Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AL3341

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-10-2003
Datum publicatie
01-10-2003
Zaaknummer
200300323/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 december 2002, kenmerk 2002-47350, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “Exploitatiemaatschappij Coenhaven B.V.” een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor de productie van betonspecie en betonwaren en een groothandel in zand, grind en dergelijke aan de Papierweg, Industriegebied Coenhaven te Amsterdam, kadastraal bekend gemeente Amsterdam, sectie AI, nummers 456 en 455 (ged.). Dit besluit is op 13 december 2002 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.11
Wet milieubeheer 20.6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2005/263
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200300323/1.

Datum uitspraak: 1 oktober 2003.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Mebin B.V.", gevestigd te Amsterdam,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 december 2002, kenmerk 2002-47350, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “Exploitatiemaatschappij Coenhaven B.V.” een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor de productie van betonspecie en betonwaren en een groothandel in zand, grind en dergelijke aan de Papierweg, Industriegebied Coenhaven te Amsterdam, kadastraal bekend gemeente Amsterdam, sectie AI, nummers 456 en 455 (ged.). Dit besluit is op 13 december 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief gedateerd 14 januari 2002 (kennelijk bedoeld 14 januari 2003), bij de Raad van State ingekomen op 15 januari 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 26 februari 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (StAB) heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 26 mei 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 september 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door H. Drupsteen, ambtenaar van de Dienst Milieu en Bouwtoezicht van de gemeente Amsterdam, bijgestaan door R. van de Horst, zijn verschenen. Tevens is daar gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [gemachtigden].

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Appellante heeft de gronden inzake milieuzorg/preventie, de algemene afvalwaterstromen, water afkomstig van gebouwen, sanitair afvalwater en waswater niet als bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellante redelijkerwijs niet kan worden verweten op deze punten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voor zover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.3. Appellante stelt dat de inrichting zich niet verdraagt met de toepasselijke wetgeving inzake arbeidsomstandigheden.

Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van de artikelen 8.10 en 8.11 van de Wet milieubeheer en kan reeds om die reden niet slagen.

2.4. Appellante stelt dat het van de aanvraag deel uitmakende akoestisch rapport niet volledig is. Volgens haar ontbreken gegevens over het bronvermogen van de afzuiginstallatie en van het stoten van de grijper van de mobiele overslagkraan tegen scheepswanden. Appellante voert aan dat als met deze geluidbronnen wel rekening wordt gehouden, vergunninghoudster met name in de nachtperiode waarschijnlijk niet kan voldoen aan de in het aan de vergunning verbonden voorschrift D.2. genoemde waarden voor het maximale geluidniveau (Lmax).

2.4.1. Verweerder stelt dat het akoestisch rapport vermeldt dat de afzuiginstallatie volledig geluidgedempt is uitgevoerd en geen relevante geluiduitstraling naar de omgeving heeft. Naar de mening van verweerder kan een dergelijke installatie eenvoudig geluiddempend worden uitgevoerd en is dat ook gebruikelijk.

Volgens verweerder is het stoten van de grijper van de mobiele overslagkraan tegen scheepswanden terecht niet meegenomen in het akoestisch onderzoek, omdat dat stoten volgens hem in de praktijk niet of nauwelijks voorkomt. De reden daarvoor is dat vergunninghoudster er alle belang bij heeft om schade vanwege het stoten aan schepen van derden te voorkomen, aldus verweerder. Hij stelt dat het stoten tegen de wand zou zijn aan te merken als een fout van de kraandrijver. Schrapen langs de wand komt volgens verweerder normaliter wel voor, maar is niet te vergelijken met het stootgeluid waarop appellante doelt, en veroorzaakt geen piekgeluid. Daarnaast stelt verweerder zich op het standpunt dat voorschrift D.2. inzake het maximale geluidniveau louter ter controle is opgenomen. Overschrijding van dat geluidniveau betekent volgens verweerder nog geen overschrijding van het equivalente geluidniveau, dat hij wel bindend acht.

2.4.2. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting acht de Afdeling aannemelijk dat de afzuiginstallatie dermate geluiddempend kan worden uitgevoerd dat zij niet hoeft te worden beschouwd als een relevante geluidbron.

De Afdeling stelt vast dat ingevolge voorschrift D.2. de piekgeluidgrenswaarden niet van toepassing zijn op het laden en lossen ten behoeve van de inrichting voor zover dit overdag plaatsvindt. Wat betreft de dagperiode kan het door appellante gestelde stoten van de grijper derhalve niet leiden tot overschrijding van de piekgeluidgrenswaarden. In zoverre bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat het akoestisch onderzoek gebrekkig is. Verweerder heeft ter zitting onweersproken verklaard dat het lossen voornamelijk overdag plaatsvindt. Voor zover het laden en lossen plaatsvindt in de avond- en nachtperiode, komt het de Afdeling aannemelijk voor dat vergunninghoudster in staat is om het stoten van de grijper in de avond- en nachtperiode te voorkomen, onder meer door de kraanmachinist daartoe te instrueren. Het vorenstaande leidt de Afdeling tot de conclusie dat ook in zoverre geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het stoten van de grijper betrokken had moeten worden bij het akoestisch onderzoek en dat de piekgeluidgrenswaarden voor de avond- en nachtperiode geacht moeten worden niet naleefbaar te zijn.

