Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AL7568

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-10-2003
Datum publicatie
07-10-2003
Zaaknummer
200305704/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 juli 2003 heeft verweerder aan verzoeker een last onder dwangsom als bedoeld in artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd. De dwangsom is vastgesteld op € 2.500,00 voor iedere week dat de met artikel 8.1, eerste lid, aanhef, onder a en c, van de Wet milieubeheer strijdige situatie op het perceel [locatie] ongenummerd, kadastraal bekend gemeente Reusel, sectie […], nr. […], niet is beëindigd door alle dieren uit de inrichting te verwijderen en verwijderd te houden, en het terrein rondom de voederruif (0,11 hectare) te ontdoen van alle dierlijke mest en dit ook zo te houden. Het maximumbedrag waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd is vastgesteld op € 32.500,00. Voor de last geldt een begunstigingstermijn van twee maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200305704/1.

Datum uitspraak: 1 oktober 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 juli 2003 heeft verweerder aan verzoeker een last onder dwangsom als bedoeld in artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd. De dwangsom is vastgesteld op € 2.500,00 voor iedere week dat de met artikel 8.1, eerste lid, aanhef, onder a en c, van de Wet milieubeheer strijdige situatie op het perceel [locatie] ongenummerd, kadastraal bekend gemeente Reusel, sectie […], nr. […], niet is beëindigd door alle dieren uit de inrichting te verwijderen en verwijderd te houden, en het terrein rondom de voederruif (0,11 hectare) te ontdoen van alle dierlijke mest en dit ook zo te houden. Het maximumbedrag waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd is vastgesteld op € 32.500,00. Voor de last geldt een begunstigingstermijn van twee maanden.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt.

Bij brief van 25 augustus 2003, bij de Raad van State ingekomen op 26 augustus 2003, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 18 september 2003, waar verzoeker in persoon en bijgestaan door mr. drs. D.A.C. Janssen, advocaat te Boxtel, en verweerder, vertegenwoordigd door [gemachtigden], zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Verzoeker stelt allereerst dat verweerder niet bevoegd was tot het opleggen van de onderhavige last onder dwangsom. Hij voert hierbij aan dat er geen sprake is van een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer. De activiteiten op de inrichting hebben slechts een hobbymatig karakter, aldus verzoeker.

2.1.1. Verweerder is van mening dat er sprake is van een inrichting als bedoeld in de Wet milieubeheer. Hij voert hierbij aan dat de omvang van het aantal gehouden dieren zodanig is dat deze het hobbymatig karakter overstijgt. Verder is het perceel naar de mening van verweerder duidelijk begrensd en wijzen de activiteiten en de op het perceel aanwezige voorzieningen op het bedrijfsmatig houden van dieren.

2.1.2. Uit de stukken, waaronder de door verweerder overgelegde foto’s, en het verhandelde ter zitting is gebleken dat er binnen de inrichting circa 30 paarden en/of pony’s, 25 schapen en 10 geiten aanwezig zijn. Verder zijn op het betreffende perceel een stal, die tevens dienst doet als ziekenboeg, een rijbak, schuilhokken, voeder- en drinkwatervoorzieningen en een opslagruimte voor onder andere onderhoudsmaterialen aanwezig. Om de omvang van de veestapel op peil te houden worden de dieren die worden geboren, verkocht. Ook is gebleken dat de paarden dan wel pony’s van verzoeker worden bereden door de leden van de vereniging “Pony- en Paardenvereniging Pegasus”. Voorts staat vast dat onderhavig perceel reeds vele jaren op de hiervoor beschreven wijze wordt gebruikt. Gelet op voornoemde omstandigheden is de Voorzitter van oordeel dat sprake is van het houden van dieren in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Dat er nagenoeg geen inkomsten worden verkregen van het houden van de paarden en/of pony’s en dat er ten aanzien van de dieren geen commerciële activiteiten worden verricht, kunnen naar het oordeel van de Voorzitter niet tot een andere opvatting leiden.

