate zal worden beperkt. Hierbij acht de Afdeling van belang dat de woning van appellanten met name is georiënteerd op de achterzijde, terwijl het plan voorziet in de bouw van schoolwoningen aan de voorzijde van de woning.

Voorts is niet gebleken dat de geluidsoverlast of de overlast door vandalisme en hangjongeren zodanig zal zijn dat verweerder hieraan overwegende betekenis had moeten toekennen. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat geluidsoverlast van spelende kinderen zich slechts zal manifesteren op bepaalde tijdstippen. Wat betreft overlast door vandalisme of hangjongeren kunnen, in het kader van de openbare orde, maatregelen worden genomen om de overlast te beperken.

Bij de voorbereiding van het plan is door het Adviesbureau voor verkeer, vervoer en ruimtelijke economie [naam adviesbureau] onderzoek verricht naar de verkeerssituatie en parkeerbehoefte rond schooltijden in de omgeving van het te bouwen complex schoolwoningen. De conclusie van dit onderzoek luidt dat er van 2006 tot 2016 een parkeertekort zal zijn. Naar aanleiding van dit advies heeft de gemeente het plan zodanig gewijzigd dat er voor de Aalbersestraat een strook van 12 meter breed gereserveerd zal worden voor parkeerruimte waarbij deze ruimte wordt vergroot doordat wordt voorzien in schuine parkeerplaatsen. Voorts heeft de gemeente ter zitting verklaard in de huurovereenkomst met de school te zijn overeengekomen dat het schoolpersoneel de auto buiten een straal van 100 meter dient te parkeren. Ter zitting is gebleken dat buiten deze straal van 100 meter voldoende parkeergelegenheid bestaat. Verder is het parkeeraanbod afgestemd op de nachtsituatie, waardoor aannemelijk is dat het aantal beschikbare parkeerplaatsen in de directe omgeving van de school overdag ruimer is. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de parkeeroverlast zodanig zal zijn dat verweerder hieraan overwegende betekenis had moeten toekennen.

Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang bij toereikende onderwijsvoorzieningen in de wijk Zenderpark dan aan het belang van appellanten bij het behoud van hun huidig woongenot. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat een zekere mate van overlast inherent is aan het wonen in een stedelijke omgeving.

Wat de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van appellanten betreft, bestaat geen grond voor het oordeel dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat verweerder hieraan in redelijkheid een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen.

2.10. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Kosto w.g. Soede

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2003

270-445.