Het beroep treft in zoverre geen doel.

2.5. Appellante stelt dat ten onrechte niet is voorgeschreven dat de mobiele voorraadbunker geleegd en gereinigd moet worden. Hierdoor kan volgens haar tijdens de nachtperiode onnodige stofemissie plaatsvinden vanwege verwaaiing van achtergebleven restproduct. Daarnaast stelt appellante dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte niet zijn verwachting onderbouwt dat de onderhavige inrichting een geringe emissie van fijn stof zal veroorzaken. Een dergelijke onderbouwing lag volgens appellante te meer in de rede omdat de ingevolge het Besluit luchtkwaliteit geldende grenswaarde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit al bijna werd overschreden. Tot slot voert zij aan dat verweerder ten onrechte in afwijking van de Nederlandse emissierichtlijnen (Ner) geen windsnelheidsmeter heeft voorgeschreven.

2.5.1. Volgens verweerder wordt de mobiele voorraadbunker in de nachtperiode in de inrichting geplaatst, zodat er dan geen onnodige stofemissie kan plaatsvinden. Hij stelt zich op het standpunt dat de onderhavige inrichting een te verwaarlozen emissie van fijn stof zal veroorzaken. Volgens verweerder ontstaat fijn stof vooral door reacties uit de gasvormige componenten zwaveldioxide en stikstofdioxide. De uitstoot van deze gassen bij inrichtingen als de onderhavige is volgens verweerder verwaarloosbaar ten opzichte van andere industrieën en het verkeer in de ruime omgeving van de inrichting, met name op de snelwegen. Aan de overige fracties fijn stof levert de onderhavige inrichting volgens verweerder een te verwaarlozen bijdrage, gezien de aard van de grondstoffen en de werkprocessen. Verder acht hij de maatregelen die in de beschikking verplicht zijn gesteld toereikend om het ontstaan en de emissie van fijn stof voldoende te beperken. Het voorschrijven van een windsnelheidsmeter vindt verweerder niet nodig, nu het aan de vergunning verbonden doelvoorschrift G.4 hoe dan ook handhaafbaar is, en het de verantwoordelijkheid is van vergunninghoudster om naleving daarvan te verzekeren. Of zij dat doet met behulp van of zonder windsnelheidsmeter doet volgens verweerder niet terzake.

2.5.2. Vergunninghoudster heeft ter zitting verklaard dat de mobiele voorraadbunker tijdens het lossen op de kade staat, maar voor het overige in de hal op het terrein van de inrichting is opgesteld. Uit de aanvraag en de bijbehorende tekening volgt dat het buitenterrein bestemd is voor opslag van verpakte vaste stoffen en niet voor opslag van stuivende, onverpakte stoffen. Vergunninghoudster is daaraan gebonden, nu verweerder bij het bestreden besluit heeft bepaald dat de aanvraag daarvan deel uitmaakt. Bovendien is in de aan de vergunning verbonden voorschriften G.8 en G.9 bepaald dat stoffen van de stuifklassen S.1 en S.2 in een afgesloten ruimte moeten zijn opgeslagen, respectievelijk dat stoffen van de stuifklassen S.3, S.4 en S.5 inpandig moeten zijn opgeslagen, dan wel in verpakte vorm op het buitenterrein. Daaruit volgt dat het vergunninghoudster niet is toegestaan om voor verstuiving vatbaar restproduct in de mobiele voorraadbunker onbedekt achter te laten op het buitenterrein. Verweerder heeft daarom naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid kunnen afzien van een voorschrift inhoudende dat de mobiele voorraadbunker geleegd en gereinigd moet worden.

Appellante heeft niet aangevoerd welk fijn stof, anders dan veroorzaakt door uitlaatgassen, door de inrichting zou worden uitgestoten in relevante hoeveelheden. Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder in voldoende mate beargumenteerd dat de onderhavige inrichting slechts een geringe emissie van fijn stof zal veroorzaken, die niet zal leiden tot overschrijding van de grenswaarde voor fijn stof in het Besluit luchtkwaliteit.

Wat betreft het ontbreken van een voorschrift inzake een windsnelheidsmeter stelt de Afdeling vast dat de door verweerder gehanteerde Ner een dergelijk voorschrift niet aanbevelen. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een dergelijk voorschrift niet nodig is ter bescherming van het milieu.

