Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AL7597

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-10-2003
Datum publicatie
08-10-2003
Zaaknummer
200204650/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 december 2001 heeft de gemeenteraad van Schijndel, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 27 november 2001, het bestemmingsplan "Buitengebied 2000" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200204650/1.

Datum uitspraak: 8 oktober 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. Houtindustrie Schijndel b.v., gevestigd te Schijndel,

2. [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellanten sub 3], wonend te [woonplaats],

4. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],

5. [appellant sub 5], gevestigd te [woonplaats],

6. [appellant sub 6], wonend te [woonplaats],

7. [appellant sub 7], wonend te [woonplaats],

8. [appellant sub 8], wonend te [woonplaats],

9. [appellant sub 9], wonend te [woonplaats],

10. [appellanten sub 10], wonend respectievelijk gevestigd te [woonplaats],

11. BCS Computerservice b.v. en [appellant sub 11], gevestigd te Den Dungen respectievelijk wonend te [woonplaats],

12. [appellanten sub 12], gevestigd respectievelijk wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2001 heeft de gemeenteraad van Schijndel, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 27 november 2001, het bestemmingsplan "Buitengebied 2000" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 24 juli 2002, nummer 807208, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten beroep ingesteld.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 31 januari 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 mei 2003, waar appellanten in persoon zijn verschenen en/of zich hebben doen vertegenwoordigen. Ook verweerder en de gemeenteraad van Schijndel hebben zich ter zitting doen vertegenwoordigen.

2. Overwegingen

Toetsingskader

2.1. Aan de orde zijn geschillen inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Beroep Houtindustrie Schijndel b.v.

2.2. Appellante voert aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming “Bedrijfsdoeleinden” betreffende haar bedrijfsterrein aan de Nieuwe Molenheide en de Kanaaldijk. Daartoe stelt zij dat het ten hoogste toegestane bebouwingspercentage van 50 te gering is; zij wenst dat dit wordt verhoogd tot 70, conform het voorgaande bestemmingsplan. Voorts stelt appellante dat het slechts toelaten van bedrijven in milieucategorie 1, 2 of 3 onnodige beperkingen met zich brengt.

2.2.1. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat het bedrijventerrein moet worden aangemerkt als een bedrijfsvestiging in het buitengebied, waarvoor een restrictief planologisch regime geldt. Gelet op de afstand tot de woonbebouwing, het karakter van de omgeving en de slechte bereikbaarheid wordt nieuwvestiging van bedrijven in zwaardere milieucategorieën niet wenselijk geacht.

2.2.2. Verweerder heeft geen reden gezien de door appellante bestreden onderdelen van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft deze goedgekeurd. Hij stelt dat het toegelaten bebouwingspercentage een uitbreiding van het bebouwde oppervlak met 15 procent mogelijk maakt, hetgeen overeenkomt met het streekplanbeleid voor niet aan het buitengebied gebonden bedrijven. Van een noodzaak om van dit beleid af te wijken is verweerder niet gebleken. Ook de andere ter plaatse aanwezige bedrijven mogen hun bebouwing met ten hoogste 15 procent uitbreiden. Verder stelt verweerder dat het bedrijf van appellante weliswaar valt onder milieucategorie 4 of hoger, doch dat ingevolge artikel 28, tweede lid, van de planvoorschriften de bestaande bedrijven mogen worden gehandhaafd, zodat de feitelijke situatie op een juiste manier is bestemd.

2.2.3. Appellante exploiteert een houtbewerkingsbedrijf op een aantal percelen die zijn gelegen direct ten zuiden van de dijk langs de Zuid-Willemsvaart.

In het streekplan Noord-Brabant 2002 wordt ten aanzien van niet aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid vermeld dat deze thuis hoort op een bedrijventerrein of in een kern en dat nieuwvestiging daarom in het buitengebied niet is toegestaan. Bestaande niet aan het buitengebied gebonden bedrijven als thans aan de orde krijgen een uitbreidingsruimte van maximaal 15 procent van de volgens het bestemmingsplan of verleende vrijstellingen toegestane bebouwingsoppervlakte. De Afdeling acht dit beleid niet onredelijk.

Het bedrijfsterrein had ten tijde van het nemen van het bestreden besluit een oppervlakte van 58.929 vierkante meter. De bebouwing op het terrein, die met name uit kantoorruimten, loodsen, silo’s en overkappingen bestaat, beslaat een oppervlakte van 25.098 vierkante meter. Bij een ten hoogste toegelaten bebouwingspercentage van 50, welk percentage ingevolge artikel 28.3.4 van de planvoorschriften is gerelateerd aan het bestemmingsvlak ter plaatse van de aanduiding van dit percentage op de plankaart, kan de bedrijfsbebouwing worden uitgebreid tot in totaal 29.465 vierkante meter. Niet aannemelijk is geworden dat aldus aan appellantes bedrijf zodanige beperkingen worden opgelegd dat verweerder hierin aanleiding had moeten zien om op dit punt van het streekplan af te wijken. Voorzover appellante betoogt dat verweerder in strijd handelt met het streekplan, omdat blijkens paragraaf 3.4.14 het uitbreidingspercentage dient te worden berekend ten opzichte van de volgens het bestemmingsplan toegestane bebouwingsoppervlakte, die naar appellante stelt de oppervlakte van de bestaande bebouwing overtreft, overweegt de Afdeling dat ter zitting is verklaard dat met de door appellante aangehaalde streekplantekst wordt bedoeld dat bij het bepalen van het uitbreidingspercentage alleen die bedrijfsbebouwing wordt betrokken die in overeenstemming is met het voorheen geldende bestemmingsplan; bebouwingsmogelijkheden die in het verleden niet zijn benut worden derhalve niet meegeteld. De Afdeling acht dit niet onredelijk.

Naar aanleiding van de stelling van appellante dat op het perceel genaamd Hertenkamp wel een bebouwingspercentage van 70 is toegestaan, overweegt de Afdeling dat gebleken is dat, anders dan appellante stelt, dit een bestaande situatie betreft en dat de opstallen zijn gebouwd onder het regime van het voorgaande bestemmingsplan. Van een vergelijkbare situatie is derhalve geen sprake.

De beperking van nieuw te vestigen bedrijven tot een lagere milieucategorie dan waarvan thans sprake is, acht verweerder in overeenstemming met zijn terughoudende beleid ten aanzien van niet-agrarische bedrijven in het buitengebied. Dit standpunt acht de Afdeling niet onjuist. Voorts ziet de Afdeling in hetgeen appellante hieromtrent heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in dit geval ook in zoverre niet in redelijkheid aan evengenoemd beleid kon vasthouden.

2.2.4. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door appellante bestreden onderdelen van het plan niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

Beroep [appellanten sub 2]

2.3. Appellanten voeren aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel deels met de bestemming “Agrarisch verwante en niet-agrarische bedrijven” met de nadere aanduiding “paardenhouderij (Ph)” en deels met de bestemming “Agrarisch gebied met natuurwaarden” betreffende het perceel [locatie sub 2], waar appellanten een paardenfokkerij en een hengstenhouderij exploiteren. Daartoe stellen zij dat verweerder in zijn bestreden besluit weliswaar heeft overwogen dat hij om de in het besluit genoemde redenen goedkeuring aan dit plandeel onthoudt en dat hij dit plandeel met paars heeft omlijnd, doch dat deze omlijning op de plankaart ontbreekt.

