Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AL7536

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-10-2003
Datum publicatie
07-10-2003
Zaaknummer
200303852/1 en 200303852/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 april 2003, kenmerk 909849, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Spinder B.V." een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting bestemd voor onder meer het storten van afvalstoffen op het perceel Vloeiveldweg 8 te Tilburg. Dit besluit is op 6 mei 2003 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Stortbesluit bodembescherming
Stortbesluit bodembescherming 4
Stortbesluit bodembescherming 12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2003/59 met annotatie van Van der Meijden
JBO 2005/242
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200303852/1 en 200303852/2.

Datum uitspraak: 1 oktober 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

"Essent Milieu B.V.", gevestigd te Tilburg,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 april 2003, kenmerk 909849, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Spinder B.V." een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting bestemd voor onder meer het storten van afvalstoffen op het perceel Vloeiveldweg 8 te Tilburg. Dit besluit is op 6 mei 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 13 juni 2003, bij de Raad van State ingekomen op 16 juni 2003, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 11 juli 2003. Bij brief van 13 juni 2003, bij de Raad van State ingekomen op 16 juni 2003, heeft appellante de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brief van 20 augustus 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 september 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. J.A.M. van Heijningen, advocaat te ‘s-Hertogenbosch, en ing. J.T.M. Ditters en ing. G.M.P.F.H. Stekhuizen, beiden ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Overwegingen

2.1. Verweerder heeft gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk is voorzover dat betrekking heeft op de onduidelijkheid waarover financiële zekerheid moet worden gesteld.

Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Appellante heeft de grond inzake de onduidelijkheid waarover financiële zekerheid moet worden gesteld niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellante redelijkerwijs niet kan worden verweten op dit punt geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.2. Ingevolge artikel 8.8, derde lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer neemt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval de voor hem geldende, krachtens artikel 8.45 gestelde regels, in acht.

Het Stortbesluit bodembescherming (hierna: het Stortbesluit), houdende regels inzake het storten van afvalstoffen, bevat regels voor het bevoegd gezag ten aanzien van de voorschriften die aan een vergunning voor een stortplaats moeten worden verbonden.

Ingevolge artikel 4, vierde lid, van het Stortbesluit – voorzover hier van belang – verbindt het bevoegd gezag aan de vergunning voorschriften, inhoudende de verplichting dat een bovenafdichting wordt aangebracht die tegengaat dat water in de gestorte afvalstoffen infiltreert.

In artikel 12, eerste lid, van het Stortbesluit is bepaald dat het bevoegd gezag aan de vergunning voorschriften verbindt, inhoudende de verplichting dat voor het nakomen van de voorschriften met betrekking tot een bovenafdichting als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van het Stortbesluit financiële zekerheid wordt gesteld.

2.3. De grieven van appellante hebben betrekking op de aan de vergunning verbonden voorschriften 12.2.47 tot en met 12.2.52 aangaande het stellen van financiële zekerheid ten behoeve van de eindafwerking als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van het Stortbesluit. Appellante wenst, samengevat weergegeven, dat deze voorschriften zodanig worden gewijzigd dat vaststaat dat een door haar afgegeven borgstelling wordt geaccepteerd als een voldoende financiële zekerheidstelling.

2.3.1. In voorschrift 12.2.47 is – voorzover hier van belang – bepaald dat vergunninghoudster voor het nakomen van de voorschriften met betrekking tot de dichte eindafwerking ten genoegen van gedeputeerde staten financiële zekerheid dient te stellen.

Ingevolge voorschrift 12.2.48 – voorzover hier van belang – is vergunninghoudster gerechtigd om een borgtocht als financiële zekerheid te stellen, uitsluitend conform de in dit voorschrift bedoelde overeenkomst van borgtocht. Als borg zal bij uitsluiting gelden Essent N.V.

In voorschrift 12.2.49 is bepaald dat indien vergunninghoudster een ander wil aanwijzen dan de in voorschrift 12.2.48 genoemde borgsteller, dit pas is toegestaan nadat is aangetoond dat de vorm van financiële zekerheidstelling gelijkwaardig is aan de vorm als bedoeld in voorschrift 12.2.48 of op een andere wijze wordt voldaan aan het gestelde in voorschrift 12.2.47.

In voorschrift 12.2.50 is bepaald dat aan gedeputeerde staten een schriftelijk bewijs van de gestelde financiële zekerheid moet zijn overgelegd en door hen zijn goedgekeurd respectievelijk geaccordeerd alvorens voor de eerste keer na het in werking treden van deze vergunning kan worden gestort.

2.3.2. Niet in geschil is dat gelet op het bepaalde in artikel 12, eerste lid, van het Stortbesluit verweerder terecht voorschrift 12.2.47 aan de vergunning heeft verbonden.

De Voorzitter begrijpt het door appellante aangevoerde aldus dat zij zich in het bijzonder niet kan verenigen met voorschrift 12.2.48, hoewel uit voorschrift 12.2.49 voortvloeit dat het niet bij voorbaat is uitgesloten dat een ander dan Essent N.V. als borgsteller kan worden aanvaard.

2.3.3. Vaststaat dat vergunninghoudster een dochteronderneming is van appellante en dat appellante op haar beurt een dochteronderneming is van de naamloze vennootschap “Essent N.V.”. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting wenst appellante zowel voor vergunninghoudster als voor andere dochterondernemingen borg te staan. In de van de vergunning deel uitmakende aanvraag staat daarentegen vermeld dat financiële zekerheid zal worden gesteld op zodanige wijze dat Essent N.V. borg zal staan voor vergunninghoudster. Daarbij is wel aangetekend dat deze financiële zekerheidstelling nog diende te worden geaccordeerd door de Raad van Commissarissen van de naamloze vennootschap. Verweerder heeft de in de aanvraag genoemde borgstelling door “Essent N.V.” als uitgangspunt genomen. Hij stelt zich op het standpunt dat een borgstelling door appellante niet voldoet aan de strekking van het Stortbesluit. Ter zitting heeft verweerder te kennen gegeven dat hij een dergelijke borgstelling onvoldoende solide acht, omdat niet is gebleken dat appellante beschikt over voldoende vrij beschikbaar vermogen. Verweerder wijst er verder op dat de exploitatie en facturering van vergunninghoudster feitelijk wordt gevoerd door appellante, zodat feitelijk bezien sprake is van één onderneming. Indien appellante borg staat, zal de borg volgens verweerder onvoldoende los staan van vergunninghoudster. Voorts stelt verweerder zich op het standpunt dat niet is aangetoond dat het beschikbare vermogen van appellante toereikend is om aan alle verplichtingen te kunnen voldoen indien zij borg zou staan voor verschillende dochterondernemingen.

Gelet op de door verweerder gegeven motivering is de Voorzitter van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat met de door verzoekster gewenste borgstelling onvoldoende financiële zekerheid zou zijn gesteld. Het door appellante aangevoerde leidt niet tot een ander oordeel.

Gelet op het voorgaande treffen de bezwaren van appellante geen doel.

2.4. De Voorzitter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en dat ook overigens geen beletsel bestaat om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.5. Het beroep is, voorzover ontvankelijk, ongegrond. Gelet hierop dient het verzoek om een voorlopige voorziening te worden afgewezen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voorzover het de grond inzake de onduidelijkheid waarover financiële zekerheid moet worden gesteld, betreft;

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

III. wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Oudenaller

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2003

179-335.