Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AL7665

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-10-2003
Datum publicatie
08-10-2003
Zaaknummer
200301372/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 augustus 2001 hebben burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: burgemeester en wethouders) aan de besloten vennootschap “Rapenburg Appartementenbouw B.V.“ (hierna: Rapenburg) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de oprichting van een gebouw op het na sloop van de bebouwing op [locatie] vrijgekomen terrein, kadastraal bekend gemeente Amsterdam, sectie P, nr. 2710 (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200301372/1.

Datum uitspraak: 8 oktober 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de vereniging “Vereniging Belangengroep Rapenburg”, gevestigd te Amsterdam,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank te Amsterdam van 22 januari 2003 in het geding tussen:

appellante

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum van de gemeente Amsterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 augustus 2001 hebben burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: burgemeester en wethouders) aan de besloten vennootschap “Rapenburg Appartementenbouw B.V.“ (hierna: Rapenburg) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de oprichting van een gebouw op het na sloop van de bebouwing op [locatie] vrijgekomen terrein, kadastraal bekend gemeente Amsterdam, sectie P, nr. 2710 (hierna: het perceel).

Bij besluit van 28 maart 2002 hebben burgemeester en wethouders in hun hoedanigheid van dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum (hierna: het dagelijks bestuur) het daartegen door appellante ingediende bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 10 oktober 2002 heeft het dagelijks bestuur het besluit van 28 maart 2002 gewijzigd.

Bij uitspraak van 22 januari 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Amsterdam (hierna: de rechtbank) het door appellante ingestelde beroep tegen het besluit van 28 maart 2002, zoals daarna gewijzigd, ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 maart 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 15 april 2003 heeft het dagelijks bestuur van memorie gediend. Bij brief van 17 april 2003 heeft Rapenburg dat eveneens gedaan.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante en het dagelijks bestuur. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 juli 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. H.A. Sarolea, advocaat te Amsterdam, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. A.J.A.P. Peters, ambtenaar van het stadsdeel Amsterdam-Centrum, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord Rapenburg, vertegenwoordigd door mr. P.L. Visser, advocaat te Amsterdam.

2. Overwegingen

2.1. Appellante betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het dagelijks bestuur in de besluitvorming rond het in geding zijnde bouwplan de in artikel 2:4 van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde norm dat het zijn taak zonder vooringenomenheid en zonder persoonlijk belang vervult, heeft geschonden.

Dat betoog faalt. De gang van zaken rond de onherroepelijke sloopvergunning voor de op het perceel voorheen aanwezige bebouwing van de voormalige steenwerf valt, wat daar verder ook van zij, buiten de reikwijdte van dit geding en moet derhalve buiten beschouwing blijven. De door appellante gestelde omstandigheid dat het advies, dat aan de beslissing op bezwaar ten grondslag is gelegd, vroegtijdig, dat wil zeggen: één dag voor de dag waarop de beschikking is vastgesteld, aan Rapenburg ter inzage is gegeven, biedt, anders dan zij meent, geen grond voor het oordeel dat bij de besluitvorming door het dagelijks bestuur sprake is geweest van een onoirbare verstrengeling van belangen, noch om de schijn gewekt te achten dat van een onpartijdige beoordeling van het bouwplan geen sprake is geweest. Dit is te minder het geval waar het dagelijks bestuur het advies van de bezwaarschriftencommissie heeft gevolgd. Tenslotte moet nog worden vermeld dat de stukken niets inhouden waaruit kan worden afgeleid dat het dagelijks bestuur betrokken is geweest bij die verzending van het advies.

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Uilenburg/Rapenburg” rust op het perceel gedeeltelijk de bestemming “Woningen W1 en W2”, met op de plankaart de nadere aanduidingen“W1” en “15m/5”, en voor het overige de bestemming “Tuinen en erven”.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften, voorzover thans van belang, zijn de gronden, op de plankaart bestemd voor woningen W1, aangewezen voor al dan niet met kappen afgedekte woningen en wooneenheden met inbegrip van daarbij behorende bergingen en andere nevenruimten. Ingevolge het vierde lid, voorzover thans van belang, is voor gebouwen de maximumbouwhoogte 15 m en het maximum aantal bouwlagen 5, en is de maximum bouwhoogte voor andere bouwwerken 3 m.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden, op de plankaart bestemd voor tuinen en erven, aangewezen voor tuinen en erven met inbegrip van de daarbij behorende voetpaden. Ingevolge het tweede lid mogen daar worden opgericht en in stand gehouden:

a. gebouwen ten behoeve van bij een woning behorende al dan niet met kappen afgedekte ruimten, zoals keukens en bergingen;

b. andere bouwwerken, voorzover deze verband houden met de bestemming van deze gronden. Ingevolge het derde lid gelden voor de in de leden 1 en 2 genoemde gronden en bebouwing nader genoemde maxima.

