Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AL8913

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-10-2003
Datum publicatie
15-10-2003
Zaaknummer
200205948/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 31 juli 2002, in zaak no. 200105596/1, heeft de Afdeling de uitspraak van de rechtbank te Almelo van 28 september 2001 bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200205948/1.

Datum uitspraak: 15 oktober 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het verzoek van:

[verzoekster], wonend te [woonplaats],

om herziening van de uitspraak van de Afdeling van 31 juli 2002 in zaak no. 200105596/1.

1. Procesverloop

Bij uitspraak van 31 juli 2002, in zaak no. 200105596/1, heeft de Afdeling de uitspraak van de rechtbank te Almelo van 28 september 2001 bevestigd.

De uitspraak is aangehecht.

Bij brief van 21 oktober 2002 heeft verzoekster de Afdeling verzocht die uitspraak te herzien. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 10 juni 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Enschede (hierna: het college) van antwoord gediend.

Bij brief van 18 juli 2003 heeft verzoekster nadere stukken ingediend. Een afschrift daarvan is aan het college gezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 augustus 2003, waar verzoekster in persoon en het college, vertegenwoordigd door mr. A.J. IJsseldijk, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de Afdeling op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Afdeling eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

2.2. De Afdeling stelt voorop dat het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet is gegeven om een partij de gelegenheid te bieden het debat te heropenen, nadat is gebleken dat de aangevoerde feiten en omstandigheden niet tot het gewenste resultaat hebben geleid.

2.3. Verzoekster heeft betoogd dat de Afdeling niet op de hoogte was van de inhoud van de brief van het college van 27 augustus 2001 aan haar echtgenoot [naam]. Indien dat wel het geval zou zijn geweest zou volgens haar de Afdeling tot een ander oordeel zijn gekomen. Voorts blijkt uit de stukken dat verzoekster de inhoud van de brief bij de mondelinge behandeling van haar beroep bij de rechtbank op 6 september 2001 aan de orde heeft gesteld.

2.4. Nu verzoekster over de brief van 27 augustus 2001 beschikte vóór de datum van de uitspraak (31 juli 2002) laat de tekst van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb geen andere conclusie toe dan dat het onderhavige verzoek om herziening niet voor inwilliging in aanmerking kan komen.

2.5. Het verzoek moet dan ook worden afgewezen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Boot

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2003

202.