Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AL8915

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-10-2003
Datum publicatie
15-10-2003
Zaaknummer
200206180/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 februari 2002 heeft de stadsdeelraad van het stadsdeel Osdorp van de gemeente Amsterdam, op voorstel van het dagelijks bestuur van 29 januari 2002, het bestemmingsplan "Bedrijvencentrum Osdorp" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200206180/1.

Datum uitspraak: 15 oktober 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de besloten vennootschap "Liberty Real Estate B.V.", gevestigd te Amsterdam,

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 februari 2002 heeft de stadsdeelraad van het stadsdeel Osdorp van de gemeente Amsterdam, op voorstel van het dagelijks bestuur van 29 januari 2002, het bestemmingsplan "Bedrijvencentrum Osdorp" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 24 september 2002, kenmerk 2002-14425, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellante sub 1 bij brief van 20 november 2002, bij de Raad van State ingekomen op 21 november 2002, en appellant sub 2 bij brief van 20 november 2002, bij de Raad van State ingekomen op 21 november 2002, beroep ingesteld. Appellante sub 1 heeft haar beroep aangevuld bij brief van 23 december 2002. Appellant sub 2 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 11 december 2002.

Bij brief van 13 maart 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 3 juni 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 augustus 2003, waar appellante sub 1, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en bijgestaan door mr. A.A. Robbers, advocaat te Apeldoorn, appellant sub 2, in persoon en bijgestaan door mr. M.B. Koetser, advocaat te Amsterdam, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. F. Arents, ambtenaar der provincie, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord de stadsdeelraad van het stadsdeel Osdorp van de gemeente Amsterdam, vertegenwoordigd door mr. D.J.T. van Rees, ambtenaar van het stadsdeel.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Het bestemmingsplan heeft betrekking op een bedrijvencentrum in het noordwestelijke deel van Osdorp. Met het plan wordt beoogd de ontwikkelingen ter vernieuwing van het bedrijvencentrum juridisch-planologisch vast te leggen. Bestaande bedrijfs- en dienstverlenings-activiteiten in het plangebied worden gerespecteerd.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het plan goedgekeurd.

2.3. De besloten vennootschap "Liberty Real Estate B.V." (verder te noemen: Liberty B.V.) voert in beroep allereerst aan dat het besluit van verweerder onvoldoende is gemotiveerd, omdat verweerder het standpunt van het stadsdeelbestuur zonder meer zou hebben gevolgd. Verweerder zou zich geen eigen inhoudelijk oordeel omtrent de ingebrachte bedenkingen hebben gevormd, aldus appellante.

2.3.1. Dienaangaande overweegt de Afdeling dat haar uit het geheel van overwegingen dat verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd, niet is gebleken dat hij het plan niet zelfstandig heeft beoordeeld. Hieraan doet niet af dat verweerder wat betreft een aantal bezwaren het standpunt van het stadsdeelbestuur heeft overgenomen. De Afdeling ziet hierin geen grond voor de conclusie dat verweerder heeft gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid, die bij de totstandkoming van een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan is vereist. Derhalve bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit reeds hierom voor vernietiging in aanmerking komt.

2.4. [appellant sub 2] voert in beroep onder meer aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring aan het plan heeft verleend, omdat de in artikel 1 van de voorschriften genoemde aanduiding van de plankaart “nr. F-K-300” ten onrechte niet op de kaart is vermeld.

2.4.1. De Afdeling stelt vast dat dit argument feitelijke grondslag mist. De aanduiding wordt in de legenda van de plankaart vermeld.

2.5. Liberty B.V. en [appellant sub 2] voeren in beroep aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming “Bedrijven (B3)” ter plaatse van de [locatie]. Appellanten voeren hiertoe aan dat in het plan voor deze percelen een branchebeperkende regeling is opgenomen, hetgeen zij in strijd achten met een goede ruimtelijke ordening. Voorts wijzen zij erop dat voor het perceel [locatie] een bouwvergunning is afgegeven. Appellanten menen dat bij de verlening van die vergunning het gebruik van het perceel voor detailhandel werd toegestaan, zodat het onjuist is dat het plan nu enkel perifere detailhandel mogelijk maakt. [appellant sub 2] voert daarbij voorts nog aan dat het ongewenst is om het bebouwingspercentage voor deze percelen te beperken tot 60%.

