Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AL8893

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-10-2003
Datum publicatie
14-10-2003
Zaaknummer
200305166/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 mei 2003, kenmerk V02-093, heeft verweerder krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren aan “Essent Milieu B.V.” een vergunning onder voorschriften verleend voor het via de gemeentelijke riolering en de rioolwaterzuiveringsinstallatie (rwzi) Roermond lozen van afvalwater, afkomstig van het bedrijf van vergunninghoudster voor het opslaan, behandelen en verwerken van baggerspecie, gelegen op het perceel [locatie] te [plaats], in oppervlaktewater, te weten de Maasnielderbeek. Dit besluit is op 25 juni 2003 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200305166/2.

Datum uitspraak: 10 oktober 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de stichting "Stichting tot Behoud Leefmilieu Buggenum, Haelen, Horn, Nunhem en Naaste Omgeving", gevestigd te Buggenum, en anderen,

verzoekers,

en

het dagelijks bestuur van het Zuiveringschap Limburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 mei 2003, kenmerk V02-093, heeft verweerder krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren aan “Essent Milieu B.V.” een vergunning onder voorschriften verleend voor het via de gemeentelijke riolering en de rioolwaterzuiveringsinstallatie (rwzi) Roermond lozen van afvalwater, afkomstig van het bedrijf van vergunninghoudster voor het opslaan, behandelen en verwerken van baggerspecie, gelegen op het perceel [locatie] te [plaats], in oppervlaktewater, te weten de Maasnielderbeek. Dit besluit is op 25 juni 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 5 augustus 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 18 augustus 2003.

Bij brief van 5 augustus 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 30 september 2003, waar verzoekers, van wie [naam een der verzoekers] in persoon, en bijgestaan door ing. A.M.L. van Rooij en C. Klein, gemachtigden, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M.I. Blokland en ing. A.W.C. Sluijsmans, gemachtigden, zijn verschenen.

Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door ir. F. Backhuijs, mr. M.G. Ramakers en ing. H.H.C. Neelen, gemachtigden, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Verzoekers stellen dat niet is voldaan aan de wettelijke coördinatieverplichting. Zij voeren hiertoe aan dat de ontwerpen en de definitieve besluiten inzake de krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (hierna: Wvo) en de Wet milieubeheer (hierna: Wm) aangevraagde vergunningen niet gelijktijdig zijn gepubliceerd en ter inzage gelegd. Verder is door het college van gedeputeerde staten van Limburg ten onrechte geen advies uitgebracht met betrekking tot de samenhang van deze vergunningen. Voorts ontbreekt de coördinatie met de andere Wvo-vergunning, die door de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat is verleend. Bovendien is de oorspronkelijke aanvraag door een andere rechtspersoon ingediend dan waaraan het bestreden besluit en de hiermee samenhangende Wm-vergunning is verleend en is het bestreden besluit afgegeven op basis van andere tekeningen dan de Wm-vergunning. Tenslotte ziet het deskundigenbericht dat door de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak is uitgebracht met betrekking tot de inrichting van vergunninghoudster ten onrechte slechts op de door gedeputeerde staten verleende milieuvergunning.

2.2.1. Uit het verweerschrift volgt dat de tekeningen, behorend bij de milieuvergunning, zijn aangevuld met gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag om de lozingsvergunning en dat deze aanvraag na indiening op verzoek van verweerder is aangevuld met de juiste tenaamstelling. De aangevulde aanvraag en de aanvraag om de milieuvergunning zijn gecoördineerd in behandeling genomen. Vanwege een dreigende termijnoverschrijding heeft het college van gedeputeerde staten er echter voor gekozen om van verdere coördinatie met de lozingsvergunning af te zien. Gebleken is dat verweerder met het college van gedeputeerde staten overleg heeft gevoerd met betrekking tot de onderlinge samenhang van beide vergunningen en dat als gevolg hiervan een inhoudelijke afstemming heeft plaatsgevonden. Wat betreft het gecoördineerd behandelen van verschillende lozingsvergunningen merkt de Voorzitter op dat de Wvo hiertoe niet verplicht. Voorts is het niet ongebruikelijk dat de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak een deskundigenbericht uitbrengt inzake een afzonderlijke vergunning, ongeacht de mogelijke samenhang met een andere vergunning.

