Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AL7710

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-10-2003
Datum publicatie
08-10-2003
Zaaknummer
200303812/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 december 2002, kenmerk RME 200217504, heeft verweerder met toepassing van artikel 5 van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit), nadere eisen gesteld met betrekking tot de inrichting van de Vereniging Bredase en Nieuwginnikense Mixed Hockey Club Zwart Wit (hierna: HC Zwart Wit), met betrekking tot haar inrichting op het perceel [locatie] te [plaats].

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:22
Algemene wet bestuursrecht 7:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2003/1195
JB 2003/320
JOM 2006/983
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200303812/1.

Datum uitspraak: 8 oktober 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Breda,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2002, kenmerk RME 200217504, heeft verweerder met toepassing van artikel 5 van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit), nadere eisen gesteld met betrekking tot de inrichting van de Vereniging Bredase en Nieuwginnikense Mixed Hockey Club Zwart Wit (hierna: HC Zwart Wit), met betrekking tot haar inrichting op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 21 mei 2003, kenmerk 1.2003.0028.003, verzonden op dezelfde datum, heeft verweerder het hiertegen door HC Zwart Wit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 12 juni 2003, bij de Raad van State ingekomen op 13 juni 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 1 juli 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 september 2003, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. M.P. Wolf, advocaat te Breda,

en verweerder, vertegenwoordigd door mr.J.A.A.M. Brouwers en mr. M. van Dongen, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellanten, allen omwonenden van de inrichting van HC Zwart Wit, hebben aangevoerd dat zij ten onrechte geen uitnodiging hebben ontvangen voor de hoorzitting waarin het bezwaarschrift van HC Zwart Wit werd behandeld. Zij zijn van mening dat het bestreden besluit daarom dient te worden vernietigd.

2.2. Verweerder heeft erkend dat appellanten ten onrechte geen uitnodiging hebben ontvangen. Volgens verweerder zijn appellanten hierdoor echter niet in hun belangen geschaad. Daartoe overweegt hij dat bij besluit van 12 december 2002 aan HC Zwart Wit nadere eisen zijn opgelegd, waarbij wat betreft geluidhinder voor het equivalente geluidniveau grenswaarden zijn opgelegd die lager zijn dan op grond van het Besluit is toegestaan en voorts aan HC Zwart Wit wordt opgedragen binnen 2 maanden een lichtonderzoek over te leggen met maatregelen die mogelijk zijn om de huidige lichthinder te beperken. Nu bij de nadere eisen aan HC Zwart Wit strengere normen worden opgelegd met betrekking tot geluid- en lichthinder en deze nadere eisen bij het bestreden besluit zijn gehandhaafd, zijn appellanten niet in hun belangen geschaad en kan dit gebrek worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht, aldus verweerder.

2.3. Ingevolge artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht stelt een bestuursorgaan, voordat het op een bezwaar beslist, belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord.

Ingevolge artikel 7:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht stelt het bestuursorgaan daarvan in ieder geval de indiener van het bezwaarschrift op de hoogte alsmede de belanghebbenden die bij de voorbereiding van het besluit hun zienswijze naar voren hebben gebracht.

Ingevolge artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht kan een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, ondanks schending van een vormvoorschrift, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist, in stand worden gelaten indien blijkt dat de belanghebbenden daardoor niet zijn geschaad.

2.4. De Afdeling stelt vast dat appellanten bij brief van 29 januari 2002 bij verweerder zienswijzen hebben ingediend tegen zijn voornemen om aan HC Zwart Wit ingevolge het Besluit nadere eisen op te leggen. Blijkens de stukken heeft op 2 april 2003 een hoorzitting plaatsgevonden waarin het bezwaar van HC Zwart Wit tegen de aan haar opgelegde nadere eisen werd behandeld. Tussen partijen is niet in geschil dat appellanten niet zijn uitgenodigd om op deze hoorzitting te verschijnen. Gelet hierop is het bestreden besluit in strijd met artikel 7:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

De Afdeling stelt evenwel vast dat verweerder bij het bestreden besluit het bezwaarschrift van HC Zwart Wit ongegrond heeft verklaard en de bij besluit van 12 december 2002 aan HC Zwart Wit opgelegde nadere eisen heeft gehandhaafd. De Afdeling overweegt dat op grond van deze nadere eisen de vanuit de inrichting van HC Zwart Wit afkomstige geluidhinder lager is dan het geval zou zijn zonder deze nadere eisen. Voorts is aan HC Zwart Wit met de nadere eisen opgedragen binnen twee maanden aan verweerder een lichtonderzoek over te leggen met maatregelen die mogelijk zijn om de bestaande lichthinder te beperken. Naar het oordeel van de Afdeling hebben de bij het besluit van 12 december 2002 opgelegde nadere eisen uitsluitend gunstige gevolgen voor appellanten. Onder deze omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat het aan het besluit klevende gebrek dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten appellanten uit te nodigen voor de hoorzitting van 2 april 2003, kan worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.5. Het beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Taal

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2003

325.