2.5.1. De stadsdeelraad heeft aan het betrokken plandeel de bestemming “Bedrijven (B3)” toegekend, waarmee wordt beoogd een cluster perifere detailhandel mogelijk te maken. De stadsdeelraad is van mening dat de bouwvergunning en de verleende vrijstelling niet zien op het gebruik van het perceel [locatie] voor detailhandel.

2.5.2. Verweerder heeft geen reden gezien dit deel van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het plan in zoverre goedgekeurd. Verweerder heeft daarbij onder meer overwogen dat hij kan instemmen met het standpunt van het stadsdeelbestuur en dat hij het plan in overeenstemming acht met het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid.

2.5.3. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de voorschriften van het plan zijn gronden met de bestemming “Bedrijven (B3)” onder meer bestemd voor perifere detailhandel. Ingevolge artikel 1 van de voorschriften wordt onder perifere detailhandel verstaan “Detailhandel in goederen die wegens aard en omvang niet of moeilijk in de traditionele winkelcentra zijn te verkopen, te weten detailhandel in auto’s, boten en caravans, in grove bouwmaterialen, in keukens en sanitair, in tuininrichtingsartikelen, bouwmarkten, grootschalige detailhandel in meubelen en woninginrichting”. Blijkens de toelichting bij het plan is een volstrekt sluitende definitie van de toelaatbare detailhandelsvorm niet te geven, omdat daarvoor in de praktijk de dynamiek van en de variatie in winkelformules te groot is. Volgens de toelichting gaat het in elk geval om winkels met een assortiment dat door het volumineuze en/of zeer gespecialiseerde karakter niet tot de gangbare winkels in een winkelgebied behoort.

2.5.4. Het plangebied ligt op een afstand van ongeveer 2 kilometer van het centrum van Osdorp, binnen het stedelijke gebied, maar niet bij een (stads)centrum met een kernwinkelapparaat. De locatie is per auto goed bereikbaar. De afstand tot het dichtstbijzijnde station bedraagt ongeveer 4,5 kilometer. De stadsdeelraad en verweerder hebben er dan ook in redelijkheid vanuit kunnen gaan dat sprake is van een zogenoemde C-locatie.

Blijkens de stukken is het uitgangspunt van het provinciale en grootstedelijke detailhandelsbeleid dat bestaande winkelstructuren zullen worden versterkt. Daarbij wordt detailhandel geconcentreerd in bestaande winkelconcentratiegebieden; het bedrijvencentrum Osdorp behoort daar niet toe. Grootschalige detailhandelsvestigingen zijn in beginsel enkel toegestaan in het centrumgebied Zuidoost. In aanvulling hierop is het beleid van de stadsdeelraad erop gericht het Osdorpplein te ontwikkelen tot een stedelijk subcentrum met vestigingsmogelijkheden voor detailhandel. In het plangebied is daarom geen detailhandel toegestaan, maar enkel perifere detailhandel.

Voorzover appellanten stellen dat de stadsdeelraad en verweerder zich ten onrechte voor de rechtvaardiging van hun standpunten op rijksbeleid beroepen, omdat dit rijksbeleid niet meer zou bestaan, overweegt de Afdeling, dat, wat hier verder ook van zij, uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het provinciebestuur het rijksbeleid heeft overgenomen en als zijn beleid uitvoert. Ook de stadsdeelraad heeft zich aangesloten bij dit beleid.

De Afdeling acht dit beleid in het algemeen niet onredelijk.

2.5.5. Met betrekking tot de opsomming van toegestane detailhandelformules overweegt de Afdeling dat deze beperking blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting is bedoeld om een verdere invulling te geven aan het op zichzelf open begrip perifere detailhandel. Hiermee wordt beoogd te voorkomen dat iedere grootschalige, volumineuze, vorm van detailhandel onder de definitie van perifere detailhandel zou kunnen vallen. Dit zou kunnen leiden tot een verstoring van de bestaande winkelstructuur, en zou een verkeersaantrekkende werking kunnen hebben, terwijl het provinciale en grootstedelijke beleid dergelijke ontwikkelingen juist probeert tegen te gaan. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid met de definitie van perifere detailhandel kunnen instemmen. Dat de toelichting bij het plan vooral ingaat op het open begrip perifere detailhandel kan hieraan niet afdoen.