2.3.1. Verweerder heeft erkend dat sprake is van een omissie.

2.3.2. De Afdeling stelt vast dat in het bestreden besluit, onder “Besluiten:” is vermeld dat van de goedkeuring onder meer zijn uitgezonderd “de volgende gedeelten van het plan (...) • Paars omlijnd (...) – bestemming perceel [locatie] 12”. Nu deze omlijning op de plankaart ontbreekt bestaat onduidelijkheid over de exacte omvang van het plandeel waaraan goedkeuring is onthouden. Het bestreden besluit is mitsdien in zoverre in strijd met de rechtszekerheid. Het beroep is mitsdien gegrond. Het bestreden besluit dient gelet op het voorgaande te worden vernietigd voorzover het betrekking heeft op voornoemd plandeel. Ter zitting is door verweerder dit plandeel nader aangeduid. Appellanten en de gemeenteraad hebben hiermee ingestemd. De Afdeling ziet hierin aanleiding zelf voorziend goedkeuring te onthouden aan dit plandeel, dat nader is aangeduid op de bij deze uitspraak behorende en als zodanig gewaarmerkte kaart.

Beroep [appellanten sub 3]

2.4. Appellanten voeren aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming “Wonen” betreffende het perceel [locatie sub 3]. In dit verband stellen zij allereerst dat hun zienswijzen en bedenkingen onvolledig zijn weergegeven en onvolledig zijn behandeld en dat de wettelijke termijn voor de vaststelling van het bestemmingsplan is overschreden. Appellanten stellen voorts dat het schilders- en glaszetbedrijf dat zij ter plaatse exploiteren ten onrechte niet als zodanig is bestemd. Verder wensen zij dat de mogelijkheid wordt geboden in hun opstallen een tweede zelfstandige woning te creëren. Tenslotte kunnen appellanten zich niet verenigen met hetgeen in de planvoorschriften is geregeld ten aanzien van de inhoud van hun woning en bijgebouwen.

2.4.1. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat bij de verplaatsing van het agrarische bedrijf dat in het verleden op het perceel [locatie sub 3] werd uitgeoefend, uitdrukkelijk is vastgelegd dat ter plaatse slechts sprake zou mogen zijn van één burgerwoning. Hij acht voorts boerderijsplitsing slechts aanvaardbaar indien sprake is van een oorspronkelijke, in cultuurhistorisch, architectonisch en/of landschappelijk opzicht waardevolle boerderij. Aan deze criteria wordt volgens de raad in dit geval niet voldaan. Verder stelt hij dat de bedrijfsactiviteiten van appellanten in strijd zijn met het vorige bestemmingsplan en dat het gemeentelijke beleid is gericht op het weren van niet-agrarische activiteiten uit het buitengebied. Ten slotte wijst de gemeenteraad erop dat woningen groter dan 500 kubieke meter geacht worden aan het plan te voldoen.

2.4.2. Verweerder heeft geen reden gezien het door appellanten bestreden plandeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het goedgekeurd. Hij deelt het standpunt van de gemeenteraad. Voorts acht verweerder de wensen van appellanten in strijd met het streekplan.

2.4.3. De Afdeling overweegt allereerst dat weliswaar de in artikel 25 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening gestelde termijn is overschreden, doch dat uit deze wettelijke bepaling noch uit enige andere bepaling kan worden afgeleid dat de gemeenteraad na het verstrijken van deze termijn niet meer bevoegd is het bestemmingsplan vast te stellen. De omstandigheid dat inmiddels het provinciaal ruimtelijk beleid is gewijzigd doet aan het voorgaande niet af. Ook anderszins is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan verweerder in de termijnoverschrijding aanleiding had moeten zien om goedkeuring aan het door appellanten bestreden onderdeel van het bestemmingsplan te onthouden.

2.4.4. Ten aanzien van het bezwaar betreffende de wijze waarop de gemeenteraad de ingediende zienswijzen en verweerder de ingediende bedenkingen hebben behandeld overweegt de Afdeling dat artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht zich er niet tegen verzet dat de gemeenteraad respectievelijk verweerder de bezwaren samengevat weergeven. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze of bedenking afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit van de gemeenteraad en het bestreden besluit niet voldoende zijn gemotiveerd.

2.4.5. Ten aanzien van de door appellanten gewenste bestemmingsregeling ten behoeve van hun schilders- en glaszetbedrijf overweegt de Afdeling het volgende. In het streekplan Noord-Brabant 2002 wordt ten aanzien van niet aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid als thans aan de orde vermeld dat deze thuis hoort op een bedrijventerrein of in een kern en dat nieuwvestiging daarom in het buitengebied niet is toegestaan. Vestiging op een voormalige agrarische bedrijfslocatie is onder voorwaarden wel toegestaan. Eén van deze voorwaarden is dat de locatie in een bebouwingsconcentratie ligt. Hieronder wordt in het streekplan verstaan een door een besluit van de gemeenteraad – bij voorkeur op grond van de Wet op de Ruimtelijke Ordening – aangegeven kernrandzone, bebouwingslint of bebouwingscluster met een historisch gegroeide menging van kleinschalige buitengebied- en niet-buitengebiedfuncties. Voorts worden, zo is ter zitting namens verweerder verklaard, in het streekplan onder nieuwvestiging ook bestaande bedrijven gerekend, indien deze in strijd met het vigerende bestemmingsplan zijn gevestigd. De Afdeling acht dit beleid niet onredelijk.

Gebleken is dat het bedrijf van appellanten sedert 1995 feitelijk aan de [locatie sub 3] is gevestigd, doch dat het toen geldende bestemmingsplan deze vestiging niet toeliet. In de zin van het streekplan is derhalve sprake van nieuwvestiging. Voorts ligt het perceel niet in een door de gemeenteraad aangewezen bebouwingscluster

Gelet op het voorgaande heeft verweerder de door appellanten gewenste bedrijfsbestemming op goede gronden in strijd met het streekplanbeleid geacht. Uit het door appellanten aangevoerde blijkt niet van bijzondere omstandigheden die voor verweerder aanleiding hadden moeten zijn om van zijn beleid af te wijken.

2.4.6. Ten aanzien van de door appellanten gewenste woningsplitsing overweegt de Afdeling het volgende. In het streekplan Noord-Brabant 2002 wordt ten aanzien van burgerwoningen in het buitengebied vermeld dat de provincie het wonen zoveel mogelijk wil concentreren in de kernen en dat om die reden toevoeging van burgerwoningen door splitsing van gebouwen niet is toegestaan. Een uitzondering wordt, onder voorwaarden, gemaakt voor beeldbepalende boerderijen omdat splitsing kan bijdragen aan het behoud van voor het buitengebied kenmerkende boerderijgebouwen. De Afdeling acht dit beleid in het algemeen niet onredelijk.

De Afdeling is niet gebleken dat het door verweerder onderschreven standpunt van de gemeenteraad, dat in dit geval geen sprake is van een beeldbepalende boerderij, onjuist is. Uit het door appellanten aangevoerde blijkt niet van bijzondere omstandigheden die voor verweerder aanleiding hadden moeten zijn om van het streekplan af te wijken. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de heer Van Doornik zich bij overeenkomst van 28 augustus 1995 jegens de gemeente heeft verplicht het pand, waarin een tweede zelfstandige woonruimte met huisnummer 52 aanwezig was, als één woning te gebruiken.