Gelet op het vorenoverwogene ziet de Voorzitter vooralsnog geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

2.3. Verzoekers stellen zich op het standpunt dat de bij het bestreden besluit verleende lozingsvergunning ten onrechte niet ziet op het van daken en verhard terrein afkomstige hemelwater, dat is verontreinigd als gevolg van aan Nuon Power B.V. vergunde luchtlozingen, en op het afvalwater dat als gevolg van de opslag van hout verontreinigd is met gevaarlijke afvalstoffen. Met betrekking tot de acceptatie van hout dat gevaarlijke afvalstoffen bevat of daarmee is verontreinigd, wordt huns inziens de Europese afvalstoffenlijst (Eural) overtreden.

2.3.1. Verweerder betoogt dat het hemelwater dat van de daken en het verhard terrein afstroomt, direct wordt geloosd in het oppervlaktewater, te weten het “Koelwaterafvoerkanaal”. Het afvalwater dat vrijkomt bij de opslag van afvalhout en energiepallets wordt eveneens rechtstreeks geloosd in rijkswater, aldus verweerder. Deze lozingen vallen onder de bevoegdheid van de Staatssecretaris, zodat verweerder ten aanzien hiervan niet bevoegd is een vergunning te verlenen. Ter zitting heeft verweerder gesteld dat bovengenoemde afvalwaterstromen gescheiden zijn van het afvalwater waarvoor bij het bestreden besluit een vergunning is verleend, zodat van vermenging geen sprake kan zijn.

2.3.2. Ingevolge voorschrift 2 van de bij het bestreden besluit verleende vergunning mogen de lozingen van afvalwater uitsluitend bestaan uit:

a) bedrijfsafvalwater, zijnde overtollig proceswater afkomstig van opslag en bewerking van baggerspecie en het waswater afkomstig van de wasplaats voor het reinigen van het onderstel van vrachtwagens;

b) huishoudelijk afvalwater;

een en ander overeenkomstig de bij de aanvraag overgelegde bescheiden welke deel uitmaken van deze vergunning.

2.3.3. De Voorzitter is van oordeel, nu zowel het hemelwater dat van de daken en het verhard terrein afstroomt als het afvalwater dat vrijkomt bij de opslag van afvalhout en energiepallets rechtstreeks in rijkswater wordt geloosd en voorts niet is gebleken dat de verschillende afvalwaterstromen zich kunnen vermengen, de bezwaren van verzoekers geen betrekking (kunnen) hebben op de bij het bestreden besluit verleende lozingsvergunning.

2.4. Verzoekers zijn van mening dat de vergunning ten onrechte geen inzicht geeft in de maximaal te lozen week-, maand- en jaarvrachten. Evenmin is duidelijk hoeveel vervuilingseenheden jaarlijks mogen worden geloosd. Een deelstroomonderzoek had deel moeten uitmaken van de aanvraag, nu onder meer sprake is van lozingen van zwarte-lijststoffen. Verzoekers achten de in de tabellen 6.1 en 6.2 opgenomen gegevens dan ook onvoldoende. Verder voldoen de lozingsnormen niet aan de stand der techniek en is er sprake van rechtsongelijkheid, aangezien verweerder aan een andere inrichting, waar afvalstoffen worden opgeslagen, behandeld of verwerkt, strengere normen heeft opgelegd.

2.4.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het met behulp van de gegevens in de tabellen 6.1 en 6.2 mogelijk is om de gemiddelde en maximale vrachten per uur, etmaal en jaar te bepalen. Voorts kan aan de hand van deze gegevens de vervuilingseenheden worden berekend, aldus verweerder. Met betrekking tot de zwarte-lijststoffen betoogt verweerder dat de restconcentratie minimaal is en dat de doelmatige werking van de rwzi hierdoor niet wordt belemmerd. Het verrichten van een deelstroomonderzoek acht hij dan ook niet noodzakelijk. Van rechtsongelijkheid is zijns inziens geen sprake nu het geen gelijke gevallen betreffen.

2.4.2. In tabel 6.1 van de aanvraag is onder meer bepaald wat de maximale afvoer van overtollig proceswater van de opslag en bewerking van baggerspecie, het waswater van de wasplaats voor vrachtwagens en het huishoudelijk afvalwater mag bedragen. Voorts is de gemiddelde afvoer in m3/jaar en m3/etmaal voor deze afvalwaterstromen opgenomen.