2.5.6. Ten aanzien van de verleende bouwvergunning blijkt uit de stukken dat in het verzoek om informatie over de mogelijkheden voor een bouwvergunning, in de vergunningaanvraag en in de bijbehorende bouwtekeningen wordt gesproken over “PDV perifieke detailverkoop”, het vergroten van een “perifiek detailverkoopcentrum” en over het “project PDV Osdorp”. De verleende vergunning, gecombineerd met een vrijstelling op grond van artikel 19 van de WRO, spreekt van een vergunningaanvraag voor het vergroten van een verkoopcentrum detailhandel met bestemming daarvan tot verkoopcentrum. Vervolgens is een bouwvergunning verleend voor het vergroten van een verkoopcentrum detailhandel overeenkomstig de bouwtekeningen. In het besluit tot vergunningverlening wordt expliciet vastgesteld op welke punten de aanvraag in strijd is met het plan. Het gebruik van het pand staat hier niet bij. Gelet op deze gegevens, alsmede het feit dat de verschillende bestuursorganen een consequent beleid voeren om in het plangebied enkel perifere detailhandel toe te staan, is het standpunt van de stadsdeelraad en verweerder dat uit de aanvraag en de verleende vergunning blijkt dat het pand enkel voor deze bestemming gebruikt mag worden, niet onredelijk.

Voorzover door appellanten wordt gesteld dat in de procedure tot verkrijging van de vrijstelling en bouwvergunning onduidelijkheid is ontstaan met betrekking tot de vraag welke branches onder het begrip perifere detailhandel vallen, overweegt de Afdeling dat er geen aanwijzingen zijn om aan te nemen dat de stadsdeelraad van een ruimere definitie uitging dan thans in de voorschriften is opgenomen. Hierbij is van belang dat, zoals hiervoor reeds uiteengezet, het provinciale en stedelijke beleid is gebaseerd op het rijksbeleid en er geen reden is om aan te nemen dat de stadsdeelraad wilde afwijken van dit beleid.

2.5.7. Met betrekking tot het maximum bebouwingspercentage van 60% blijkt uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening, dat dit percentage is opgenomen om de openbare ruimte niet te zwaar te belasten en voldoende mogelijkheden te hebben voor parkeerruimte op eigen terrein ten behoeve van de bedrijven en bezoekers. Dit acht de Afdeling niet onredelijk. Dat wellicht ook voor een andere wijze van parkeren had kunnen worden gekozen, doet hier niet aan af, nog daargelaten de vraag of het bestemmingsplan hieraan in de weg staat. De Afdeling neemt daarbij mede in aanmerking dat de stadsdeelraad bij de vaststelling van het plan heeft willen aansluiten bij de bestaande situatie.

2.5.8. Gelet op al het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder in dit geval niet aan zijn beleid heeft kunnen vasthouden. Hij heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht in zoverre goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep van Liberty B.V. is geheel en het beroep van [appellant sub 2] is in zoverre ongegrond.

2.6. [appellant sub 2] voert in beroep verder aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 5, vijfde lid, van de voorschriften van het plan. Hij meent dat het stellen van een maximum aan het aantal parkeerplaatsen het functioneren van het winkelcentrum in de weg kan staan. De fysieke omgeving zou voldoende natuurlijke beperkingen stellen.

2.6.1. De stadsdeelraad heeft in artikel 5, vijfde lid, van de voorschriften opgenomen dat het dagelijks bestuur nadere eisen kan stellen aan de parkeervoorzieningen die zijn toegestaan op de plandelen met de bestemming “Bedrijven (B3)” tot een maximum aantal van 100 parkeerplaatsen binnen het bouwvlak.

2.6.2. Verweerder heeft geen reden gezien dit onderdeel van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft dit onderdeel goedgekeurd.

2.6.3. De Afdeling stelt vast dat met artikel 5, vijfde lid, van de voorschriften wordt beoogd toepassing te geven aan artikel 15, eerste lid, onder b, van de WRO. Ingevolge dit artikelonderdeel kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat burgemeester en wethouders (in dit geval: het dagelijks bestuur) met inachtneming van de in het plan vervatte regelen bevoegd zijn ten opzichte van in het plan omschreven punten nadere eisen te stellen. Dit artikelonderdeel maakt het mogelijk het dagelijks bestuur bevoegd te verklaren ten aanzien van bepaalde (incidentele) gevallen, wanneer een aanvraag om vergunning daartoe aanleiding geeft, op bepaalde punten nadere eisen te stellen.