2.4.7. Ten aanzien van het bezwaar van appellanten betreffende hetgeen in de planvoorschriften is geregeld met betrekking tot de inhoud van hun woning en bijgebouwen overweegt de Afdeling als volgt.

2.4.7.1. Ingevolge artikel 9.2.2 geldt voor de tot “Wonen” bestemde gronden dat de inhoud van een woning ten hoogste 500 kubieke meter mag bedragen, met dien verstande dat woningen die ten tijde van de tervisielegging van het ontwerpplan een grotere inhoud hebben worden geacht te voldoen aan het plan, maar niet mogen worden vergroot. Gelet op de bewoordingen van deze bepaling is, anders dan appellanten stellen, hun woning, die aanmerkelijk groter is dan 500 kubieke meter, niet wegbestemd.

2.4.7.2. Ingevolge artikel 9.2.3 geldt voor de tot “Wonen” bestemde gronden dat de gezamenlijke inhoud van de bijgebouwen ten hoogste 350 kubieke meter mag bedragen. Indien de inhoud van de bijgebouwen meer bedraagt, mag bij afbraak van één of meer bijgebouwen onder bepaalde voorwaarden de inhoud van de nieuwe bijgebouwen groter zijn dan 350 kubieke meter.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bebouwing betreft die niet langer overeenkomstig de oorspronkelijke agrarische bestemming in gebruik is. Gelet hierop acht verweerder het aanvaardbaar dat, waar de gezamenlijke inhoud van de aanwezige bijgebouwen groter is dan het plan toelaat bij een burgerwoning, het meerdere onder het overgangsrecht wordt gebracht. Het accepteren van een groter volume aan bijgebouwen in geval van sloop van een of meer bestaande bijgebouwen acht verweerder aanvaardbaar omdat hierdoor per saldo de verstening afneemt.

De Afdeling stelt vast dat de bestaande bijgebouwen, voorzover de inhoud daarvan meer dan 350 kubieke meter bedraagt, in zoverre niet als zodanig zijn bestemd. Gesteld noch gebleken is dat deze bijgebouwen in strijd met een voorafgaand bestemmingsplan zijn opgericht. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat de raad en verweerder een beleid voor ogen staat dat het mogelijk maakt om binnen de planperiode een situatie in het leven te roepen die wel voldoet aan de planvoorschriften met betrekking tot het maximaal toegelaten volume aan bijgebouwen, bijvoorbeeld door gehele of gedeeltelijke sloop van de gebouwen of door een regeling die anderszins een oplossing kan bieden voor situaties als deze. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering en daardoor in zoverre in strijd is met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.4.8. Uit het voorgaande volgt dat het beroep gegrond is voorzover het gericht is tegen de goedkeuring van artikel 9.2.3 van de planvoorschriften voorzover deze bepaling betrekking heeft op het perceel van appellanten. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd.

Beroep [appellant sub 4]

2.5. Appellant voert aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming “Wonen met niet-agrarische nevenactiviteit” met de nadere aanduiding “caravanstalling” betreffende het perceel [locatie sub 4]. In dit verband stelt hij allereerst dat zijn bedenkingen onvolledig zijn weergegeven en onvolledig zijn behandeld en dat de wettelijke termijn voor de vaststelling van het bestemmingsplan is overschreden. Appellant stelt voorts dat de in het pand aanwezige tweede zelfstandige woning ten onrechte niet als zodanig is bestemd.

2.5.1. De gemeenteraad acht boerderijsplitsing slechts aanvaardbaar indien sprake is van een oorspronkelijke, in cultuurhistorisch, architectonisch en/of landschappelijk opzicht waardevolle boerderij. Aan deze criteria wordt volgens de raad in dit geval niet voldaan. Het pand wordt niet vermeld in de lijst “waardevolle boerderijen” die als bijlage bij het bestemmingsplan is opgenomen en die is ontleend aan het provinciaal monumenten inventarisatie project. Verder stelt de raad zich op het standpunt dat voor de tweede woonvoorziening nooit een bouwvergunning is aangevraagd, zodat moet worden aangenomen dat altijd sprake is geweest van inwoning.

2.5.2. Verweerder heeft geen reden gezien het door appellant bestreden plandeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het goedgekeurd. Hij deelt het standpunt van de gemeenteraad. Voorts acht verweerder het toelaten van twee woningen in strijd met het streekplan. Ten slotte wijst verweerder erop dat woningen groter dan 500 kubieke meter geacht worden aan het bestemmingsplan te voldoen.

2.5.3. De Afdeling overweegt allereerst dat weliswaar de in artikel 25 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening gestelde termijn is overschreden, doch dat uit deze wettelijke bepaling noch uit enige andere bepaling kan worden afgeleid dat de gemeenteraad na het verstrijken van deze termijn niet meer bevoegd is het bestemmingsplan vast te stellen. De omstandigheid dat inmiddels het provinciaal ruimtelijk beleid is gewijzigd doet aan het voorgaande niet af. Ook anderszins is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan verweerder in de termijnoverschrijding aanleiding had moeten zien om goedkeuring aan het door appellant bestreden onderdeel van het bestemmingsplan te onthouden.

2.5.4. Ten aanzien van het bezwaar betreffende de wijze waarop verweerder de ingediende bedenkingen heeft behandeld overweegt de Afdeling dat artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht zich er niet tegen verzet dat verweerder de bezwaren samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een bedenking afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd.

2.5.5. Ten aanzien van het bezwaar van appellant dat de aan zijn perceel toegekende bestemming slechts één woning toelaat overweegt de Afdeling het volgende. In het streekplan Noord-Brabant 2002 wordt ten aanzien van burgerwoningen in het buitengebied vermeld dat de provincie het wonen zoveel mogelijk wil concentreren in de kernen en dat om die reden toevoeging van burgerwoningen door splitsing van gebouwen niet is toegestaan. Een uitzondering wordt, onder voorwaarden, gemaakt voor beeldbepalende boerderijen omdat splitsing kan bijdragen aan het behoud van het voor het buitengebied kenmerkende boerderijgebouwen. De Afdeling acht dit beleid in het algemeen niet onredelijk.

De Afdeling is niet gebleken dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat een uitzondering als evenbedoeld zich ten aanzien van het pand van appellant niet voordoet. Uit het door appellant aangevoerde blijkt niet van bijzondere omstandigheden die voor verweerder aanleiding hadden moeten zijn om van het streekplan af te wijken. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de door appellant gestelde dubbele bewoning van het pand niet in overeenstemming is met het voorheen geldende bestemmingsplan.

2.5.6. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het door appellant bestreden plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

Beroep [appellant sub 5]

2.6. Appellante voert aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de aanduidingen “steilrand” en “cultuurhistorisch waardevol gebied” voorzover het haar tot “Agrarisch gebied” bestemde gronden betreft die behoren of, na ruilverkaveling, zullen gaan behoren tot haar melkveehouderij en varkenshouderij aan de [locatie sub 5]. Zij stelt dat de aan deze aanduidingen gekoppelde aanlegvergunningvereisten haar onnodig en onterecht belemmeren in haar agrarische bedrijfsvoering.