Het beroep treft in zoverre geen doel.

2.6. Appellante voert aan dat de aanvraag niet reëel is, nu het daarin aangeduide gebruik van spoel- en regenwater als grondstof voor beton niet mogelijk is vanwege de kwaliteitseisen die aan beton worden gesteld. Daarnaast stelt zij dat – mede doordat het regenwater of spoelwater niet kan worden gebruikt voor de betonproductie, zodat dit water zal moeten worden geloosd – de bezinkput een onvoldoende capaciteit heeft om het afvalwater te kunnen verwerken.

Hetgeen appellante heeft aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat verweerder er niet in redelijkheid van heeft kunnen uitgaan dat de aanvraag voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen voor het milieu. Vergunninghoudster is bij het bestreden besluit gebonden aan haar aanvraag, en derhalve ook aan het daarin opgevoerde gebruik van regen- en spoelwater voor de productie van beton. Of dit de kwaliteit van het beton ten goede komt, is in dit verband niet van belang. In zoverre bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat de capaciteit van de bezinkput onvoldoende zal zijn. Ook overigens bestaat daarvoor geen grond, gelet op het deskundigenbericht. Het beroep treft in zoverre geen doel.

2.7. Het aan de vergunning verbonden voorschrift E.7. verbiedt het lozen op het openbaar riool van afvalwater met een pH-waarde hoger dan 10. Volgens appellante kan vergunninghoudster niet aan deze norm voldoen, althans ontbreekt ten onrechte een middelvoorschrift dat bepaalt hoe vergunninghoudster aan de maximale pH-waarde kan voldoen. In dit verband stelt zij dat het spoelwater dat afkomstig is van de truckmixers en de menginrichting en het schrobwater van het vulpunt van de betoncentrale een pH-waarde hebben van 12 en hoger. Het neutraliseren van het spoelwater kan leiden tot een te hoog zoutgehalte, terwijl het verdunnen van het spoelwater kan leiden tot capaciteitsproblemen, aldus appellante.

2.7.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat een pH-waarde van 12 in het spoelwater hooguit incidenteel voorkomt. Verdunning van het spoelwater treedt volgens verweerder spontaan op ten gevolge van de aanwezige voorzieningen. Naar de mening van verweerder is er geen reden aan te nemen dat het spoelwater leidt tot schade aan het riool of het milieu.

2.7.2. In de inrichting ontstaat afvalwater dat bestaat uit spoelwater dat is gebruikt voor het reinigen van onder meer de truckmixers en de menginrichting en uit hemelwater dat afkomstig is van het verharde opslagterrein. Uit de aanvraag blijkt dat het afvalwatersysteem van de inrichting erop is gericht om het afvalwater te hergebruiken. Het afvalwater wordt in een spoelput opgevangen en ingezet bij de productie van betonmortel. Lozing op het riool vanuit de spoelput vindt pas plaats als de spoelput geheel vol is. Uit het deskundigenbericht van de StAB blijkt dat dergelijke lozingen slechts incidenteel zullen plaatsvinden en dat het geloosde afvalwater dan voor een dermate groot gedeelte uit (lichtzuur) hemelwater bestaat dat de pH-waarde ervan niet hoger is dan 10. Naar het oordeel van de Afdeling is er dan ook geen reden om te twijfelen aan de naleefbaarheid van voorschrift E.7., noch voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat middelvoorschriften op dit punt niet nodig zijn. Het beroep treft in zoverre geen doel.

2.8. Appellante stelt dat het bij de aanvraag gevoegde bodemonderzoek uit 1994 niet kan dienen als nulsituatie-onderzoek, omdat geen inzicht is gegeven in de activiteiten die sindsdien op het terrein van de inrichting hebben plaatsgevonden.

2.8.1. Volgens verweerder hebben in de bedoelde periode geen activiteiten plaatsgevonden op het destijds braakliggende terrein, zodat het bodemonderzoek als nulsituatie-onderzoek kan dienen.

2.8.2. De Afdeling overweegt dat een nulsituatie-onderzoek kan dienen ter bepaling wie de veroorzaker is van verontreiniging na de datum van het onderzoek, alsmede om de effectiviteit van de in de inrichting aan te brengen bodembeschermende voorzieningen te toetsen. Niet aannemelijk gemaakt of geworden is dat het enkele feit dat het bodemonderzoek in 1994 is verricht tot gevolg zou hebben dat het niet meer dienst kan doen als nulsituatie-onderzoek. Het beroep treft derhalve in zoverre geen doel.

2.9. Het beroep is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het betreft de gronden inzake milieuzorg/preventie, de algemene afvalwaterstromen, water afkomstig van gebouwen, sanitair afvalwater en waswater;

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.J. Können, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Können

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2003.

301-442.