2.6.4. Ter zitting is gebleken dat de stadsdeelraad en verweerder ieder een andere uitleg geven aan eerdergenoemd vijfde lid van artikel 5. Volgens de stadsdeelraad geeft dit artikel aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid om bij een aanvraag voor een bouwvergunning voor een plandeel met de bestemming “Bedrijven (B3)” als nadere eis te stellen dat een minimum aantal extra parkeerplaatsen wordt aangelegd binnen het bouwvlak. Daarbij kunnen niet meer dan 100 parkeerplaatsen worden geëist. Volgens de stadsdeelraad betekent dit echter niet dat een aanvraag voor een bouwvergunning met een groter aantal parkeerplaatsen zou moeten worden geweigerd.

Verweerder stelt dat niet meer dan 100 parkeerplaatsen mogen worden aangelegd. Voorzover dat in strijd zou komen met de bouwverordening, wanneer deze zou eisen dat in verband met het bouwvolume en de te realiseren voorzieningen meer parkeerplaatsen zouden moeten worden aangelegd, gaat volgens verweerder het bestemmingsplan voor op de bouwverordening. Meer parkeerplaatsen acht verweerder niet wenselijk, vanwege de verkeersaantrekkende werking ervan.

Volgens appellant zou deze uitleg ertoe kunnen leiden dat een aangevraagde bouwvergunning wellicht zou moeten worden geweigerd. Hij wil dat in ieder geval geen maximum wordt gesteld aan het aantal parkeerplaatsen.

2.6.5. Gelet op het vorenstaande alsmede het feit dat in de stukken en het verhandelde ter zitting onvoldoende aanknopingspunten zijn te vinden voor een antwoord op de vraag hoe artikel 5, vijfde lid, van de voorschriften dient te worden begrepen, is de Afdeling van oordeel dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met het beginsel der rechtszekerheid. Door het plan in zoverre niettemin goed te keuren, heeft verweerder gehandeld in strijd met dit beginsel in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep van [appellant sub 2] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit punt dient te worden vernietigd.

Uit het voorgaande volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan artikel 5, vijfde lid, van de voorschriften van het plan.

2.7. [appellant sub 2] voert voorts aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemmingsregeling voor het perceel [locatie], voorzover deze tot 30% van het bruto bedrijfsvloeroppervlak kantoorruimte toestaat. Appellant meent dat in plaats daarvan de huidige twee dienstwoningen gehandhaafd moeten worden, hetgeen nu, ten onrechte, niet gebeurt.

2.7.1. De stadsdeelraad heeft aan het perceel [locatie] de bestemming “Bedrijven (B3)” toegekend, met de nadere aanduiding “30% zakelijke dienstverlening bedrijfsvloeroppervlak”. Hij acht dienstwoningen op een bedrijventerrein niet gewenst, omdat bij milieuvergunningen rekening moet worden gehouden met alle nabijgelegen woningen.

2.7.2. Verweerder heeft geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft dit gedeelte goedgekeurd. Hij sluit zich aan bij de motivering van de stadsdeelraad.

2.7.3. Zoals reeds overwogen hebben de stadsdeelraad en verweerder er in redelijkheid vanuit kunnen gaan dat sprake is van een C-locatie. Blijkens de stukken is het beleid van de stadsdeelraad en verweerder erop gericht C-locaties in hoofdzaak te bestemmen tot bedrijventerrein en in aanvulling hierop in beperkte mate zakelijke dienstverlening toe te staan. Vanwege de negatieve effecten van woningen op te verlenen milieuvergunningen worden in beginsel geen woningen toegestaan. Dit beleid acht de Afdeling niet onredelijk.

Voorts bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in dit geval niet aan zijn beleid heeft kunnen vasthouden. In dit verband is van belang dat de stadsdeelraad bestaande, in gebruik zijnde dienstwoningen, als zodanig heeft bestemd. De in geding zijnde dienstwoningen worden thans niet als zodanig gebruikt; er is enkel een kraakwacht aanwezig. Verweerder heeft in redelijkheid kunnen oordelen dat de stadsdeelraad hierin geen aanleiding behoefde te zien om de dienstwoningen te handhaven. De stelling van appellant dat de dienstwoningen wenselijk zijn in verband met de sociale controle, kan hier niet aan afdoen. Ook de stelling van appellant dat het pand door zijn indeling niet geschikt zou zijn voor zakelijke dienstverlening is onvoldoende voor het oordeel dat de toegekende bestemming in redelijkheid niet aan dit perceel had mogen worden toegekend. Dat maximaal 30% voor zakelijke dienstverlening mag worden gebruikt, betekent niet dat hier zakelijke dienstverlening gevestigd móet worden. Artikel 5 van de voorschriften van het plan staat juist meerdere gebruiksmogelijkheden toe.