2.6.1. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat de aanwezige landschappelijke en cultuurhistorische waarden en natuurwaarden een aanlegvergunningenstelsel rechtvaardigen waarin alle werkzaamheden die kunnen leiden tot aantasting van deze waarden aan een beoordeling vooraf worden onderworpen.

Verweerder deelt dit standpunt.

2.6.2. Ingevolge artikel 4.1.2, onder 2a, richt de bestemming ter plaatse van de op kaart 2 als “cultuurhistorisch waardevol gebied” aangeduide gronden zich tevens op het instandhouden van de karakteristieke verkaveling (langgerekte percelen). Ingevolge het bepaalde onder 2c van dit artikel richt de bestemming ter plaatse van de op kaart 2 als “steilrand” aangeduide gronden zich tevens op het instandhouden van de karakteristieke hoogteverschillen.

Ingevolge artikel 4.6.1 is een aanlegvergunning vereist voor het aanleggen van landschapselementen (houtgewassen en poelen) en het amoveren van paden. Uitsluitend ter plaatse van de gronden met de aanduiding “cultuurhistorisch waardevol gebied” is voorts een aanlegvergunning vereist voor het aanbrengen van verhardingen, het aanleggen of verwijderen van sloten, het aanleggen van paden, het wijzigen van perceels- en kavelgrenzen en het aanbrengen van hoogopgaande houtopstanden. Uitsluitend ter plaatse van de gronden met de aanduiding “steilrand” is voorts een aanlegvergunning vereist voor het ophogen, afgraven en egaliseren van de bodem, het diepwoelen en diepploegen van de bodem, het aanbrengen van verhardingen en het inrichten van gronden voor boomteelt.

Verweerder heeft aan dit artikel goedkeuring onthouden omdat hij van opvatting is dat het ontoereikend is ter bescherming van de landschappelijke waarden en met toepassing van artikel 28, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening voor de gronden waarop artikel 4.6.1 van toepassing zou zijn geweest een aanlegvergunningenstelsel in het leven geroepen dat ten opzichte van dit artikel is uitgebreid met een aanlegvergunningvereiste voor het vellen en/of rooien van houtopstanden voor alle gronden met de bestemming “Agrarisch gebied”. Voorts is dit aanlegvergunningenstelsel in het leven geroepen in verband met de onthouding van goedkeuring aan onder meer een deel van de huidige en toekomstige gronden van appellante wegens hun geschiktheid voor de ontwikkeling van nieuwe natuur door de grondwatersituatie.

2.6.3. Blijkens het deskundigenbericht behoren de gronden van appellante, die wisselend in gebruik zijn als grasland en akkerland, tot de zogenoemde gesloten akkercomplexen (kampen). Deze historische akkers en graslanden zijn thans vooral te herkennen aan de omsluiting door wegen, paden en/of sloten, soms begeleid door enige beplanting of restontginningen. De toekenning van de aanduidingen in het bestemmingsplan die tot doel hebben de waardevolle cultuurhistorische elementen in het landschap te beschermen, is gebaseerd op een inventarisatie die in het kader van de ruilverkaveling door deskundigen is verricht.

De Afdeling acht aannemelijk dat de werken en werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.6.1 ertoe kunnen leiden dat de herkenbaarheid van de karakteristieke verkaveling verloren gaat. Voorts acht de Afdeling voldoende aangetoond dat deze karakteristieke verkaveling zich ook ter plaatse van de door appellante bedoelde gronden manifesteert, ondanks dat niet alle kenmerken van steilranden in het veld zichtbaar zijn. Verweerder heeft derhalve het door appellante bestreden aanlegvergunningenstelsel noodzakelijk kunnen achten. Voorts is niet aannemelijk gemaakt dat het aanlegvergunningvereiste appellante zodanig in haar bedrijfsvoering zal beperken, dat verweerder hiermee niet in redelijkheid heeft kunnen instemmen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat ingevolge artikel 4.6.2 werken en werkzaamheden die het normale onderhoud betreffen van het vergunningvereiste zijn uitgezonderd.

Ten slotte is gesteld noch gebleken dat verweerder niet in redelijkheid toepassing heeft kunnen geven aan artikel 28, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in zoverre daardoor een aanlegvergunningvereiste voor het vellen en/of rooien van houtopstanden in het leven is geroepen.

2.6.4. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door appellante bestreden aanduidingen niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan deze aanduidingen.

Het beroep is ongegrond.

Beroep [appellant sub 6]

2.7. Appellant exploiteert een varkenshouderij annex akkerbouwbedrijf aan de Molendijk-Noord 60b. Hij voert in de eerste plaats aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming “Agrarisch gebied” betreffende de gronden ten noorden van zijn agrarisch bouwblok. Appellant wenst dat aan deze gronden eveneens de bestemming “Agrarisch bouwblok” wordt toegekend, zodanig dat een in totaal 2 hectare groot agrarisch bouwblok ontstaat.

2.7.1. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat uitbreiding in noordelijke richting leidt tot een breed front gezien vanaf de Molendijk-Noord. Als betrokkene concrete uitbreidingsplannen heeft zal in goed overleg en met afweging van de betrokken belangen (landschap, milieu, milieucirkel en dergelijke) de meest geschikte locatie daarvoor worden gekozen.

2.7.1.1. Verweerder stelt dat het toegekende, 1,7 hectare grote bouwblok kan worden aangemerkt als een “bouwblok op maat”. Voorts stelt hij dat het bouwblok nog uitbreidingsmogelijkheden biedt en dat uitbreiding, nu het een intensieve veehouderij in de AHS-landbouw betreft, maatwerk is, waarbij onder meer landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden een rol spelen. Verweerder stelt vast dat het bestemmingsplan aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid toekent het plan te wijzigen ten behoeve van de vergroting en vormverandering van het bouwblok.

2.7.1.2. De Afdeling acht, mede in aanmerking genomen het deskundigenbericht en het verhandelde ter zitting, niet aannemelijk dat ten tijde van het bestreden besluit reeds zodanig concrete en realiseerbare uitbreidingsplannen bestonden dat daarmee bij het bepalen van de omvang en vorm van het bouwblok rekening had moeten worden gehouden. Verweerder heeft derhalve in redelijkheid met de vorm en omvang van het bouwblok kunnen instemmen.

2.7.2. Appellant voert voorts aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de aanduidingen “stijlrand” voorzover het de gronden met de bestemming “Agrarisch gebied” betreft die behoren of, na ruilverkaveling, zullen gaan behoren tot zijn bedrijf. Hij stelt dat de aan deze aanduidingen gekoppelde aanlegvergunningvereisten hem onnodig en onterecht belemmeren in zijn agrarische bedrijfsvoering.

2.7.2.1. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat de aanwezige landschappelijke en cultuurhistorische waarden en natuurwaarden een aanlegvergunningenstelsel rechtvaardigen waarin alle werkzaamheden die kunnen leiden tot aantasting van deze waarden aan een beoordeling vooraf worden onderworpen.

Verweerder deelt dit standpunt.

