Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AL8901

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-10-2003
Datum publicatie
14-10-2003
Zaaknummer
200305443/1 en 200305443/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 december 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oirschot (hierna: het college) appellant onder oplegging van een dwangsom gelast om binnen twee maanden het gebruik van het bij de woning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) aanwezige vrijstaande bijgebouw ten behoeve van de uitoefening van een timmerbedrijf te staken en gestaakt te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200305443/1 en 200305443/2.

Datum uitspraak: 6 oktober 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 26 juni 2003 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Oirschot.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 december 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oirschot (hierna: het college) appellant onder oplegging van een dwangsom gelast om binnen twee maanden het gebruik van het bij de woning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) aanwezige vrijstaande bijgebouw ten behoeve van de uitoefening van een timmerbedrijf te staken en gestaakt te houden.

Bij besluit van 1 april 2003 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar voor zover dit de begunstigingstermijn betreft gegrond verklaard, dat besluit in zoverre herroepen en een nieuwe termijn geboden van zes maanden na verzending van het besluit van 10 december 2002. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 21 april 2003 heeft het college het besluit van 1 april 2003 ingetrokken en - opnieuw op het door appellante tegen het besluit van 10 december 2002 gemaakte bezwaar beslissend – dit bezwaar voor zover dit de begunstigingstermijn betreft gegrond verklaard, het besluit van 10 december 2002 in zoverre herroepen en een nieuwe termijn geboden van zes maanden na het nemen van dit nieuwe besluit op het bezwaar. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 juni 2003, verzonden op 7 juli 2003, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 12 augustus 2003, bij de Raad van State ingekomen op 15 augustus 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. Bij brief van 12 augustus 2003, bij de Raad van State ingekomen op 15 augustus 2003, heeft appellant de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 september 2003, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. P.J.F.X. Poorter, advocaat te Eindhoven, en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. E.J. Govaers en mr. C.L.J.H.M. van Baar, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Niet in geschil is dat appellant op 1 januari 2000 is gestart met de exploitatie van een timmerbedrijf in het bijgebouw. Vast staat dat dit gebruik niet in overeenstemming is met de ingevolge het bestemmingsplan “Buitengebied” op het perceel rustende bestemming “Woondoeleinden”. De voorzieningenrechter heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat het in dit plan neergelegde overgangsrecht appellant geen soelaas biedt en dat het college derhalve bevoegd was om handhavend op te treden.

2.2. Anders dan appellante betoogt, kan een bestuursorgaan alleen in bijzondere gevallen afzien van handhavend optreden tegen een illegale situatie. Van een bijzonder geval kan onder meer sprake zijn, indien concreet zicht bestaat op legalisering.

2.3. Het betoog van appellant dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college is gehouden om met toepassing van de in artikel 9.6.4 van de planvoorschriften neergelegde zogeheten toverformule vrijstelling te verlenen voor het gewraakte gebruik faalt. Zoals de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen, moet het gebruik van het bijgebouw overeenkomstig de woonbestemming niettegenstaande de omvang van dit gebouw, objectief bezien nog steeds mogelijk worden geacht.

2.4. Appellant betoogt verder dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat het college evenmin was gehouden om met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) het gewraakte gebruik te legaliseren. Hij voert daartoe aan dat hij op 19 maart 1999 bij het college een verzoek heeft ingediend om in het nieuwe bestemmingsplan “Buitengebied” te worden opgenomen in verband met klein ambachtelijke bedrijvigheid op het perceel en dat het college hier nog steeds niet op heeft beslist. Bovendien heeft volgens appellant op 15 juni 2001 de toenmalige wethouder van Ruimtelijke Ordening hem mondeling medegedeeld dat hij op het perceel zijn bedrijfsmatige activiteiten mocht uitvoeren en dat het bestemmingsplan in die zin zou worden herzien. Ter staving daarvan heeft appellant een verklaring van deze voormalig wethouder van 26 september 2002 overgelegd, alsook een nadere verklaring van juli 2003, waarin laatstgenoemde te kennen geeft dat het voltallige college met de voortzetting van de bedrijfsactiviteiten had ingestemd, welke nadere verklaring mede is ondertekend door een tweede voormalig wethouder. In ieder geval had het college in de onzorgvuldige wijze waarop met zijn verzoek om inpassing in het nieuwe bestemmingsplan is omgegaan en de door de wethouder gewekte verwachtingen aanleiding moeten zien om van handhaving af te zien, hetgeen door de voorzieningenrechter is miskend, aldus appellant.

2.5. Dit betoog slaagt evenmin. Appellants verzoek is blijkens de op 22 maart 1999 verzonden ontvangstbevestiging door het college aangemerkt als een reactie op het voorontwerp-bestemmingsplan “Buitengebied”. Het college heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat het appellant vervolgens in mei 2000 schriftelijk op de hoogte heeft gebracht van de tervisielegging van het ontwerp-bestemmingsplan en de mogelijkheid van het kenbaar maken van zienswijzen omtrent dat ontwerp en dat hem voorts nadien de zogenoemde inspraaknota is toegezonden. Mede gelet hierop, moet het er met de voorzieningenrechter voor worden gehouden dat het verzoek van appellant bij de procedure tot vaststelling van het nieuwe bestemmingsplan is meegenomen. Appellant heeft echter nagelaten om in verband met het kennelijk niet honoreren van zijn verzoek zienswijzen kenbaar te maken.

Voorts bestaat, reeds gezien het voor appellant kenbare lot van zijn verzoek en het feit dat het bestemmingsplan tamelijk kort voor 15 juni 2001, namelijk op 17 oktober 2000, door de gemeenteraad was vastgesteld, geen grond voor het oordeel dat appellant aan de mondelinge mededeling van de wethouder van eerstgenoemde datum zonder meer het gerechtvaardigde vertrouwen kon ontlenen dat hij zonder de daartoe aangewezen rechtsmiddelen aangewend te hebben zijn activiteiten ongestoord zou mogen voortzetten dan wel dat het bestemmingsplan het gewraakte gebruik in de nabije toekomst mogelijk zou maken.

2.6. Gezien het vorenstaande en in aanmerking nemend dat, naar niet is bestreden, het gemeentelijk – en provinciaal planologisch beleid zich tegen de vestiging van een niet-agrarisch bedrijf ter plaatse verzet, lag de verlening van vrijstelling met toepassing van artikel 19 van de WRO niet in de rede en was dus geen sprake van concreet zicht op legalisering. Voorts kan, eveneens gezien het vorenstaande, ook het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slagen.

2.7. In hetgeen appellant over zijn financiële situatie en het ontbreken van klachten over zijn activiteiten naar voren heeft gebracht kan evenmin grond worden gevonden voor het oordeel dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden in de hiervoor bedoelde zin. De conclusie is dat de voorzieningenrechter het beroep terecht ongegrond heeft verklaard.

2.8. De Voorzitter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en dat ook overigens geen beletsel bestaat om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10. Gelet hierop, bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Boer, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens w.g. Boer

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2003

201.