Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AL7668

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-10-2003
Datum publicatie
08-10-2003
Zaaknummer
200301397/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 april 1999 heeft de gemeenteraad van Apeldoorn, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van

12 april 1999, het bestemmingsplan "Woningbouw voormalige Wielerbaan" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200301397/1.

Datum uitspraak: 8 oktober 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de gemeenteraad van Apeldoorn,

appellant,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 april 1999 heeft de gemeenteraad van Apeldoorn, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van

12 april 1999, het bestemmingsplan "Woningbouw voormalige Wielerbaan" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 9 november 1999, no. RE1999.47972,

beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Bij uitspraak van 15 augustus 2001, no. 200000551/01, heeft de Afdeling dit besluit gedeeltelijk vernietigd.

Bij besluit van 10 december 2002, no. RE2001.76334, heeft verweerder opnieuw beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 3 maart 2003, bij de Raad van State ingekomen op 5 maart 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 29 april 2003 heeft verweerder medegedeeld dat het beroepschrift hem geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 augustus 2003, waar appellant, vertegenwoordigd door N. Jansen, ambtenaar van de gemeente, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. G.J.M. Meulepas, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn daar gehoord [partij], vertegenwoordigd door mr. A.A. Robbers, advocaat te Apeldoorn, en BAM Wilma B.V., vertegenwoordigd door mr. L. Kooman, advocaat te Rotterdam.

2. Overwegingen

2.1. Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447).

Uit artikel VI, tweede lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd vóór 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.3. Het plan maakt de bouw mogelijk van vrijstaande en aaneengesloten woningen op de plek van de voormalige wielerbaan “De Adelaar”, achter de Daalakkerweg, Orderparkweg, Zanderijweg en Asselsestraat te Apeldoorn. Tevens voorziet het plan in een appartementencomplex op het terrein van de voormalige Oranje Nassauschool.

2.4. Bij uitspraak van 15 augustus 2001, no. 200000551/01, heeft de Afdeling geoordeeld dat in het plan “Spitsbergen” voor het perceel [locatie], waar een schildersbedrijf wordt uitgeoefend, een algemeen geformuleerde bestemming is opgenomen met relatief ruime gebruiks- en uitbreidingsmogelijkheden. De Afdeling achtte het niet ondenkbaar dat de aanwezigheid op korte afstand van een complex met een woonfunctie, de (toekomstige) activiteiten op het perceel [locatie] kan beperken. Voorts achtte de Afdeling het aannemelijk dat een goed woon- en leefklimaat in het appartementencomplex bij wijziging of uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten op het perceel [locatie], zoals mogelijk ingevolge het plan “Spitsbergen”, niet gegarandeerd is. Het besluit van verweerder, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming “Woondoeleinden (W(s)9)”, heeft de Afdeling in zoverre vernietigd.

2.5. Verweerder heeft naar aanleiding van de in overweging 2.4. genoemde uitspraak goedkeuring onthouden aan het plandeel met de bestemming “Woondoeleinden (W(s)9)”.

Hij stelt zich hierbij op het standpunt dat het schildersbedrijf reeds nu op korte afstand ligt van het perceel met de bestemming “Woondoeleinden (W(s)9)”. Verder heeft verweerder overwogen dat ingevolge het plan “Spitsbergen”, het schildersbedrijf aan de [locatie] de mogelijkheid heeft om zijn bedrijfsactiviteiten uit te breiden. Een uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten van dit bedrijf kan volgens verweerder inbreuk maken op het woon- en leefklimaat van het perceel met de bestemming “Woondoeleinden (W(s)9)”.

2.6. Appellant stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan het plandeel met de bestemming “Woondoeleinden (W(s)9)”. Hij voert hiertoe aan dat het besluit omtrent goedkeuring in strijd is met artikel 10:30, tweede lid, van de Awb. Verder betoogt appellant dat het plandeel met de bestemming “Woondoeleinden (W(s)9)” niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hij stelt voorts dat het besluit van verweerder in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel, nu onvoldoende onderzoek is gedaan en een deugdelijke onderbouwing van het besluit ontbreekt.

2.7. Ingevolge artikel 10:30, eerste lid, van de Awb vindt gedeeltelijke goedkeuring of onthouding van goedkeuring niet plaats dan nadat aan het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen, gelegenheid tot overleg is geboden.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel verwijst de motivering van het goedkeuringsbesluit naar hetgeen in het overleg aan de orde is gekomen.

2.7.1. Vaststaat dat de gemeenteraad gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid tot overleg, zowel op bestuurlijk als op ambtelijk niveau.

De omstandigheid dat verweerder per abuis heeft nagelaten in het bestreden besluit op te nemen dat overleg is gevoerd en de inhoud hiervan weer te geven, hoeft naar het oordeel van de Afdeling in dit geval niet tot vernietiging van het bestreden besluit te leiden. Zij neemt hierbij in aanmerking dat ter zitting is gebleken dat partijen de onthouding van goedkeuring voldoende uitgebreid hebben besproken. Voorts is uit het bestreden besluit voldoende duidelijk waarom verweerder aan het plandeel goedkeuring heeft onthouden. Gelet hierop en omdat het tegendeel ook niet is gesteld, mag worden aangenomen dat door het niet in acht nemen van voornoemd tweede lid geen belanghebbenden zijn geschaad.

2.8. Voor zover appellant betoogt dat het plandeel met de bestemming “Woondoeleinden (W(s)9)” niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en verweerder hieraan goedkeuring had moeten verlenen, overweegt de Afdeling als volgt.

Gebleken is dat verweerder in zijn besluit omtrent goedkeuring, de motivering van de Afdeling in haar uitspraak van 15 augustus 2001 ten aanzien van de relatie tussen het schildersbedrijf op het perceel [locatie] en het plandeel met de bestemming “Woondoeleinden (W(s)9)” tot de zijne heeft gemaakt en goedkeuring aan dit plandeel heeft onthouden. Hiermee heeft verweerder uitvoering gegeven aan de uitspraak van de Afdeling van 15 augustus 2001, voor zover deze uitspraak het plandeel met de bestemming “Woondoeleinden (W(s)9)” betreft.

De Afdeling deelt niet het standpunt van appellant dat het besluit omtrent goedkeuring in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Hierbij neemt zij in aanmerking dat verweerder naar aanleiding van haar uitspraak van 15 augustus 2001 niet gehouden was nader onderzoek te doen naar de relatie tussen het schildersbedrijf op het perceel [locatie] en het plandeel met de bestemming “Woondoeleinden (W(s)9)”, nu zich geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan. Tevens is in aanmerking genomen dat uit het besluit omtrent goedkeuring voldoende duidelijk is waarom verweerder niet kan instemmen met de mogelijkheid op het plandeel met de bestemming “Woondoeleinden (W(s)9)” een appartementencomplex te bouwen en waarom hij daaraan goedkeuring heeft onthouden.

2.9. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan, voor zover dit ziet op het plandeel met de bestemming “Woondoeleinden (W(s)9)”, in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Verweerder heeft daarom terecht goedkeuring onthouden aan het plan, voor zover dit betrekking heeft op het plandeel met de bestemming “Woondoeleinden (W(s)9)”.

Het beroep is ongegrond.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en mr. J.G.C. Wiebenga, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Bindels

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2003

85-427.