2.7.2.2. Ingevolge artikel 4.1.2, onder 2c, richt de bestemming ter plaatse van de op kaart 2 als “steilrand” aangeduide gronden zich tevens op het instandhouden van de karakteristieke hoogteverschillen. Ingevolge artikel 4.6.1 is een aanlegvergunning vereist voor het aanleggen van landschapselementen (houtgewassen en poelen) en het amoveren van paden. Uitsluitend ter plaatse van de gronden met de aanduiding “steilrand” is voorts een aanlegvergunning vereist voor het ophogen, afgraven en egaliseren van de bodem, het diepwoelen en diepploegen van de bodem, het aanbrengen van verhardingen en het inrichten van gronden voor boomteelt. Verweerder heeft aan dit artikel goedkeuring onthouden omdat hij van opvatting is dat het ontoereikend is ter bescherming van de landschappelijke waarden en met toepassing van artikel 28, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening voor de gronden waarop artikel 4.6.1 van toepassing zou zijn geweest een aanlegvergunningenstelsel in het leven geroepen dat ten opzichte van dit artikel is uitgebreid met een aanlegvergunningvereiste voor het vellen en/of rooien van houtopstanden voor alle gronden met de bestemming “Agrarisch gebied”.

2.7.2.3. Blijkens het deskundigenbericht behoren de gronden van appellant, die wisselend in gebruik zijn als grasland en akkerland, tot de zogenoemde gesloten akkercomplexen (kampen). Deze historische akkers en graslanden zijn thans vooral te herkennen aan de omsluiting door wegen, paden en/of sloten, soms begeleid door enige beplanting of restontginningen. De toekenning van de aanduidingen in het bestemmingsplan die tot doel hebben de waardevolle cultuurhistorische elementen in het landschap te beschermen, is gebaseerd op een inventarisatie die in het kader van de ruilverkaveling door deskundigen is verricht.

De Afdeling acht aannemelijk dat de werken en werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.6.1 ertoe kunnen leiden dat de herkenbaarheid van de karakteristieke verkaveling verloren gaat. Voorts acht de Afdeling voldoende aangetoond dat deze karakteristieke verkaveling zich ook ter plaatse van de door appellant bedoelde gronden manifesteert, ondanks dat niet alle kenmerken van steilranden in het veld zichtbaar zijn. De stelling van appellant dat de steilrand die aansluit op zijn bouwkavel eerst in 1998 door bouwwerkzaamheden is ontstaan, doet, wat daarvan ook zij, er niet aan af dat deze blijkens het deskundigenbericht zich als zodanig in het verlengde van de zuidelijke begrenzing van het bouwblok in het landschap manifesteert. Verweerder heeft derhalve het door appellant bestreden aanlegvergunningenstelsel noodzakelijk kunnen achten. Voorts is niet aannemelijk gemaakt dat het aanlegvergunningvereiste appellant zodanig in zijn bedrijfsvoering zal beperken, dat verweerder hiermee niet in redelijkheid heeft kunnen instemmen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat ingevolge artikel 4.6.2 werken en werkzaamheden die het normale onderhoud betreffen van het vergunningvereiste uitgezonderd zijn.

Ten slotte is gesteld noch gebleken dat verweerder niet in redelijkheid toepassing heeft kunnen geven aan artikel 28, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in zoverre daardoor een aanlegvergunningvereiste voor het vellen en/of rooien van houtopstanden in het leven is geroepen.

2.7.3. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door appellant bestreden planonderdelen niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan deze planonderdelen.

Het beroep is ongegrond.

Beroep [appellant sub 7]

2.8. Appellanten voeren aan dat verweerder voorzover hier van belang ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming “Agrarisch gebied met natuurwaarden” betreffende een perceel met loods nabij de [locatie sub 7] te [plaats]. Zij wensen dat aan het perceel een bestemming wordt toegekend die het gebruik van de loods voor opslagdoeleinden toelaat.

2.8.1. De gemeenteraad heeft geen aanleiding gezien aan de wens van appellanten tegemoet te komen.

2.8.2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de opslag moet worden aangemerkt als nieuwvestiging van een niet aan het buitengebied gebonden bedrijf en dat op grond van het streekplan een dergelijke vestiging niet is toegestaan.

2.8.3. Het 3.000 vierkante meter grote perceel grenst in het zuiden aan de kern Wijbosch, in het noorden aan een relatief open agrarisch gebied en in het westen aan de [locatie sub 7]. Op 70 meter van deze straat staat een 216 vierkante meter grote loods die voor opslagdoeleinden wordt gebruikt. De aan het perceel toegekende bestemming laat geen bebouwing toe.

De Afdeling stelt vast dat de loods niet als zodanig is bestemd. Verweerder acht dit aanvaardbaar nu het gaat om een oorspronkelijk in agrarisch gebruik zijnde loods, die onderdeel uitmaakte van overige, inmiddels gesloopte agrarische opstallen. Gesteld noch gebleken is dat de loods in strijd met een voorafgaand bestemmingsplan is opgericht. Voorts is niet gebleken dat een algemeen beleid is geformuleerd dat een oplossing kan bieden voor situaties als deze. Zo is niet gebleken dat de loods zal worden gesloopt.

In het streekplan Noord-Brabant 2002 wordt ten aanzien van niet aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid als thans aan de orde vermeld dat deze thuis hoort op een bedrijventerrein of in een kern en dat nieuwvestiging daarom in het buitengebied niet is toegestaan. Vestiging op een voormalige agrarische bedrijfslocatie is onder voorwaarden wel toegestaan. Eén van deze voorwaarden is dat de locatie in een bebouwingsconcentratie ligt. Hieronder wordt in het streekplan verstaan een door een besluit van de gemeenteraad – bij voorkeur op grond van de Wet op de Ruimtelijke Ordening – aangegeven kernrandzone, bebouwingslint of bebouwingscluster met een historisch gegroeide menging van kleinschalige buitengebied- en niet-buitengebiedfuncties. Voorts worden, zo is ter zitting namens verweerder verklaard, in het streekplan onder nieuwvestiging ook bestaande bedrijven gerekend, indien deze in strijd met het vigerende bestemmingsplan zijn gevestigd. Gebleken is dat de opslagactiviteiten in de loods, die in het verleden voor agrarische doeleinden werd gebruikt, in strijd met het toen geldende bestemmingsplan zijn ontstaan, zodat deze activiteiten als nieuw moeten worden aangemerkt. Blijkens plankaart 1 ligt het perceel in een gebied dat is aangeduid als bebouwingsconcentratie, zodat in zoverre wordt voldaan aan de eisen die in het streekplan zijn opgenomen ten aanzien van de vestiging van niet-agrarische bedrijvigheid op voormalige agrarische bedrijfslocaties. Verweerder heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat niet wordt voldaan aan de overige eisen die in het streekplan terzake van deze nieuwvestiging zijn opgenomen.

Het bestreden besluit berust mitsdien in zoverre niet op een deugdelijk motivering en is derhalve op dit punt in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.8.4. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep gegrond is, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voorzover daarbij is beslist over de goedkeuring van het door appellanten bestreden plandeel.

Beroep [appellant sub 8]

2.9. Appellant kan zich niet verenigen met de motivering die verweerder ten grondslag heeft gelegd aan de onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming “Wonen” betreffende het perceel aan de [locatie sub 8] te [plaats]. Hij wenst dat met het oog op het huidige gebruik van de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen aan het perceel de bestemming “Wonen met niet-agrarische nevenactiviteit” en de aanduiding “nevenactiviteit opslag” wordt toegekend.

