Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AL8902

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-10-2003
Datum publicatie
14-10-2003
Zaaknummer
200305567/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 augustus 2003 heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd vanwege het overschrijden van de bij het besluit van 15 oktober 1996 vergunde hoeveelheid te composteren groenafval op het perceel [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200305567/1.

Datum uitspraak: 7 oktober 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 augustus 2003 heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd vanwege het overschrijden van de bij het besluit van 15 oktober 1996 vergunde hoeveelheid te composteren groenafval op het perceel [locatie] te [plaats].

Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.

Bij brief van 20 augustus 2003, bij de Raad van State ingekomen op 21 augustus 2003, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 15 september 2003, waar verzoekster, vertegenwoordigd door ir. H.H. Hoven en J. Vliegenthart, gemachtigden, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. K.D. van Oostveen en ing. A.M.M.W. Wijns, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Verzoekster voert aan dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot het opleggen van een last onder dwangsom gebruik heeft kunnen maken. Daartoe voert zij onder meer aan dat binnen afzienbare tijd de benodigde milieuvergunning verleend kan worden.

2.1.1. Niet in geschil is dat verzoekster meer groenafval composteert dan haar bij besluit van 15 mei 1996 is vergund, zodat verweerder bevoegd was een last onder dwangsom op te leggen.

2.1.2. Ten aanzien van de vraag of verweerder bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken, overweegt de Voorzitter als volgt.

Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting is niet te verwachten dat de illegale situatie op korte termijn door vergunningverlening zal worden beëindigd. Ook verder ziet de Voorzitter geen grond voor het oordeel dat sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat verweerder na afweging van de betrokken belangen had moeten afzien van het opleggen van een last onder dwangsom.

2.2. Gelet hierop ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek af te wijzen.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.L.D. Trippert-van Gemeren, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Trippert-van Gemeren

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2003

289.