Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AL8923

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-10-2003
Datum publicatie
15-10-2003
Zaaknummer
200300860/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 mei 2001 heeft het dagelijks bestuur van de deelgemeente Noord van de gemeente Rotterdam (hierna: het dagelijks bestuur) aan Esso Nederland B.V. (hierna: vergunninghoudster) onder verlening van vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), zoals dit artikel luidde tot 3 april 2000, bouwvergunning verleend voor het oprichten van een tankstation met verkoopruimte en een wasstraat (hierna: het tankstation) aan de [locatie], kadastraal bekend gemeente Rotterdam, sectie […], nr. […].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200300860/1.

Datum uitspraak:15 oktober 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Bewonersorganisatie Liskwartier, gevestigd te Rotterdam,

appellante,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Rotterdam van 17 januari 2003 in het geding tussen:

appellante

en

het dagelijks bestuur van de deelgemeente Noord van de gemeente Rotterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 mei 2001 heeft het dagelijks bestuur van de deelgemeente Noord van de gemeente Rotterdam (hierna: het dagelijks bestuur) aan Esso Nederland B.V. (hierna: vergunninghoudster) onder verlening van vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), zoals dit artikel luidde tot 3 april 2000, bouwvergunning verleend voor het oprichten van een tankstation met verkoopruimte en een wasstraat (hierna: het tankstation) aan de [locatie], kadastraal bekend gemeente Rotterdam, sectie […], nr. […].

Bij besluit van 28 januari 2002 heeft het dagelijks bestuur het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 januari 2003, verzonden op die dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te Rotterdam (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 7 februari 2003, bij de Raad van State ingekomen per faxbericht op die dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brieven van 25 februari en 26 maart 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 21 mei 2003 heeft het dagelijks bestuur een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 september 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door de secretaris en [gemachtigde], en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. M.H. Kuipers, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door C. Montagne, gemachtigde, verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellante betoogt in de eerste plaats dat de aangevallen uitspraak niet is gemotiveerd. De uitspraak is volgens appellante enkel een herhaling van door haar bestreden stellingen van het dagelijks bestuur, zonder dat daarbij haar beroepsgronden zijn betrokken.

Dit betoog slaagt niet. De voorzieningenrechter heeft met betrekking tot de in de aangevallen uitspraak opgenomen beroepsgronden een gemotiveerd oordeel gegeven over de beslissing op bezwaar. Voorzover dit oordeel in hoger beroep door appellante is bestreden wordt het navolgende overwogen.

2.1.1. Appellante betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte het bouwplan niet als planologisch ingrijpend heeft aangemerkt.

De voorzieningenrechter heeft met juistheid geoordeeld dat het tankstation, ondanks het feit dat op het perceel volgens het geldende bestemmingsplan de bestemming “Parken en plantsoenen” rust, niet als planologisch ingrijpend kan worden aangemerkt, omdat het is gelegen aan de rand van een bebouwde omgeving.

2.1.2. Appellante betoogt verder dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat er dringende redenen zijn die de vrijstellingsprocedure voor het bouwplan rechtvaardigen. In dit verband wijst appellante er op dat niet serieus naar alternatieve locaties is gezocht en bovendien ernstige schade wordt berokkend aan de leefomgeving door het kappen van bomen.

Ook dit betoog faalt. De voorzieningenrechter heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat de omstandigheid dat met het bouwplan twee andere tankstations worden vervangen en uit onderzoek is gebleken dat aan het tankstation behoefte bestaat, een voldoende dringende reden is om de vrijstellingsprocedure te rechtvaardigen.

Met betrekking tot de bezwaren van appellante tegen de locatiekeuze heeft het dagelijks bestuur te beslissen omtrent het bouwplan zoals dit is ingediend. Indien dit bouwplan aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Niet is gebleken dat een zodanige situatie zich hier voordoet.

Voor het kappen van de bomen op deze locatie is een kapvergunning afgegeven. De door appellante bestreden kapvergunning staat in deze procedure niet ter beoordeling.

2.1.3. Ten aanzien van de door appellante gestelde verkeersonveilige situatie heeft de voorzieningenrechter terecht in aanmerking genomen dat het dagelijks bestuur heeft gesteld de verkeersveiligheid te zullen betrekken bij de samenstelling van het herinrichtingsplan Gordelweg. Bovendien is sprake van een relatief kleinschalig tankstation met bijbehorende voorzieningen. Anders dan appellante betoogt kan dan ook niet aannemelijk worden geacht dat van het tankstation een aanzienlijke verkeersaantrekkende werking zal uitgaan.

