Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AL7671

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-10-2003
Datum publicatie
08-10-2003
Zaaknummer
200301469/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 juni 1998 heeft de gemeenteraad van Lichtenvoorde, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 26 mei 1998, vastgesteld het bestemmingsplan "Buitengebied 1998".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200301469/1.

Datum uitspraak: 8 oktober 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 juni 1998 heeft de gemeenteraad van Lichtenvoorde, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 26 mei 1998, vastgesteld het bestemmingsplan "Buitengebied 1998".

Verweerder heft bij zijn besluit van 8 december 1998, nr. RE98.56072, beslist over de goedkeuring van het plan.

De Afdeling heeft bij uitspraak van 12 december 2001, no. E01.99.0065, het besluit van verweerder gedeeltelijk vernietigd.

Verweerder heeft vervolgens bij zijn besluit van 14 januari 2003,

nr. RE2001.119266, opnieuw beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 7 maart 2003, bij de Raad van State ingekomen op 10 maart 2003, nader aangevuld bij brief van

7 april 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 27 mei 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 september 2003, waar verweerder, vertegenwoordigd door mr. E.T. de Jong, advocaat te Arnhem,

is verschenen. Voorts is namens de gemeenteraad van Lichtenvoorde,

B. ten Have, ambtenaar der gemeente, aldaar gehoord. Appellanten zijn met bericht van verhindering niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447).

Uit artikel VI, tweede lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd vóór 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.3. Met het plan wordt beoogd een actuele planologische regeling voor het buitengebied van de gemeente Lichtenvoorde te geven.

Verweerder heeft het plan goedgekeurd.

2.4. Appellanten hebben aangevoerd dat verweerder ten onrechte opnieuw goedkeuring heeft verleend aan de in het plan opgenomen bestemming voor het verkooppunt voor motorbrandstoffen aan de Europaweg 18 te Lichtenvoorde. Zij zijn van mening dat verweerder onvoldoende onderzoek naar de feiten heeft gedaan. In dit verband stellen appellanten dat nog steeds niet is voldaan aan de voorwaarde in de aan het tankstation verleende milieuvergunning dat een geluidsscherm moet worden opgericht. Appellanten wensen dat de oprichting daarvan in de planvoorschriften wordt vastgelegd. Zij vrezen geluidsoverlast en visuele hinder ten gevolge van het tankstation dat op te korte afstand van hun woningen ligt. Voorts stellen zij dat verweerder met het bestreden besluit de uitspraak van de Afdeling van 12 december 2001 niet in acht heeft genomen.

2.5. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 12 december 2003 met betrekking tot het beroep van appellanten het volgende overwogen:

”2.7.1 Het beroep van [appellant] en anderen is gericht tegen de in het plan opgenomen bestemming voor het verkooppunt voor motorbrandstoffen aan de Europaweg 18 te Lichtenvoorde. Appellanten stellen dat het tankstation op te korte afstand van hun woningen is gesitueerd en vrezen voor overlast ten gevolge van de toegestane detailhandel met name in branche-vreemde artikelen.

2.7.2. De gemeenteraad heeft de gronden waarop het beroep van appellanten betrekking heeft, bestemd als “Verkeersdoeleinden” met de lettercode “VB”. Op grond van deze bestemming en lettercode is ter plaatse een verkooppunt voor motorbrandstoffen toegestaan. Het plan voorziet hiermee in enige uitbreiding van het ter plaatse gevestigde tankstation.

2.7.3. Verweerders kunnen ermee instemmen dat de gemeenteraad de bestaande situatie ter plaatse in het bestemmingsplan heeft opgenomen. In tegenstelling tot wat appellanten stellen, zijn zij echter van mening dat detailhandel op grond van de planvoorschriften niet is toegestaan. Verweerders hebben zich dan ook niet uitgesproken over de aanvaardbaarheid van detailhandel ter plaatse. Zij hebben het door appellanten bestreden plandeel goedgekeurd.

2.7.4. De woningen van appellanten worden van het tankstation gescheiden door struikgewas met enig geboomte en een wandelpad. Onbestreden is dat uitgaanspubliek de groenstrook gebruikt als doorgang naar het tankstation, waar zij veelal na middernacht versnaperingen kopen.

