Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AL8891

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-10-2003
Datum publicatie
14-10-2003
Zaaknummer
200304947/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 oktober 2002 heeft de gemeenteraad van Simpelveld, het bestemmingsplan "[locatie]" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200304947/2.

Datum uitspraak: 6 oktober 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 oktober 2002 heeft de gemeenteraad van Simpelveld, het bestemmingsplan "[locatie]" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 3 juni 2003, kenmerk 2003/23663, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 25 juli 2003, bij de Raad van State ingekomen op 28 juli 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 25 juli 2003, bij de Raad van State ingekomen op 28 juli 2003, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 26 september 2003, waar verzoeker in persoon en verweerder, vertegenwoordigd door mr. P.F. Winkels, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is de gemeenteraad, vertegenwoordigd door L.C. de Vor en P.J.H. Snackers, ambtenaren van de gemeente, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het bestemmingsplan beoogt de bouw van maximaal 57 woningen mogelijk te maken in een gebied dat globaal wordt begrensd door de [locatie] en de achterzijde van de percelen aan de Rolduckerweg en de Molsberg.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het plan goedgekeurd.

2.3. Verzoeker is van mening dat verweerder ten onrechte heeft ingestemd met de aanleg van een ontsluitingsweg ter hoogte van zijn woning. Hij stelt dat deze ontsluitingsweg ten koste zal gaan van het bestaande groene talud en het karakter van de [locatie] als holle weg en dat een aan te leggen ondergronds infiltratiegebied eveneens ten koste zal gaan van het groen tegenover zijn woning. Voorts vreest hij een verslechtering van zijn woonklimaat door de drastische wijziging van de verkeerssituatie. Om onomkeerbare gevolgen te voorkomen, vraagt verzoeker een voorlopige voorziening hangende de behandeling van zijn beroepschrift.

2.4. Verzoeker woont aan de [locatie], ten zuidwesten van de beoogde woningbouwlocatie. Schuin tegenover zijn woning is een van de twee ontsluitingswegen van de nieuwe woonwijk voorzien. Voorts voorziet het plan in de aanleg van een infiltratiegebied voor oppervlaktewater in het groen tegenover de woningen aan de [locatie] nabij de Rolduckerweg. Gebleken is dat de [locatie] gedeeltelijk het karakter van een holle weg heeft, waarbij dit karakter naar het zuiden toe duidelijker zichtbaar wordt. De Voorzitter constateert naar aanleiding van de stukken en het verhandelde ter zitting dat het holle karakter echter afwezig is ter hoogte van de woningen aan de [locatie] 1 tot en met 9. Hij overweegt dat onvermijdelijk is dat de aansluiting van de ontsluitingsweg op de [locatie] ten koste zal gaan van een gedeelte van het bestaande groen. Ter zitting is door de gemeenteraad echter verklaard dat is gekozen voor een geleidelijk aansluiting op de [locatie], waarbij het groene karakter van de omgeving zal worden gerespecteerd en het talud tegenover de woningen als groenvoorziening blijft gehandhaafd. Door de gemeenteraad is verder aangegeven dat het aan te leggen infiltratiegebied, dat voor de verwerking van het oppervlaktewater noodzakelijk is gezien de hogere ligging van het plangebied, zal worden voorzien van struiken en andere beplanting.

Voor zover verzoeker heeft aangevoerd dat zijn woonklimaat zal worden aangetast door de drastische wijziging van de verkeerssituatie, overweegt de Voorzitter dat gebleken is dat de herinrichting van de [locatie] ter hoogte van genoemde woningen plaats zal vinden binnen de huidige verkeersbestemming. In het plan zijn voorts twee hoofdontsluitingswegen voorzien, waardoor een spreiding van het verkeer uit de nieuwe woonwijk plaatsvindt. Daarbij neemt hij in aanmerking dat het plan voorziet in de bouw van een relatief beperkt aantal woningen, zodat voor ernstige verkeershinder niet behoeft te worden gevreesd. Gelet op het vorenstaande is naar het oordeel van de Voorzitter niet aannemelijk geworden dat de nadelige gevolgen bij aanleg van de ontsluitingsweg en de infiltratievoorziening op deze plaats zodanig zullen zijn dat reeds om die reden aan het belang van verzoeker bij behoud van de bestaande situatie in redelijkheid meer gewicht had moeten worden toegekend dan aan het belang bij de aanleg van de ontsluitingsweg en de infiltratievoorziening ten behoeve van de ontwikkeling van de nieuwe woonwijk.

Gelet op het vorenstaande bestaat naar het oordeel van de Voorzitter niet de verwachting dat de Afdeling het beroep van verzoekster in de bodemzaak gegrond zal verklaren. De Voorzitter ziet dan ook geen aanleiding het bestreden besluit op dit punt te schorsen.

2.5. Het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Broekman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2003

12-392.