Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AL7552

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-10-2003
Datum publicatie
07-10-2003
Zaaknummer
200305354/1 en 200305354/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 juli 2003 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan appellant vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een melkrundveebedrijf annex mest- en voederopslag gelegen aan de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Oosterhout, sectie […], nummers […] tot en met […]. Dit besluit is op 10 juli 2003 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200305354/1 en 200305354/2.

Datum uitspraak: 1 oktober 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Oosterhout,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 juli 2003 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan appellant vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een melkrundveebedrijf annex mest- en voederopslag gelegen aan de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Oosterhout, sectie […], nummers […] tot en met […]. Dit besluit is op 10 juli 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 12 augustus 2003, bij de Raad van State ingekomen op 13 augustus 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 12 augustus 2003, bij de Raad van State ingekomen op 13 augustus 2003, heeft appellant de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 september 2003, waar appellant in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M.C. Vervoort en B. Vrolijk, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Overwegingen

2.1. Appellant heeft onder meer betoogd dat verweerder onbevoegd was om het besluit van 9 juli 2003 te nemen, nu er als gevolg van de opslag van industriële restproducten sprake is van een afvalverwerkende inrichting.

2.2. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat bij nader inzien niet hij maar het college van gedeputeerde staten het bevoegd gezag tot vergunningverlening is, omdat op de onderhavige inrichting meer dan 50 m3 van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen, zijnde restproducten uit de voedingsmiddelenindustrie, worden opgeslagen.

2.3. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer zijn burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, bevoegd te beslissen op de aanvraag om een vergunning, behoudens in gevallen als bedoeld in het tweede, het derde en het vierde lid.

Ingevolge artikel 8.2, tweede lid, van de Wet milieubeheer, voorzover hier van belang, kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat ten aanzien van daarbij aangewezen categorieën van inrichtingen gedeputeerde staten van de provincie waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, of de Minister bevoegd zijn te beslissen op de aanvraag om een vergunning.

Ingevolge artikel 3.1 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (hierna te noemen: het Besluit) zijn gedeputeerde staten van de provincie waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, bevoegd te beslissen op de aanvraag om een vergunning ten aanzien van inrichtingen die behoren tot een categorie die daartoe in bijlage I is aangewezen.

Categorie 8.1 van bijlage I behorende bij het Besluit betreft – voor zover hier van belang – inrichtingen voor: a. het kweken, fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren.

Ingevolge categorie 28.4, aanhef, onder a en sub 6°, zoals opgenomen in bijlage I behorende bij het Besluit, zijn gedeputeerde staten het bevoegd gezag ten aanzien van inrichtingen, behorende tot deze categorie, voorzover het betreft inrichtingen voor het opslaan van andere dan de onder 1° tot en met 5° genoemde van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen met een capaciteit ten aanzien daarvan van 50 m3 of meer. Ingevolge categorie 28.4, aanhef, onder c en sub 1°, zijn gedeputeerde staten het bevoegd gezag ten aanzien van inrichtingen voor het mengen, verdichten of thermisch behandelen - anders dan verbranden - van van buiten de inrichting afkomstige huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen.

In artikel 1, onder a, van de Richtlijn 75/442/EEG, zoals gewijzigd bij Richtlijn 91/156/EEG, (hierna te noemen: de Richtlijn) wordt "afvalstof" gedefinieerd als: "Elke stof of elk voorwerp behorende tot de in bijlage I genoemde categorieën waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen". Deze definitie is ook hier van toepassing.

In artikel 1, onder c, van de Richtlijn wordt houder nader omschreven als: "De producent van de afvalstoffen of de natuurlijke of rechtspersoon die de afvalstoffen in bezit heeft".

2.4. Uit de tekening die behoort bij de vergunningaanvraag welk ten grondslag heeft gelegen aan het bestreden besluit blijkt dat 6 opslagtanks voor in totaal 1750 ton aan bijproducten zijn aangevraagd. In deze tanks worden blijkens de tekening onder meer aardappel(stoom)schillen, bier, bierbostel, bieten-, appels-, tomaten- en uienpulp, friet-, rodekool- en spinazieresten en tomaten-, vruchten- en uiensap opgeslagen. Deze bijproducten zijn blijkens het verhandelde ter zitting van buiten de inrichting afkomstig. Door de Afdeling is eerder in haar uitspraak van 14 mei 2003, in de zaak no. 200203938/1 (JM 2003/77), overwogen dat bijproducten die zijn aan te merken als residuen van productieprocessen in de voedingsmiddelenindustrie en waarvan de leveranciers zich ontdoen of moeten ontdoen in de zin van artikel 1, onder a, van de Richtlijn, afvalstoffen zijn. Er is geen reden om daar thans anders over te oordelen.

2.5. Derhalve moet worden geconcludeerd dat de aanvraag betrekking heeft op een inrichting die over de capaciteit beschikt om meer dan 50 m³ van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen, welke niet vermeld zijn in categorie 28.4, aanhef, onder a, sub 1 tot en met 5, op te slaan en vervolgens te mengen en thermisch te behandelen. De categorieën 28.7 of 28.8 van bijlage I behorende bij het Besluit, waarin een uitzondering is gemaakt op onder andere categorie 28.4, aanhef, onder a, sub 6, zijn niet van toepassing. Dit brengt mee dat op de onderhavige inrichting naast categorie 8.1 ook categorie 28.4 van bijlage I van het Besluit van toepassing is. Nu in categorie 28.4 het college van gedeputeerde staten is aangewezen als bevoegd gezag, is het bestreden besluit genomen in strijd met artikel 8.2, tweede lid, van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 3.1 en bijlage I van het Besluit.

2.6. De Voorzitter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en dat ook overigens geen beletsel bestaat om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.7. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient in zijn geheel te worden vernietigd. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking.

2.8. Gelet hierop ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.9. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Oosterhout van 9 juli 2003;

III. wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Oosterhout in de door appellant in verband met de behandeling van het verzoek en het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 966,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Oosterhout te worden betaald aan appellant;

V. gelast dat de gemeente Oosterhout aan appellant het door hem voor de behandeling van het verzoek en het beroep betaalde griffierecht (in totaal € 332,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Montagne

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2003

374.