2.2. Met betrekking tot het betoog dat uit de aangevallen uitspraak niet blijkt dat alle beroepsgronden voorwerp van onderzoek zijn geweest wordt het volgende overwogen.

2.2.1. Appellante kan niet worden gevolgd in haar stelling dat de beslissing op bezwaar niet door het bevoegde gezag is genomen. Ingevolge de Bevoegdhedenlijst, behorende bij de Verordening op deelgemeenten, gelezen in samenhang met artikel 30, tweede lid, van die Verordening, zoals deze golden ten tijde van de beslissing op bezwaar, zijn de bevoegdheden met betrekking tot artikel 19 van de WRO (vrijstelling) en artikel 44 van de Woningwet (bouwvergunning) overgedragen aan het dagelijks bestuur.

2.2.2. Appellante is voorts niet in haar belangen geschaad doordat, naar zij stelt, de in de bezwaarschriftenprocedure overlegde pleitnotities niet zijn gevoegd bij de beslissing op bezwaar. Deze pleitnotities zijn, zo blijkt uit het door het dagelijks bestuur overgenomen advies van de commissie beroep- en bezwaarschriften, wel bij deze beslissing betrokken. Van het ontbreken van andere stukken bij de beslissing op bezwaar is niet gebleken. Eveneens is niet gebleken dat de commissie beroep- en bezwaarschriften over andere stukken beschikte dan appellante. Deze commissie heeft haar advies gebaseerd op een lijst van 48 stukken die ook voor appellante ter inzage lagen.

2.2.3. Het dagelijks bestuur heeft verder geen aanleiding hoeven te zien een vertaling te vragen van de in de bouwtekeningen geplaatste Engelse termen. Het overgrote deel ervan is in het Nederlands opgesteld. De tekeningen bieden voorts alle noodzakelijke informatie over aard, situering en omvang van het bouwplan, zodat appellanten niet kunnen worden geacht door het gebruik van enige Engelse termen in hun belangen te zijn geschaad.

2.2.4. Appellante betoogt voorts dat het welstandsadvies zeer summier is.

De commissie voor Welstand en Monumenten gaat in haar advies van 12 januari 2000 akkoord met het bouwplan. Hoewel het dagelijks bestuur niet aan het welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor de welstandstoetsing bij hem berust, mag hij aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Het overnemen van het welstandsadvies behoeft in de regel geen nadere toelichting, tenzij een derde-belanghebbende een tegenadvies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie, hetgeen hier niet het geval is. Dit is anders indien het welstandsadvies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het dagelijks bestuur het niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag had mogen leggen. Hiervan is niet gebleken.

2.2.5. Het dagelijks bestuur heeft ter zitting verklaard dat voor het tankstation een melding ingevolge de Wet milieubeheer is geaccepteerd. Anders dan appellante betoogt voldoet het tankstation daarmee aan de milieueisen.

2.3. Appellante betoogt verder dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat de beslissing op bezwaar is gebaseerd op onjuiste veronderstellingen. Terzake van hetgeen appellante hierover ter zitting heeft aangevoerd wordt het navolgende overwogen.

2.3.1. De voorzieningenrechter heeft terecht vastgesteld dat uit onderzoek van het dagelijks bestuur is gebleken dat ter plaatse geen sprake is van waardevol groen. Appellante heeft haar stelling dat hiervan wel sprake is niet met een onderzoeksrapport onderbouwd en ook niet anderszins aannemelijk gemaakt.

2.3.2. De voorzieningenrechter heeft voorts met juistheid vastgesteld dat het nabij gelegen Hofpleinviaduct ten tijde van de beslissing op bezwaar nog geen Rijksmonument was. Het viaduct is niet relevant voor de beoordeling van het vrijstellingsverzoek, omdat het viaduct na realisering ervan zichtbaar blijft en elke relatie met het bouwplan ontbreekt.

2.3.3. De voorzieningenrechter heeft zich verder terecht gebaseerd op de beperkte openingstijd van de bij het tankstation behorende winkel tot 22.00 uur.

2.3.4. De voorzieningenrechter heeft tot slot terecht het regime van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, zoals dat gold vóór 3 april 2000, van toepassing geacht op het bouwplan, omdat de bouwaanvraag vóór deze datum is ingediend.

2.4. Uit het voorgaande volgt dat het oordeel van de voorzieningenrechter, dat de beslissing op bezwaar in rechte stand kan houden, juist is.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met aanvulling van de gronden waarop zij rust, te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Alkema, Voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. P.A. Offers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, ambtenaar van Staat.

w.g. Alkema w.g. Wilbers-Taselaar

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2003

71-429.