Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AL8896

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-10-2003
Datum publicatie
14-10-2003
Zaaknummer
200305336/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 juni 2003 heeft verweerder de op 8 juni 1998 aan de rechtsvoorganger van verzoekster verleende vergunning ingevolge de Wet milieubeheer ten behoeve van de productie van gevulde stalen draden en de opslag van gereed product gedeeltelijk gewijzigd en gedeeltelijk ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200305336/2.

Datum uitspraak: 6 oktober 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Minteq B.V.", gevestigd te Hengelo,

verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van Hengelo,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 juni 2003 heeft verweerder de op 8 juni 1998 aan de rechtsvoorganger van verzoekster verleende vergunning ingevolge de Wet milieubeheer ten behoeve van de productie van gevulde stalen draden en de opslag van gereed product gedeeltelijk gewijzigd en gedeeltelijk ingetrokken.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 11 augustus 2003, bij de Raad van State ingekomen op 12 augustus 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 11 augustus 2003, bij de Raad van State ingekomen op 12 augustus 2003, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 22 september 2003. Verzoekster is daar vertegenwoordigd door mr. J.H. van Gemund, advocaat te Amsterdam en [gemachtigden]. Verweerder is vertegenwoordigd door mr. F.A.H. Montanus en drs. M.R. Kleijburg, gemachtigden en H. Steenhuizen, ambtenaar van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Op grond van de beschikbare gegevens en gezien het karakter van deze procedure acht de Voorzitter zich onvoldoende in staat te beoordelen of afdeling 8.1.2 van de Wet milieubeheer een grondslag biedt voor het besluit en zo ja, of de gedeeltelijke intrekking en de wijziging van de vergunning van 8 juni 1998 nodig is in het belang van de bescherming van het milieu. In het licht daarvan beperkt de Voorzitter zich tot een belangenafweging op grond van de hierna volgende feiten en omstandigheden.

2.3. De vergunningaanvraag van 7 augustus 1997 is niet getoetst aan de richtlijnen van de Commissie Preventie van Rampen (CPR). Om die reden zijn partijen van mening dat de vergunning van 8 juni 1998 ontoereikend is wat de bescherming tegen gevaarsaspecten betreft. Naar aanleiding van die constatering is de omvang van de activiteiten sterk ingeperkt en is gewerkt aan het opstellen van een nieuwe aanvraag. Mede door het uitblijven van een nieuwe aanvraag heeft verweerder besloten de vergunning van 8 juni 1998 deels te wijzigen en deels in te trekken. Na het indienen van het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening is een nieuwe aanvraag ingediend.

2.4. Zoals ook blijkt uit de overwegingen van het bestreden besluit, ziet het besluit feitelijk op een overgangsperiode tot aan de beslissing op een nieuwe aanvraag. Weliswaar duurt die periode inmiddels langer dan voorzien was, doch niet is aannemelijk gemaakt dat op dit moment sprake is van een zodanig gevaarlijke situatie, dat die overgangsperiode niet langer zou kunnen duren en dat de onmiddellijke uitvoering van het besluit is vereist. Ter zitting is verder onweersproken gesteld dat voor de uitvoering van de in het besluit voorgeschreven maatregelen en voorzieningen aanzienlijke investeringen nodig zijn, met name voor hal 2, terwijl niet duidelijk is of die investeringen noodzakelijk zijn in geval van verlening van een vergunning overeenkomstig de ingediende aanvraag. Daarbij komt dat ter zitting op grond van een onderzoeksrapport van TNO twijfel is gerezen aan het beschermingsniveau dat volgens verweerder is vereist voor de opslag van gereed product, zodat eveneens kan worden getwijfeld aan de noodzaak van alle in dat verband voorgeschreven maatregelen en voorzieningen.

2.5. Gezien het vorenstaande, ziet de Voorzitter, in afweging van de betrokken belangen, grond voor het treffen van een voorlopige voorziening op de in het dictum weergegeven wijze.

2.6. Verweerder dient te worden veroordeeld in de proceskosten.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Hengelo van 24 juni 2003,

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Hengelo in de door verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 777,25, waarvan een gedeelte groot € 126,75 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de gemeente Hengelo te worden betaald aan verzoeker;

III. gelast dat de gemeente Hengelo aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 232,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.A.G. Stolker, ambtenaar van Staat.

w.g. Beekhuis w.g. Stolker

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2003

157.