Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AL7627

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-10-2003
Datum publicatie
08-10-2003
Zaaknummer
200206642/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 januari 1999 heeft het college van burgemeester en wethouders van Raalte (hierna: het college), voorzover hier van belang, het verzoek afgewezen van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Reko Raalte B.V. (hierna: appellante) om handhavend op te treden tegen de vermeende illegale bouwwerken binnen het bestemmingsvlak "Bedrijfsbebouwing, bestemmingscategorie II" op het perceel van [partij] aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200206642/1.

Datum uitspraak: 8 oktober 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Reko Raalte B.V., gevestigd te Raalte,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 12 november 2002 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Raalte.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 januari 1999 heeft het college van burgemeester en wethouders van Raalte (hierna: het college), voorzover hier van belang, het verzoek afgewezen van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Reko Raalte B.V. (hierna: appellante) om handhavend op te treden tegen de vermeende illegale bouwwerken binnen het bestemmingsvlak "Bedrijfsbebouwing, bestemmingscategorie II" op het perceel van [partij] aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 9 juni 1999 heeft het college de daartegen door appellante gemaakte bezwaar, voorzover hier van belang, ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 januari 2001 heeft de rechtbank Zwolle (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd.

Bij uitspraak van 14 november 2001, inzake no. 200100666/1, heeft de Afdeling, voor zover hier van belang, het tegen deze uitspraak door appellante ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard.

Bij besluit van 24 juni 2002 heeft het college, voor zover hier van belang, het door appellante tegen het besluit van 6 januari 1999 gemaakte bezwaar wederom ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 november 2002, verzonden op 15 november 2002, heeft de rechtbank het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 12 december 2002, bij de Raad van State ingekomen op 13 december 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 5 februari 2003 heeft [partij] een reactie ingediend naar aanleiding van het ingestelde hoger beroep.

Bij brief van 24 maart 2003 heeft het college een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 juni 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en bijgestaan door mr. Th.A.G. Vermeulen, advocaat te Rosmalen, en het college, vertegenwoordigd door P.B.M. Droste, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [partij], vertegenwoordigd [gemachtigde] en bijgestaan door mr. J.C. van Nie, advocaat te Almelo, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Vooropgesteld wordt dat de Afdeling in de tussen partijen onder zaak nr. 200100666/1 gedane uitspraak van 14 november 2001 reeds heeft geoordeeld dat de bouwwerken, waarop het verzoek om handhaving betrekking heeft, gelet op de ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Buitengebied” op het perceel rustende bestemming "Bedrijfsbebouwing, bestemmingscategorie II" niet zijn toegestaan en dat het overgangsrecht geen basis biedt om bouwvergunning te verlenen. Het college was derhalve bevoegd handhavend op te treden.

2.2. Alleen in bijzondere gevallen kan het bestuursorgaan afzien van handhavend optreden tegen de illegale situatie. Een bijzonder geval kan worden aangenomen indien er concreet zicht bestaat op legalisering.

2.3. Appellante betoogt dat de rechtbank ten aanzien van het besluit van het college van 24 juni 2002 ten onrechte heeft geoordeeld dat concreet zicht bestond op legalisatie. Dit betoog slaagt.

2.3.1. Geconstateerd en ter zitting is bevestigd dat ten tijde van de beslissing op bezwaar van 24 juni 2002 met betrekking tot het onderhavige perceel geen voorbereidingsbesluit was genomen of een (voor)ontwerp van een bestemmingsplan ter inzage gelegd. Het enkele voornemen van het college om een partiële herziening van het ter plaatse geldende bestemmingsplan voor te bereiden, kan daarmee niet worden gelijkgesteld. Dat, naar het college stelt, uit ambtelijk overleg is gebleken gedeputeerde staten zich niet tegen de partiële herziening van het bestemmingsplan zullen verzetten, is onvoldoende om van concreet zicht in vorenbedoelde zin te spreken. In verband met het (ex tunc) karakter van de beoordeling van het hoger beroep door de Afdeling kan met de omstandigheid, dat het college inmiddels een opdracht heeft verstrekt aan BRO-adviseurs te Vught om het bestemmingsplan te herzien geen rekening worden gehouden.

Onder deze omstandigheden is het standpunt van college dat het zicht op legalisatie voldoende concreet is, onvoldoende gemotiveerd. Het besluit van 24 juni 2002 is derhalve in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank heeft dit miskend.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep van appellante bij de rechtbank alsnog gegrond verklaren en de beslissing op bezwaar van 24 juni 2002 op dit punt vernietigen. Tevens ziet de Afdeling aanleiding te bepalen dat het college binnen zes weken na de verzending van deze uitspraak op het bezwaar van appellante dient te beslissen.

2.5. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te Zwolle van 12 november 2002, Awb 02/758;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Raalte van 24 juni 2002, Afd. BMZ, nr. 5364, 5365, 5434, voorzover daarbij de bezwaren van appellante tegen de weigering om handhavend op te treden tegen de op het terrein aanwezige en zonder bouwvergunning gerealiseerde bouwwerken, ongegrond zijn verklaard;

V. draagt het college van burgemeester en wethouders van Raalte op binnen zes weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Raalte in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1362,78 welk bedrag voor een gedeelte groot € 1288,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Raalte te worden betaald aan appellante;

VII. gelast dat de gemeente Raalte aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 545,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.M. van Angeren, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. J.E.M. Polak, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Angeren w.g. Lodder

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2003

53-406.