Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AL3396

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-10-2003
Datum publicatie
01-10-2003
Zaaknummer
200302437/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 februari 2003 heeft verweerder krachtens het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer (verder: het Besluit) nadere eisen gesteld met betrekking tot de inrichting van appellante op het perceel [locaties] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Boxmeer, sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 12 maart 2003 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2003/2437
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200302437/1.

Datum uitspraak: 1 oktober 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Boxmeer,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 februari 2003 heeft verweerder krachtens het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer (verder: het Besluit) nadere eisen gesteld met betrekking tot de inrichting van appellante op het perceel [locaties] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Boxmeer, sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 12 maart 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 15 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 16 april 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 21 mei 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 augustus 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en verweerder, vertegenwoordigd door J.H.C. Craenen, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van het Besluit, gelezen in samenhang met voorschrift 4.1.1 van de daarbij behorende bijlage, voorzover thans van belang, kan het bevoegd gezag voor een inrichting bij nadere eis waarden vaststellen die hoger zijn dan de opgenomen waarden bedoeld in de voorschriften 1.1.1 en 1.1.3 van deze bijlage.

2.2. De in het bestreden besluit gestelde nadere eisen 2.1.1 en 2.1.2 strekken er – kort gezegd – toe, voorzover thans van belang, dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) veroorzaakt door de binnen de perceelgrens van de inrichting aanwezige toestellen en installaties en door de binnen de perceelgrens van de inrichting verrichte werkzaamheden en/of activiteiten in de dagperiode ter plaatse van de gevel van de brede school niet meer mag bedragen dan 60 dB(A) en dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) veroorzaakt door de buiten de perceelgrens van de inrichting plaatsvindende wegverkeersbewegingen, die aan de inrichting zijn toe te schrijven in dagperiode op de gevel van de brede school niet meer mag bedragen dan 55 dB(A).

Ingevolge voorschrift 1.1.1 van de bijlage behorende bij het Besluit mag – kort gezegd - het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) veroorzaakt door de in de nadere eisen 2.1.1. en 2.1.2 genoemde activiteiten in de dagperiode niet meer bedragen dan 50 dB(A).

2.3. Appellante betoogt primair dat verweerder de nadere eisen 2.1.1 en 2.1.2 op onjuiste gronden heeft gesteld.

2.4. Verweerder stelt dat het noodzakelijk is om middels de nadere eisen de geluidgrenswaarden zoals gesteld in voorschrift 1.1.1 van de bijlage behorende bij het Besluit te verhogen, omdat op korte afstand van de inrichting van appellante een zogenoemde brede school zal worden gebouwd. Volgens verweerder zal de inrichting vanaf het moment dat de brede school is gebouwd op de gevel van dit gebouw in de dagperiode niet aan de in voorschrift 1.1.1 gestelde geluidgrenswaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) kunnen voldoen. In de toelichting op het Besluit wordt de mogelijkheid genoemd om in dergelijke gevallen nadere eisen te stellen, aldus verweerder.

2.5. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat ten behoeve van realisering van de brede school onder meer een vrijstelling van het bestemmingsplan op grond van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vereist is en dat een aanvraag hiertoe en de daaromtrent kenbaar gemaakte zienswijzen aan gedeputeerde staten zijn gezonden. Ter zitting is gebleken dat nog geen verklaring van geen bezwaar van gedeputeerde staten als bedoeld in dat artikel is ontvangen. Voordat een vrijstelling op grond van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening wordt verleend, dient echter een dergelijke verklaring te zijn ontvangen. Anders dan verweerder in het bestreden besluit heeft gesteld, was er derhalve aangaande de komst van de brede school in het algemeen en de vrijstelling van het bestemmingsplan in het bijzonder ten tijde van het nemen van het besluit allerminst sprake van een redelijkerwijs te verwachten ontwikkeling. Reeds hierom moet geconcludeerd worden dat het bestreden besluit in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet deugdelijk is gemotiveerd, nog daargelaten de vraag of de eventuele aanwezigheid van de brede school op zichzelf kan worden gezien als een maatschappelijke ontwikkeling als bedoeld in de toelichting op het Besluit.

2.6. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voorzover het de nadere eisen 2.1.1 en 2.1.2 betreft. De overige gronden behoeven geen bespreking.

2.7. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Boxmeer van 18 februari 2003, voorzover het de nadere eisen 2.1.1 en 2.1.2 betreft;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Boxmeer in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 694,77, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de gemeente Boxmeer te worden betaald aan appellante;

IV. gelast dat de gemeente Boxmeer aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 232,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Beekhuis w.g. Plambeck

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2003

159-314.