In tabel 6.2 van de aanvraag staat onder meer wat de samenstelling van het overtollig proceswater en het waswater van de wasplaats is.

In voorschrift 3 van de vergunning is onder meer bepaald dat het gehalte aan de zwarte-lijststoffen kwik, cadmium en arseen in het afvalwater ter plaatse van de controlevoorziening “put 11”, zoals is aangegeven op de tekening “rioleringstekening”, nummer 001, d.d. 12 augustus 2002 (bijlage 1) respectievelijk de waarden 0,001; 0,005 en 0,005 mg/l niet mag overschrijden.

Ingevolge voorschrift 4, vierde lid, dient het overtollig proceswater, afkomstig van de opslag en bewerking van baggerspecie, uiterlijk twee werkdagen vóór de aanvang van de lozing ter plaatse van “wateropvang”, zoals is aangegeven op de tekening genaamd “rioleringstekening”, nummer 001, d.d. 12 augustus 2002 (bijlage 1) door of vanwege vergunninghouder te worden bemonsterd.

Ingevolge het vijfde lid van dit voorschrift dienen uiterlijk twee werkdagen vóór de aanvang van de lozing van het overtollig proceswater, afkomstig van de opslag en bewerking van baggerspecie, de analyseresultaten van voornoemd proceswater, door of vanwege vergunninghouder schriftelijk te worden overgelegd aan verweerder.

2.4.3. De Voorzitter is van oordeel dat het niet onmogelijk is om aan de hand van de gegevens in de tabellen 6.1 en 6.2 de gemiddelde en maximale vrachten per uur, etmaal en jaar en de vervuilingseenheden te bepalen. De Voorzitter stelt vast dat de in voorschrift 3 vergunde waarden voor kwik, cadmium en arseen overeenkomen met de aangevraagde waarden. Voor het brengen van kwik, cadmium en arseen in oppervlaktewateren geldt als ten hoogst toelaatbare gewichtshoeveelheid de grenswaarde die overeenkomt met de waarde die het resultaat is van de toepassing van de beste bestaande technieken. Vast staat dat de concentraties kwik, cadmium en arseen in de lozingen vanwege de installatie van vergunninghoudster kunnen blijven onder de in voorschrift 3 genoemde waarden. De Voorzitter gaat er vooralsnog van uit dat de in de installatie toegepaste technieken de best bestaande technieken zijn. Gelet op het vorenstaande acht de Voorzitter het uitvoeren van een onderzoek naar de verontreiniging van het overtollig proceswater niet noodzakelijk.

2.5. Voorzover verzoekers van mening zijn dat vergunninghoudster voor de desbetreffende lozingen een oprichtingsvergunning had moeten aanvragen in plaats van een revisievergunning, omdat de op het voormalige Maascentraleterrein verleende Wvo-vergunning van rechtswege is vervallen, merkt de Voorzitter op dat de Wvo het onderscheid tussen een oprichtingsvergunning en een revisievergunning niet kent.

2.6. Wat betreft de stelling van verzoekers dat vergunninghoudster en de aangrenzende elektriciteitscentrale van Nuon Power B.V. een gezamenlijke MER-plicht hebben, omdat er sprake is van zodanige organisatorische, functionele en technische bindingen dat beide bedrijven één inrichting vormen, merkt de Voorzitter op dat de vraag of sprake is van één inrichting in deze procedure niet ter beoordeling staat. Verder voorzien de Wvo en het Besluit Milieu-effectrapportage 1999 niet in de verplichting een MER op te stellen.

2.7. Voorzover verzoekers betogen dat de bodem multifunctioneel had moeten worden gesaneerd vóór vergunningverlening en voorzover zij het gebruik van kolenpark 1 en 2 en de voormalige vliegasopvang niet geschikt achten in verband met mogelijke verontreiniging van de bodem van het terrein van de inrichting als gevolg van overstromingen en het niet vloeistofdicht zijn van de diverse opslagen, merkt de Voorzitter op dat deze bezwaren niet zijn gericht op het ter beoordeling staand besluit, omdat de Wvo niet beoogt de kwaliteit van de bodem te beschermen.

2.8. Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Melse

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2003

191-353.