2.7.4. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op dit punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 2] is in zoverre ongegrond.

2.8. [appellant sub 2] stelt verder dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemming “Bedrijven (B2)” voor de percelen [locaties]. Appellant meent dat deze percelen de bestemming “Bedrijven (B3)” moeten krijgen.

2.8.1. De stadsdeelraad is van mening dat deze percelen ongeschikt zijn voor de bestemming “Bedrijven (B3)”, vanwege de ontsluiting van deze percelen op het Keurenplein.

2.8.2. Verweerder heeft geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft dit gedeelte van het plan goedgekeurd.

2.8.3. Blijkens de stukken ligt het verschil tussen een “Bedrijven (B2)”-bestemming en een “Bedrijven (B3)”-bestemming vooral in de mogelijkheid tot vestiging van perifere detailhandel. De bestemming “Bedrijven (B3)” staat dit wel toe, de bestemming “Bedrijven (B2)” niet. De Afdeling leidt hieruit af dat appellant geen bezwaar heeft tegen het toegestane gebruik van de betreffende percelen, maar enkel van mening is dat de toegekende bestemming niet genoeg toestaat. De Afdeling overweegt hieromtrent het volgende.

In tegenstelling tot de rest van het blok met de bestemming “Bedrijven (B3)”, de percelen [locaties], hebben de percelen [locatie] en [locatie] geen ontsluiting op de Zuidermolenweg of de Ookmeerweg en de aldaar aanwezige parkeerruimte, maar op het Keurenplein. Het standpunt van de stadsdeelraad, waar verweerder mee heeft ingestemd, dat de parkeerdruk op het Keurenplein hoog is, en als gevolg daarvan een bestemming die perifere detailhandel mogelijk maakt en dus een zekere verkeersaantrekkende werking heeft, ongewenst, acht de Afdeling niet onredelijk.

2.8.4. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op dit punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 2] is in zoverre ongegrond.

2.9. [appellant sub2] is voorts van mening dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 4, zevende lid, van de voorschriften van het plan. Appellant acht het onjuist om bedrijfsvreemde bestemmingen toe te staan op een bedrijfsterrein.

2.9.1. De stadsdeelraad heeft aan het perceel [locatie] de bestemming “Bedrijven (B2)” toegekend. In artikel 4, eerste lid, van de voorschriften is bepaald waarvoor gronden die als zodanig zijn aangewezen, zijn bestemd. In het zevende lid van dit artikel heeft de stadsdeelraad opgenomen dat het dagelijks bestuur voor het perceel [locatie] vrijstelling kan verlenen van het bepaalde in lid 1 van dit artikel ten behoeve van het gebruik als sociale, maatschappelijke, recreatieve of sportvoorziening. De vrijstelling kan, ook na mogelijke verlenging, ten hoogste acht jaar bedragen.

2.9.2. Verweerder heeft geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft dit gedeelte goedgekeurd.

2.9.3. De Afdeling stelt vast dat met artikel 4, zevende lid, van de voorschriften wordt beoogd toepassing te geven aan artikel 15, eerste lid, onder a, van de WRO. Ingevolge dit artikelonderdeel kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat burgemeester en wethouders (in dit geval: het dagelijks bestuur) met inachtneming van de in het plan vervatte regelen bevoegd zijn van bij het plan aan te geven voorschriften vrijstelling te verlenen.

Zoals de Afdeling in haar uitspraken van 3 juni 1996 (H01.95.0265, BR 1996, blz. 897) en 24 januari 1997 (E01.95.0386, BR 1997, blz. 496) heeft overwogen, wordt blijkens de wetsgeschiedenis met dit artikel beoogd het dagelijks bestuur de bevoegdheid te geven op ondergeschikte onderdelen van het plan af te wijken. Uit deze bepaling vloeit voort dat de in een bestemmingsplan vervatte vrijstellingsregeling niet ertoe kan strekken dat het dagelijks bestuur vrijstelling kan verlenen van op de plankaart aangegeven bestemmingen.

In dit geval leidt de toepassing van de vrijstellingsregeling ertoe dat vrijstelling wordt verleend van de op de plankaart aangegeven en in het eerste lid van artikel 4 nader aangeduide bestemming. In dit verband is van belang dat wanneer een bouwvergunning wordt gevraagd om het pand beter geschikt te maken voor het gebruik waarvoor vrijstelling is verleend, het bestemmingsplan hieraan niet in de weg staat en de vergunning in beginsel moet worden verleend. Ter zitting heeft de stadsdeelraad dit bevestigd.