2.9.1. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat functioneel niet aan het buitengebied gebonden gebruik daaruit dient te worden geweerd, doch dat hergebruik voor kleinschalige niet-agrarische activiteiten mogelijk is wanneer een gedeelte van de bedrijfsbebouwing wordt afgebroken. Omdat appellant daartoe niet bereid is, heeft de raad het verzoek van appellant niet ingewilligd en aan de gronden een woonbestemming toegekend.

2.9.2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de wens van appellant in strijd is met het in het streekplan verwoorde beleid inzake vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing. Hij acht de toegekende woonbestemming evenwel niet reëel nu appellant niet wenst te voldoen aan de bijgebouwenregeling bij die bestemming. Verweerder heeft voorts vastgesteld dat in dit geval de woonbestemming niet kan worden gewijzigd in kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid als bedoeld in het streekplan, terwijl de gemeenteraad onder de in het plan opgenomen voorwaarden deze activiteiten toelaatbaar acht.

2.9.3. Blijkens het deskundigenbericht exploiteerde appellant tot 1995 op het perceel een pluimvee- annex varkenshouderij. Op het perceel staan een hoofdgebouw, dat twee wooneenheden en de voormalige varkensstal bevat, en drie schuren. De twee grootste schuren met een gezamenlijke oppervlakte van 1.395 vierkante meter worden gebruikt voor de stalling van caravans en dergelijke. De kleinste schuur, met een oppervlakte van 200 vierkante meter, staat leeg.

In het streekplan Noord-Brabant 2002 wordt ten aanzien van niet aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid als thans aan de orde vermeld dat deze thuis hoort op een bedrijventerrein of in een kern en dat nieuwvestiging daarom in het buitengebied niet is toegestaan. Vestiging op een voormalige agrarische bedrijfslocatie is onder voorwaarden wel toegestaan. Het honoreren van appellants wensen stuit af op de voorwaarde dat de bedrijfsgebouwen ten hoogste een oppervlak van 400 vierkante meter mogen beslaan en dat de overtollige gebouwen zullen worden gesloopt. Verweerder heeft kennelijk geen aanleiding gezien in zoverre van het streekplan af te wijken.

De Afdeling stelt vast dat verweerder blijkens zijn bestreden besluit het gebruik van de schuren als caravanstalling aanvaardbaar acht, voorzover dit gebruik beperkt blijft tot een oppervlakte van ten hoogste 400 vierkante meter. Dit betekent dat een door verweerder aanvaardbaar te achten bestemming ertoe zou dwingen dat een groot deel van de schuren onbenut blijft, nu het huidige gebruik van dat deel van de schuren als caravanstalling gelet op het in artikel 34.2 van de planvoorschriften opgenomen overgangsrecht niet zal mogen worden voortgezet en agrarisch hergebruik niet te verwachten valt. Evenmin valt te verwachten dat de schuren zullen worden gesloopt. Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder zich van een en ander onvoldoende rekenschap gegeven. Verweerder heeft niet gemotiveerd waarom in dit geval aan de belangen van appellant bij het in volle omvang voortzetten van het huidige gebruik van zijn schuren geen doorslaggevend gewicht toekomt. De enkele verwijzing naar het anti-versteningsbeleid van verweerder kan niet als toereikende motivering dienen, nu dit beleid hem niet ontslaat van de plicht een op het concrete geval toegespitste afweging uit te voeren. Het bestreden besluit berust mitsdien in zoverre niet op een deugdelijk motivering en is derhalve op dit punt in strijd is met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.9.4. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep gegrond is, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voorzover daarbij is beslist over de goedkeuring van het door appellant bestreden plandeel.

Beroep [appellant sub 9]

2.10. Appellant voert aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming “Agrarisch gebied” betreffende zijn gronden aan de Putsteeg. Hij wenst dat het perceel buiten het bestemmingsplan blijft, zodat daarop de ingevolge het in 1964 vastgestelde “Uitbreidingsplan in hoofdzaak” geldende bestemming “Toekomstige uitbreiding” blijft rusten, opdat daarop te zijner tijd woningen kunnen worden gebouwd.

2.10.1. De gemeenteraad en verweerder hebben geen aanleiding gezien aan de wens van appellant tegemoet te komen.

2.10.2. Gelet op de systematiek van de Wet op de Ruimtelijke Ordening komt de gemeenteraad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de gemeenteraad een begrenzing kan vaststellen die in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geoordeeld of anderszins in strijd is met het recht. De Afdeling is, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, van oordeel dat in dit geval verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat hij deze ook overigens terecht heeft goedgekeurd.

Voorts ziet de Afdeling in de omstandigheid dat de aan het perceel toegekende bestemming geen woningbouw toelaat geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, nu de aanwezigheid van een varkenshouderij annex rundveehouderij in de directe omgeving van het perceel aan de bouw van woningen in de weg staat en beëindiging van dat bedrijf niet te verwachten valt. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan dit plandeel.

Het beroep is ongegrond.

Beroep [appellanten sub 10]

2.11. Appellanten voeren aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming “Agrarisch verwante en niet-agrarische bedrijven” met de nadere aanduiding “autosloperij (As)” betreffende het perceel Landingsweg 4. Zij stellen dat deze bestemming te weinig bebouwing toelaat.

2.11.1. Ingevolge artikel 11.1.3 is het perceel bestemd voor een autosloperij met bijbehorende voorzieningen. In artikel 11.2.5 is de bestaande bebouwde oppervlakte van de woning en de overige gebouwen tezamen gesteld op 280 vierkante meter en de ten hoogste toegestane bebouwde oppervlakte op 310 vierkante meter.

2.11.2. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat voor bestaande niet-agrarische bedrijven in het landelijk gebied een restrictief beleid geldt, inhoudende dat indien geen sanering wordt nagestreefd een positieve bestemming wordt toegekend waarbij een uitbreiding van 10 tot 15 procent wordt toegestaan. Een verdere eenmalige uitbreiding is slechts via een wijzigingsbevoegdheid mogelijk.

2.11.3. Verweerder heeft geen reden gezien de door appellanten bestreden onderdelen van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft deze goedgekeurd. Hij stelt zich op het standpunt dat de uitbreidingsplannen van appellanten in strijd zijn met het streekplan en acht geen bijzondere omstandigheden aanwezig die afwijking van het streekplan rechtvaardigen.

2.11.4. Gebleken is dat op het 11.800 vierkante meter grote perceel een autosloperij en een bedrijf dat zich toelegt op reparatie en in- en verkoop van gebruikte auto’s gevestigd zijn. De bebouwing op het perceel bestaat uit een bedrijfswoning met een oppervlakte van 125 vierkante meter en een schuur en een loods met een gezamenlijke oppervlakte van 556 vierkante meter. Verspreid over het terrein staan voorts een overkapping voor de stalling van voertuigen, 48 containers en drie caravans die alle worden gebruikt voor de opslag van auto-onderdelen. Appellanten stellen dat de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen, voertuigen en containers 1.860 vierkante meter bedraagt; zij wensen deze te kunnen uitbreiden met 1.000 vierkante meter.

Gebleken is voorts dat de in artikel 11.2.5 vermelde bestaande bebouwde oppervlakte overeenkomt met de oppervlakte van de bebouwing waarvoor bouwvergunning is verleend, zijnde de bedrijfswoning en de schuur. Deze oppervlakte mag ingevolge artikel 11.2.5 worden uitgebreid met ruim 10 procent (30 vierkante meter).