Nu sprake is van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer en het ingevolge artikel 8.1, eerste lid, aanhef, onder a en c, van de Wet milieubeheer verboden is zonder een daartoe verleende vergunning een inrichting op te richten en in werking te hebben, was verweerder bevoegd een last onder dwangsom op te leggen.

2.2. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of verweerder in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot het opleggen van een last onder dwangsom gebruik heeft kunnen maken.

2.3. In dit verband is verzoeker van mening dat legalisatie van de inrichting mogelijk is. Zo betoogt verzoeker onder meer dat verweerder van een kortere afstand dient uit te gaan dan de door verweerder gehanteerde afstand van 50 meter. Voorts is hij van mening dat de woning [locatie] en de daarbij behorende mini-camping niet kunnen worden meegenomen bij de beoordeling van de van de inrichting te duchten stankhinder, nu deze stankgevoelige objecten in strijd met het bestemmingsplan zijn gevestigd. Voorts stelt hij dat verweerder de onderhavige illegale situatie in het verleden heeft gedoogd en daarmee het vertrouwen heeft gewekt niet handhavend te zullen optreden. Hij wijst daarbij op het feit dat de gemeente een andere locatie zou zoeken voor de onderhavige inrichting. Verzoeker is voorts bereid het aantal dieren op het perceel terug te brengen naar een niveau op grond waarvan kan worden gesteld dat geen sprake is van een inrichting. Echter, uit de last blijkt niet duidelijk hoeveel dieren hij dan wel op het perceel mag houden, aldus verzoeker.

2.3.1. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat vanwege onaanvaardbare stankhinder geen vergunning voor het houden van onder andere paarden op het perceel [locatie] ongenummerd kan worden verleend. Nu de afstand van de inrichting tot het dichtst bij de inrichting gelegen stankgevoelige object, de woning [locatie], minder dan 50 meter bedraagt, zo stelt verweerder, leidt vergunningverlening tot onaanvaardbare stankhinder. Legalisatie is derhalve niet mogelijk, aldus verweerder.

2.3.2. De Voorzitter overweegt allereerst dat verzoeker aan het niet aanstonds handhavend optreden door verweerder tegen het houden van de onderhavige veestapel niet het gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat verweerder niet alsnog tot handhaving van de overtreding zou overgaan. Een mogelijke oplossing van de situatie in de vorm van een verplaatsing van de illegale veestapel naar een andere plek, wat er ook zij van de bereidheid van verweerder dan wel verzoeker hier aan mee te werken, ligt thans niet in het vooruitzicht. Voorts is ter zitting gebleken dat verzoeker ten tijde van het nemen van het onderhavige besluit geen ontvankelijke aanvraag voor een vergunning voor het houden van paarden, schapen en geiten op voornoemd perceel heeft ingediend. Er bestaat derhalve mede gezien het voorgaande geen reëel zicht op legalisatie van deze overtredingen op korte termijn.

2.3.3. Ten aanzien van het betoog van verzoeker dat voor het houden van paarden vergunning kan worden verleend, overweegt de Voorzitter, gelet op de bezwaargronden van verzoeker, als volgt.

Uit het bestreden besluit komt naar voren dat de veestapel in de inrichting ongeveer 30 paarden en/of pony’s, 25 schapen en 10 geiten telt. Niet gebleken is dat ten tijde van het onderhavige besluit een sterk afwijkend veebestand aanwezig was.

