Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AL3348

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-10-2003
Datum publicatie
01-10-2003
Zaaknummer
200300633/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 december 2002, kenmerk V38-2001, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Eikendreef Mierlo B.V." een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een nertsenhouderij op de percelen Hoekstraat 1 en 1a te Venhorst, kadastraal bekend gemeente Boekel, sectie D, nummers 2563 en 1862. Dit besluit is op 18 december 2002 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.4
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:46
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2003/4984
JM 2004/14
OGR-Updates.nl 1000644
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200300633/1.

Datum uitspraak: 1 oktober 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Boekel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 december 2002, kenmerk V38-2001, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Eikendreef Mierlo B.V." een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een nertsenhouderij op de percelen Hoekstraat 1 en 1a te Venhorst, kadastraal bekend gemeente Boekel, sectie D, nummers 2563 en 1862. Dit besluit is op 18 december 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 28 januari 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag per fax, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 26 februari 2003.

Bij brief van 31 maart 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nog stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 juli 2003, waar appellant, in persoon en bijgestaan door mr. P.J.G. Goumans, advocaat te Roermond, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. T.I.P. Jeltema, advocaat te Nieuwehooft, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en als getuige [getuige].

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting heeft appellant de grond ingetrokken dat verweerder niet is ingegaan op alle tegen het ontwerp van het besluit ingebrachte bedenkingen.

2.2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder een vergunning verleend voor het houden van 2.999 fokteven, 750 reuen en 19.500 pups. De dieren worden gehouden in Groen Label stallen met no. BB 94.02.013.

Voor de inrichting is eerder op 7 oktober 1982 een revisievergunning krachtens de Hinderwet verleend voor het houden van 1.700 nertsen en 100 vossen.

2.3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.4. Appellant vreest stankhinder. Onder verwijzing naar een onderzoek van PRA Odournet B.V. van 2 april 2003 heeft hij betoogd dat de door verweerder toegepaste tabel met vaste afstanden en de korting van 25 meter op deze vaste afstanden omdat de nertsen in Groen Label stallen worden gehouden, niet berusten op wetenschappelijke inzichten. Verder heeft appellant betoogd dat verweerder de woning op het perceel [locatie] (hierna: de woning) ten onrechte niet bij zijn beoordeling heeft betrokken.

2.5. Verweerder heeft bij de beoordeling van de van de inrichting te duchten stankhinder de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 (hierna: de Richtlijn) gehanteerd. Voorzover het de indeling in omgevingscategorieën betreft, heeft hij toepassing gegeven aan de brochure Veehouderij en Hinderwet (hierna: de brochure). In de uitspraak van 11 november 1999, no. E03.97.0412 (AB 2000, 115) heeft de Afdeling geoordeeld dat het hanteren van de op grond van Bijlage 2 van de Richtlijn minimaal aan te houden vaste afstanden bij nertsen, voorzover deze afstanden worden gerelateerd aan de in de brochure neergelegde omgevingscategorieën niet in strijd is met het recht. In de genoemde uitspraak heeft de Afdeling tevens geoordeeld dat het toepassen van een korting van 25 meter op de vaste in acht te nemen afstanden indien de nertsen in Groen Label stallen worden gehouden niet in strijd is met het recht. De Afdeling ziet geen aanleiding thans anders te oordelen.

2.6. Verweerder heeft de woning niet betrokken bij zijn beoordeling van de van de inrichting te duchten stankhinder, omdat in de aanvraag om de vergunning de woning als bedrijfswoning ten behoeve van de nertsenhouderij is aangemerkt. De Afdeling stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting echter vast dat de woning in de eerder vergunde situatie niet tot de inrichting behoorde. Verder berust de eigendom van de woning en de nertsenhouderij bij verschillende personen en is de bewoonster van de woning geen werkneemster van vergunninghoudster. Zij doet op vrijwillige basis, bij afwezigheid van het personeel van vergunninghoudster, de toegangspoort tot de nertsenhouderij open, zet in voorkomende gevallen het alarm af en maakt incidenteel de kantine van de nertsenhouderij schoon. In verband hiermee vergoedt vergunninghoudster de kosten van de nutsvoorzieningen van de woning aan haar. Gezien de bovengenoemde omstandigheden heeft de woning een zodanig geringe betrokkenheid bij de inrichting dat zij niet tot de inrichting kan worden gerekend. Verweerder heeft de woning bij de beoordeling van de van de inrichting te duchten stankhinder dan ook ten onrechte buiten beschouwing gelaten.

Gelet hierop kan het bestreden besluit in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering.

2.7. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking.

2.8. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van het verzoek van appellant om een vergoeding van de proceskosten in verband met het opstellen van een deskundigen-rapport overweegt de Afdeling dat appellant in deze procedure geen stukken heeft overgelegd, die als deskundigenrapport kunnen worden aangemerkt.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Boekel van 10 december 2002,

kenmerk V38-2001;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Boekel in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Boekel te worden betaald aan appellant;

IV. gelast dat de gemeente Boekel aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 109,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Van Hardeveld

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2003

312-399.