2.11.5. In het streekplan Noord-Brabant 2002 wordt ten aanzien van niet aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid vermeld dat deze thuis hoort op een bedrijventerrein of in een kern en dat nieuwvestiging daarom in het buitengebied niet is toegestaan. Bestaande niet aan het buitengebied gebonden bedrijven als thans aan de orde krijgen een uitbreidingsruimte van maximaal 15 procent van de volgens het bestemmingsplan of verleende vrijstellingen toegestane bebouwingsoppervlakte. De Afdeling acht dit beleid niet onredelijk.

De door appellanten gewenste uitbreidingsmogelijkheden gaan die welke ingevolge dit beleid aanvaardbaar worden geacht verre te boven. Verweerder acht het niet gerechtvaardigd in dit geval van zijn beleid af te wijken. Daartoe heeft hij overwogen dat de gewenste uitbreiding in verhouding tot de bestaande bedrijfsbebouwing zo omvangrijk is dat verplaatsing van het bedrijf naar een bedrijventerrein in een stedelijke regio in de rede ligt en dat de door appellanten gewenste schaalvergroting in het buitengebied een onevenredig grote verstoring tot gevolg zal hebben. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen.

2.11.6. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het door appellanten bestreden plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan dit plandeel.

Het beroep is ongegrond.

Beroep BCS Computerservice b.v. en [appellant sub 11]

2.12. Appellanten voeren aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming “Agrarische doeleinden” betreffende een gedeelte van hun gronden aan de [locatie sub 11]. Zij wensen dat aan een groter gedeelte van hun gronden de bestemming “Agrarisch verwante en niet-agrarische bedrijven” met de nadere aanduiding “manege (Ma)” wordt toegekend en dat de toegestane bebouwde oppervlakte wordt vergroot. In dit verband wijzen zij op het voorgaande bestemmingsplan, waarin een groter bouwvlak was opgenomen, en op een viertal verleende bouwvergunningen. Appellanten stellen dat aldus sprake is van een bebouwd of te bebouwen oppervlak ter grootte van 6.700 vierkante meter.

2.12.1. In artikel 11.2.5 is, wat betreft de gronden aan de [locatie sub 11] voorzover bestemd als “Agrarisch verwante en niet-agrarische bedrijven” en voorzien van de nadere aanduiding “manege (Ma)”, de bestaande bebouwde oppervlakte van de woning en de overige gebouwen tezamen gesteld op 3.755 vierkante meter en de ten hoogste toegestane bebouwde oppervlakte op 4.130 vierkante meter.

2.12.2. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat het bouwblok is aangepast omdat de manege al sinds enige tijd niet meer in gebruik is en er geen plannen zijn om de manege uit te breiden.

2.12.3. Verweerder heeft geen reden gezien het door appellanten bestreden plandeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft dit goedgekeurd. Hij stelt zich op het standpunt dat het niet aannemelijk is dat van de verleende bouwvergunningen gebruik zal worden gemaakt.

2.12.4. De Afdeling stelt vast dat appellanten ten tijde van het bestreden besluit beschikten over bouwvergunningen ten behoeve van de uitbreiding van hun manege. Weliswaar waren burgemeester en wethouders voornemens deze vergunningen in te trekken, doch dit is eerst geschied bij besluit van 19 november 2002. Dit besluit is in rechte bestreden. Verweerder is op deze intrekking vooruitgelopen. Aldus kan de situatie ontstaan dat, indien de intrekking geen stand zou kunnen houden, de eventueel op grond van de bouwvergunningen op te richten bebouwing onder het overgangsrecht wordt gebracht. Verweerder heeft zich hiervan onvoldoende rekenschap gegeven. Het bestreden besluit is mitsdien in zoverre genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming “Agrarische doeleinden” betreffende gronden aan de [locatie sub 11], nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende en als zodanig gewaarmerkte kaart. Gelet op de samenhang met het plandeel met de bestemming “Agrarisch verwante en niet-agrarische bedrijven” met de nadere aanduiding “manege (Ma)” aan de [locatie sub 11], ziet de Afdeling aanleiding ook de goedkeuring van dit plandeel te vernietigen.

Beroep [appellanten sub 12]

2.13. Appellanten voeren aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel deels met de bestemming “Agrarisch verwante en niet-agrarische bedrijven” met de nadere aanduiding “houthandel (Hh)” en deels met de bestemming “Agrarisch gebied met natuurwaarden” betreffende het perceel [locatie sub 12], waar appellanten een groot- en detailhandel in hout- en bouwmaterialen exploiteren. Daartoe stellen zij dat de aanduiding “houthandel (Hh)” miskent dat sprake is van een bouwmaterialenhandel, dat de ten hoogste toegestane bebouwde oppervlakte te gering is en dat de bestemming “Agrarisch gebied met natuurwaarden” betreffende het perceelsgedeelte dat grenst aan de Eerdsebaan geen recht doet aan het bestaande gebruik van die gronden.

2.13.1. Ingevolge artikel 11.1.3 zijn de niet-agrarische bedrijven ter plaatse van de aanduiding “Hh” bestemd voor houthandel. Ingevolge artikel 11.4.1 is het verboden de in artikel 11 bedoelde gronden en opstallen te gebruiken in strijd met de bestemming. In de planvoorschriften is niet nader bepaald wat onder “houthandel” wordt verstaan.

2.13.1.1. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat, zoals in het bedrijfsplan is aangegeven, de hoofdactiviteit van het bedrijf de handel in hout, houtproducten en aanverwante artikelen is, dat de handel in bouwmaterialen gezien het bedrijfsplan slechts een zeer beperkte activiteit is, dat de term “bouwmaterialen” dan ook een te ruim begrip is en dat het gelet op de bestaande situatie en het planologisch beleid niet past om een zeer ruime bestemmingsomschrijving vast te stellen.

Verweerder deelt dit standpunt.

2.13.1.2. Appellanten voeren aan dat naast houthandel, ofwel de handel in hout c.q. in houtproducten, zoals balken, planken, deuren, kozijnen, vloeren en dergelijke, ook reeds vele jaren handel in bouwmaterialen plaatsvindt en daarnaast tuinhuisjes, pergola’s doch ook golfplaten, isolatiemateriaal, lichtkoepels, ijzeren tuinhekken, Velux-dakramen, deurornamenten, sloten, bevestigingsmaterialen, zoals nagels, schroeven, balkdragers en dergelijke, worden verkocht. Gelet hierop zijn appellanten de mening toegedaan dat de toekenning van een bestemming “bouwmaterialenhandel” veel meer in overeenstemming is met de reeds jaren aanwezige feitelijke situatie. Appellanten hebben er geen bezwaar tegen dat hiervan worden uitgezonderd de handel in stenen, zand, steigers en dergelijke. Dit kan naar hun mening op relatief eenvoudige wijze gebeuren door in de doeleindenomschrijving de bestemming nader te omschrijven door te vermelden dat het met name de handel in hout- en aanverwante producten betreft.