Vaststaat dat in bijlagen 1 en 2 van de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 (hierna: de Richtlijn) geen omrekeningsfactoren dan wel vaste afstanden zijn opgenomen voor paarden en pony’s. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting hanteert verweerder op basis van de in de Richtlijn opgenomen minimumafstanden het uitgangspunt dat voor dieren waarvoor de Richtlijn geen omrekeningsfactoren dan wel vaste afstanden verschaft een minimaal aan te houden afstand van 100 meter ten opzichte van categorie I- en II-objecten geldt en 50 meter ten opzichte van categorie III- en IV-objecten. Ter zitting heeft verweerder gesteld dat hierop een uitzondering wordt gemaakt als hobbymatig niet meer dan 5 paarden worden gehouden. Naar het oordeel van de Voorzitter heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het beschermingsniveau, dat met het aanhouden van deze afstanden wordt geboden, nodig is. Voor het oordeel dat verweerder een kleinere afstand dan 50 meter dient aan te houden om de stankhinder te beperken, bestaat dan ook geen grond.

Voor zowel schapen als geiten dient ingevolge bijlage I van de Richtlijn in samenhang bezien met de in de Richtlijn opgenomen afstandsgrafiek een minimale afstand van 50 meter te worden aangehouden ten opzichte van categorie III- en IV-objecten en 100 meter ten opzichte van categorie I- en II-objecten.

De Voorzitter overweegt voorts dat, anders dan verzoeker betoogt, bij de bepaling van de omgevingscategorieën uitgegaan kan worden van de brochure Veehouderij en Hinderwet (hierna: de brochure). Vaststaat dat de dichtstbijzijnde woning, de woning [locatie], is. Gezien de stukken heeft verweerder de woning [locatie] terecht in categorie III van de brochure ingedeeld. Of deze woning in strijd met het bestemmingsplan is gebouwd, is voor het voorgaande niet van belang, nu voor de vaststelling van de categorie-indeling de planologische bestemming die op deze woning rust niet doorslaggevend is maar slechts het feitelijk gebruik dat hiervan wordt gemaakt. De Voorzitter merkt overigens op dat verweerder de mini-camping terecht niet als stankgevoelig object heeft aangemerkt.

In de Richtlijn wordt uitgegaan van de afstand van het dichtstbijgelegen emissiepunt van de inrichting tot het dichtstbijzijnde stankgevoelige object. Het dichtst bij de [locatie] gelegen emissiepunt is de stal waarin voornoemde dieren worden gehouden. Deze stal wordt tevens gebruikt als ziekenboeg. Niet in geschil is dat de afstand van de [locatie] tot deze stal annex ziekenboeg beduidend minder dan 50 meter bedraagt. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat vergunningverlening ter plaatse tot onaanvaardbare stankhinder zal leiden. Gelet hierop ligt vergunningverlening voor het houden van paarden, geiten en schapen op het perceel Weijer ongenummerd niet in de rede.

2.3.4. Gelet op het vorenstaande, heeft verweerder, na afweging van de betrokken belangen, in redelijkheid kunnen overgaan tot het opleggen van de bestreden last onder dwangsom.

2.3.5. Voorzover verzoeker aanvoert dat de omschrijving van de last onder dwangsom waaraan moet worden voldaan niet duidelijk is, overweegt de Voorzitter dat uit het dictum van het bestreden besluit volgt dat de opgelegde dwangsom wordt verbeurd als er dieren in de inrichting aanwezig zijn. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat voorzover er slechts hobbymatig dieren binnen de inrichting worden gehouden en er ook overigens geen aanwijzingen meer zijn voor het in werking hebben van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, de last onder dwangsom niet zal worden verbeurd. De Voorzitter stelt vast dat hetgeen verweerder ter zitting naar voren heeft gebracht niet uit de last blijkt, nu hierin is bepaald dat alle dieren uit de inrichting moeten worden verwijderd. Gelet hierop ziet de Voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.4. Gezien het vorenstaande dient het verzoek te worden toegewezen.

2.5. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden van 15 juli 2003 tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar, met dien verstande dat indien binnen die termijn wordt verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, de schorsing doorloopt totdat op het verzoek is beslist;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden in de door verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Reusel-De Mierden te worden betaald aan verzoeker;

III. gelast dat de gemeente Reusel-De Mierden aan verzoeker het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 116,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Montagne

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2003

374.