In de uitspraak van 25 april 1996, no. H01.95.0324 (aangehecht), heeft de Afdeling overwogen dat detailverkoop van goederen in de autobranche en in enkele branchevreemde produkten, zoals kranten, tijdschriften, tabakswaren, bloemen, dranken, ijs, snoepgoed en daarmee vergelijkbare versnaperingen, bij wijze van serviceverlening in het kader van de brandstoffenverkoop, kan worden beschouwd als detailhandel die verband houdt met de exploitatie van een verkooppunt voor motorbrandstoffen. De detailhandelsactiviteiten die blijkens de stukken op het onderhavige verkooppunt plaatsvinden, gaan het bestek van hetgeen nog kan worden beschouwd als serviceverlening in eerderbedoelde zin niet te buiten. De Afdeling stelt vast dat ter plaatse dergelijke detailhandelsactiviteiten zijn toegestaan. Verweerders hebben zich echter niet uitgesproken over de aanvaardbaarheid van deze detailhandel ter plaatse. Zij hebben bij de totstandkoming van hun besluit onvoldoende bezien of door een geluidswal, een beperking in de verkoopvloeroppervlakte die voor detailhandel mag worden gebruikt, of op andere wijze, tegemoet kan worden gekomen aan de bezwaren van appellanten.

2.7.5. Gezien het vorenstaande is het besluit van verweerders genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van [appellant] en anderen is gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd, voorzover verweerders goedkeuring hebben verleend aan het plandeel met de bestemming “Verkeersdoeleinden” en de lettercode “VB” aan de Europaweg te Lichtenvoorde.”

2.6. Verweerder heeft naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 12 december 2002 opnieuw over het door de Afdeling vernietigde plandeel beslist. Hij heeft geen reden gezien het plan op dit punt in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft dit plandeel goedgekeurd. Verweerder heeft bij zijn heroverweging de uitspraak van de Afdeling van 28 november 2001, no. 200003781/1, waarin het beroep van appellanten tegen het besluit tot verlening van een revisievergunning op grond van de Wet milieubeheer aan Texaco Nederland b.v. ongegrond is verklaard, betrokken. Voorts heeft hij in aanmerking genomen dat ten tijde van zijn besluit het gemeentebestuur in overleg met omwonenden was met betrekking tot de oprichting van een geluidsscherm of geluidswal. Verweerder stelt zich op het standpunt dat door deze maatregel in combinatie met het plaatsen van een hekwerk om de doorgang tussen de bomen en struiken nabij de woningen van appellanten te verhinderen, de overlast voor omwonenden zal worden tegengegaan.

2.7. De Afdeling ziet in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Zij is van oordeel dat verweerder bij zijn beoordeling terecht de voornoemde uitspraak van de Afdeling in het kader van de verleende revisievergunning van belang heeft kunnen achten. In die uitspraak zijn de gelijkluidende bezwaren ten aanzien van de overlast ten gevolge van het tankstation en de toegestane detailhandelsactiviteiten ongegrond verklaard. Voorzover appellanten hebben aangevoerd dat niet is voldaan aan de voorwaarde in de milieuvergunning met betrekking tot de oprichting van een geluidsscherm, overweegt de Afdeling dat dit bezwaar de naleving van de bepalingen van de milieuvergunning betreft en als zodanig niet in deze procedure ter beoordeling staat. Vast staat dat op grond van artikel 18, tweede lid, onder b, van de planvoorschriften waarin voor zover hier van belang is bepaald dat een bouwwerk met een maximale hoogte van 3 meter is toegestaan, de oprichting van een geluidsscherm of geluidswal wordt mogelijk gemaakt. Voorts is niet aannemelijk gemaakt dat verweerder niet de relevante feiten en omstandigheden bij zijn heroverweging heeft betrokken. Tenslotte ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder met zijn bestreden besluit niet heeft voldaan aan de uitspraak van de Afdeling van 12 december 2001.

2.8. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het ter beoordeling staande plandeel.

2.9. Het beroep is ongegrond.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.L.P. van Os-Ravesloot, ambtenaar van Staat.

w.g. Kosto w.g. Van Os-Ravesloot

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2003

248.