Gelet hierop is het plan in zoverre in strijd met artikel 15 van de WRO. Door het plan niettemin in zoverre goed te keuren, heeft verweerder gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep van [appellant sub 2] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit punt dient te worden vernietigd.

Uit het voorgaande volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om zelfvoorziend goedkeuring te onthouden aan artikel 4, zevende lid, van de voorschriften van het plan.

2.10. [appellant sub 2] stelt verder dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 4, eerste lid, onder h, van de voorschriften en de aanduiding “Gerechtsgebouw toegestaan” op de plankaart voor het perceel [locatie]. Volgens appellant wordt hiermee een tijdelijke voorziening definitief gemaakt, hetgeen schadelijk is voor de gebouwen in de omgeving.

2.10.1. De stadsdeelraad heeft aan het perceel evengenoemde aanduiding toegekend, om de bestaande situatie te respecteren.

2.10.2. Verweerder heeft geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft dit gedeelte goedgekeurd.

2.10.3. Het perceel [locatie] heeft de bestemming “Bedrijven (B2)”, welke bestemming in hoofdzaak het gebruik van gronden ten behoeve van bedrijven en zakelijke dienstverlening mogelijk maakt. Het pand op dit perceel is in gebruik als extra beveiligde rechtbank. Het standpunt van de stadsdeelraad en verweerder dat dit gebruik niet past binnen de toegekende bestemming en voor een andere soort hinder zorgt, acht de Afdeling niet onjuist. Hieruit volgt dat verweerder er in redelijkheid mee heeft kunnen instemmen dat het perceel een specifieke aanduiding krijgt teneinde de bestaande situatie te respecteren. Het is de Afdeling niet gebleken dat het gebruik van het pand als gerechtsgebouw een zodanige negatieve invloed heeft op het vestigingsklimaat op het bedrijventerrein dat verweerder hieraan bij de afweging van de betrokken belangen overwegende betekenis had moeten toekennen.

2.10.4. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op dit punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 2] is in zoverre ongegrond.

2.11. [appellant sub 2] is tot slot van mening dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de plandelen met de bestemming “Water (W)”, voor zover deze bestemming geen mogelijkheden biedt voor enige overbouwing, aanplemping of aanleg van vissteigers. Hij acht dit een beperking van het meest doelmatige gebruik van het water.

2.11.1. De stadsdeelraad heeft de bestaande waterpartij in het plangebied als zodanig bestemd.

2.11.2. Verweerder heeft geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft dit gedeelte goedgekeurd.

2.11.3. De percelen in het plangebied met bedrijfsbestemmingen worden aan drie zijden omgeven door een watergang. Ingevolge artikel 11 van de voorschriften van het plan is deze watergang bestemd voor de waterhuishouding. Hier mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten behoeve van de bestemming worden opgericht. Blijkens de stukken beoogt de stadsdeelraad met deze bestemmingsregeling de bestaande situatie te respecteren en de waterhuishouding niet in gevaar te brengen. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat deze regeling een beperking inhoudt van het meest doelmatige gebruik van het water.

2.11.4. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op dit punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 2] is in zoverre ongegrond.

2.12. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten van [appellant sub 2] te worden veroordeeld. Ten aanzien van Liberty B.V. bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van appellant sub 2 gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 24 september 2002, kenmerk 2002-14425, voorzover hierbij goedkeuring is verleend aan de volgende voorschriften van het bestemmingsplan "Bedrijvencentrum Osdorp":

a. artikel 4, zevende lid;

b. artikel 5, vijfde lid;

III. onthoudt goedkeuring aan de onder II genoemde onderdelen van de voorschriften van het bestemmingsplan;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voorzover dit is vernietigd en door de Afdeling zelf in de zaak is voorzien;

V. verklaart het beroep van appellante sub 1 geheel en het beroep van appellant sub 2 voor het overige ongegrond;

VI. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland in het door appellant sub 2 in verband met de behandeling van zijn beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 322,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Noord-Holland aan appellant sub 2 te worden betaald;

VII. gelast dat de provincie Noord-Holland aan appellant sub 2 het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 109,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Voorzitter, en mr. P.J.J. van Buuren en mr. M. Oosting, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F.N. van den Berg, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton w.g. Van den Berg

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2003

178-350.