2.13.1.3. De Afdeling stelt vast dat met de aanduiding “houthandel” is beoogd de bestaande situatie als zodanig te bestemmen. Uit de stukken is voldoende aannemelijk geworden dat ter plaatse niet alleen hout wordt verhandeld, maar zoals appellanten stellen, tal van daarmee verband houdende producten. Omdat in het bestemmingsplan niet nader is aangeduid wat onder “houthandel” wordt verstaan, is niet duidelijk of alle bestaande activiteiten ter plaatse zijn toegelaten. Het plan is in zoverre in strijd met de rechtszekerheid. Door het plan niettemin in zoverre goed te keuren heeft verweerder gehandeld in strijd het rechtszekerheidsbeginsel in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.13.2. Ten aanzien van de ten hoogste toelaatbare bebouwde oppervlakte heeft de raad het plan gewijzigd vastgesteld in dier voege dat deze is vergroot tot 3.550 vierkante meter ten behoeve van de bouw van een opslagloods en een overkapping, waarbij de op die plaats aanwezige containers zullen worden verwijderd.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de bij de planvaststelling vergrote ten hoogste toelaatbare bebouwde oppervlakte overeenkomt met de bestaande situatie, rekening houdend met de recente uitbreidingsplannen waarvoor hij een verklaring van geen bezwaar heeft afgegeven.

2.13.2.1. In artikel 11.2.5 van de planvoorschriften wordt vermeld dat het bestaande bebouwde oppervlak op het adres [locatie sub 12] groot is 2.235 vierkante meter en dat ten hoogste is toegelaten een bebouwd oppervlak ter grootte van 3.550 vierkante meter. Blijkens de stukken heeft de verklaring van geen bezwaar waarop verweerder doelt betrekking op de bouw van een opslagloods met een oppervlakte van 1.375 vierkante meter. In het deskundigenbericht wordt op grond hiervan vastgesteld dat het totale bebouwde oppervlak na realisering van de opslagloods 3.610 vierkante meter groot zal zijn. Dit is niet bestreden. Ook anderszins is de Afdeling niet gebleken dat een en ander onjuist is. Het standpunt van verweerder dat de ten hoogste toelaatbare bebouwde oppervlakte overeenkomt met de bestaande situatie, rekening houdend met de recente uitbreidingsplannen waarvoor hij een verklaring van geen bezwaar heeft afgegeven, moet derhalve voor onjuist worden gehouden. Het bestreden besluit is mitsdien in zoverre genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid, zodat het in zoverre in strijd is met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.13.3. Uit het voorgaande volgt dat het beroep gegrond is voorzover het is gericht tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming “Agrarisch verwante en niet-agrarische bedrijven” met de nadere aanduiding “houthandel (Hh)”, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voorzover daarbij dit plandeel is goedgekeurd.

2.13.4. Ten aanzien van het perceelsgedeelte dat grenst aan de [locatie sub 12] heeft de gemeenteraad overwogen dat dit buiten de begrenzing van het huidige bedrijfsterrein valt en hoofdzakelijk in gebruik is als weiland; blijkbaar om “rechten” te behouden worden op het weiland sinds enige tijd tuinhout, zoals houten schuttingen, tuinhuisjes en vlechtschermen, tentoongesteld. De gewenste uitbreiding acht de raad in strijd met het planologisch beleid en heeft volgens de raad vergaande ruimtelijke gevolgen.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat niet is gebleken van een langdurig (legaal) gebruik van het perceelsgedeelte, zodat hij geen reden ziet een uitzondering te maken op zijn restrictieve beleid in dezen.

2.13.4.1. Appellanten voeren aan dat de uitstalling van bouwmaterialen, tuinhuisjes en hekwerken in overeenstemming is met het vorige bestemmingsplan.

2.13.4.2. De Afdeling overweegt dienaangaande dat partijen van mening verschillen over de vraag of het bestaande gebruik van het perceelsgedeelte in overeenstemming is met het vorige bestemmingsplan, welke omstandigheid voor verweerder reden had kunnen zijn om een uitzondering te maken op zijn restrictieve beleid. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het huidige gebruik niet in overeenstemming is met het voorgaande bestemmingsplan. Gelet op het verhandelde ter zitting moet evenwel aan de juistheid van dit standpunt worden getwijfeld. Het bestreden besluit is mitsdien in zoverre genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

Uit het voorgaande volgt dat het beroep gegrond is voorzover het is gericht tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming “Agrarisch gebied met natuurwaarden”, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd voorzover daarbij dit plandeel is goedgekeurd.

Proceskosten

2.14. Ten aanzien van appellanten sub 2, 3, 7, 8, 11 en 12 dient verweerder op de navolgende wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van de overige appellanten bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van appellanten sub 2, 7, 8, 11 en 12 geheel gegrond en het beroep van appellanten sub 3 deels gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 24 juli 2002, nummer 807208, voorzover het betreft:

a. de onthouding van goedkeuring aan het plandeel deels met de bestemming “Agrarisch verwante en niet-agrarische bedrijven” met de nadere aanduiding “paardenhouderij (Ph)” en deels met de bestemming “Agrarisch gebied met natuurwaarden” betreffende het perceel [locatie] 12, nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende en als zodanig gewaarmerkte kaart no. 1;

b. de onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming “Wonen” betreffende het perceel aan de [locatie] te [plaats], nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende en als zodanig gewaarmerkte kaart no. 2;

c. de goedkeuring van het plandeel met de bestemming “Agrarisch gebied met natuurwaarden” betreffende een perceel nabij [locatie] te [plaats], nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende en als zodanig gewaarmerkte kaart no. 3;

d. de goedkeuring van het plandeel met de bestemming “Agrarische doeleinden” betreffende gronden aan de [locatie], nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende en als zodanig gewaarmerkte kaart no. 4;

e. de goedkeuring van het plandeel deels met de bestemming “Agrarisch verwante en niet-agrarische bedrijven” met de nadere aanduiding “houthandel (Hh)” en deels met de bestemming “Agrarisch gebied met natuurwaarden” betreffende het perceel [locatie], nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende en als zodanig gewaarmerkte kaart no. 5;

f. de goedkeuring van artikel 9.2.3 van de planvoorschriften voorzover betrekking hebbend op het perceel [locatie], nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende en als zodanig gewaarmerkte kaart no. 6;

III. onthoudt goedkeuring aan het planonderdeel als bedoeld onder II.a;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit wat betreft het planonderdeel als bedoeld onder II.a;

V. verklaart de beroepen van appellanten sub 1, 4, 5, 6, 9 en 10 geheel ongegrond en het beroep van appellanten sub 3 voor het overige ongegrond;

VI. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant in de door appellanten sub 2, 3, 7, 8, 11 en 12 in verband met de behandeling van hun beroepen gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 3.517,03; dit bedrag dient door de provincie Noord-Brabant alsvolgt te worden vergoed:

aan appellanten sub 2 € 43,37; aan appellanten sub 3 € 848,37, waarvan een gedeelte groot € 805,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; aan appellanten sub 7 € 42,87; aan appellanten sub 8 € 929,55, waarvan een gedeelte € 805,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; aan appellanten sub 11 € 847,87, waarvan een gedeelte groot € 805,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; aan appellanten sub 12 € 805,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat de provincie Noord-Brabant aan appellanten sub 2, 3, 7, 8, 11 en 12 het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht (aan appellanten sub 2 € 109,00; aan appellanten sub 3 € 109,00; aan appellanten sub 7 € 109,00; aan appellant sub 8 € 109,00; aan appellanten sub 11 € 218,00; aan appellanten sub 12 € 218,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Voorzitter, en dr. J.J.C. Voorhoeve en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E. de Groot, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton w.g. De Groot

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2003

210.