Ingevolge het vierde lid van artikel 10 zijn burgemeester en wethouders bevoegd, vrijstelling te verlenen van het bepaalde in de leden 2 en 3, in dier voege, dat ten behoeve van de aangrenzende bestemming “woningen W1 en W2” bebouwing mag worden opgericht en in stand gehouden, met dien verstande dat:

a. deze bebouwing wordt gebouwd aansluitend aan de woonbebouwing;

b. de bouwdiepte van de woningen W1 en W2 na vergroting niet meer dan 15 m bedraagt;

c. deze vergroting uitsluitend zal worden gemaakt ten behoeve van woondoeleinden.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstellingen te verlenen van de voorschriften van dit bestemmingsplan, in dier voege, dat de in de voorschriften toegestane maximale bouwhoogten in geringe mate worden overschreden, doch de betrokken bouwhoogte met niet meer dan 2 m wordt vergroot.

Ingevolge artikel 1, onder 7, van de planvoorschriften wordt onder “bouwlaag” verstaan: het gedeelte van een gebouw dat aan de onderzijde door ten minste één op gelijke of vrijwel gelijke (maximumverschil 1,50 m) hoogte gelegen serie vloeren wordt begrensd, met uitzondering van bijzondere bouwlagen. Onder “bijzondere bouwlaag” wordt, ingevolge dat artikel, onder 8, verstaan: kelders, souterrains, kappen en dakopbouwen. Onder “kap” wordt, ingevolge dat artikel, onder 11, verstaan: bijzondere bouwlaag die geheel of gedeeltelijk door een dakconstructie is omgeven en welke ten minste uit twee elkaar snijdende, hellende vlakken bestaan.

2.3. Appellante betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het dagelijks bestuur zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan vijf bouwlagen bevat plus een kap. Volgens appellante is er geen sprake van een kap, maar van een, verboden, zesde bouwlaag, zodat het dagelijks bestuur de bouwvergunning wegens strijd met het bestemmingsplan had moeten weigeren. Zij verwijt de rechtbank die grond ten onrechte als verwijtbaar te laat aangevoerd buiten beschouwing te hebben gelaten.

De Afdeling stelt voorop dat dat verwijt terecht is. De toetsing van het bouwplan aan het bestemmingsplan behoorde tot de door het dagelijks bestuur te verrichten heroverweging van het primaire besluit aan de hand van de daartegen ingebrachte bezwaren. Appellante mocht voormelde grond dan ook, ongeacht of zij die zelf in bezwaar had aangevoerd dan wel door de bezwaarschriftencommissie in het geschil was betrokken, aan de rechter in eerste aanleg voorleggen, die zich daarover een oordeel moest vormen.

De Afdeling is evenwel van oordeel dat het dagelijks bestuur zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan voorziet in vijf bouwlagen met een kap. In voormeld artikel 1, onder 11, is niet te lezen dat, zoals appellante meent, een kap hellende vlakken moet hebben, waarvan de voeten aan de bodem staan. Nu de dakconstructie bestaat uit ten minste twee elkaar snijdende, hellende vlakken is er sprake van een bijzondere bouwlaag die niet meetelt voor het toegestane maximum aantal van vijf bouwlagen. Op dit punt is het bouwplan dan ook niet in strijd met het bestemmingsplan.

Daar het betoog van appellante ten gronde faalt, vormt de omstandigheid, dat de rechtbank deze grond ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten, geen reden om de aangevallen uitspraak te vernietigen.

2.4. Appellante betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het dagelijks bestuur niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten vrijstellingen te verlenen krachtens de voormelde artikelen 10, vierde lid, en 16, eerste lid, aanhef en onder c, voor de overschrijding van de bestemmingsgrens “W1” met 3 m, waardoor het bouwplan gedeeltelijk is voorzien binnen de bestemming “Tuinen en erven”, onderscheidenlijk de overschrijding van de maximale bouwhoogte van 15 m met 1 m.

Dat betoog faalt. Aan de in artikel 10, vierde lid, gestelde voorwaarden is voldaan. Deze bepaling staat er niet aan in de weg dat een bebouwing over de volledige bouwhoogte wordt verdiept. De vrijstelling voor de overschrijding van de bouwhoogte valt binnen de reikwijdte van voormeld artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c. Het dagelijks bestuur heeft zich verder op goede gronden op het standpunt gesteld dat de vermindering van de daglichttoetreding voor het belendende pand Rapenburg [-] niet dusdanig is dat daarom niet in redelijkheid tot verlening van de binnenplanse vrijstellingen kon worden besloten. Gegeven de situatie ter plaatse, zoals die uit de stukken en het verhandelde ter zitting naar voren is gekomen, bestaat er geen grond om te oordelen dat het dagelijks bestuur onzorgvuldig heeft gehandeld door zich te baseren op de resultaten van het onderzoek van de stedenbouwkundige naar het effect van de bouwhoogte en –diepte op de daglichttoetreding, zonder daarnaar nog nader onderzoek te laten doen. Overigens is onbestreden dat de bouwmassa van het bouwplan kleiner is dan, zonder de vrijstellingen, zonder meer volgens het bestemmingsplan had mogen worden gerealiseerd.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met enige verbetering van de gronden waarop die rust, te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C. de Gooijer, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.

w.g. De Gooijer w.g. Roelfsema

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2003

27.