Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AL3328

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-10-2003
Datum publicatie
01-10-2003
Zaaknummer
200206730/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 november 2002, kenmerk WM-5569, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan appellante een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een veevoederfabriek op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Uddel, sectie A, nummers 5864, 5757 en 6299 en de vergunning geweigerd wat betreft het in werking zijn van de inrichting gedurende de periode van 23.00 uur tot 07.00 uur, met uitzondering van bepaalde nader in het besluit omschreven activiteiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200206730/1.

Datum uitspraak: 1 oktober 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Veevoederfabriek Alpuro B.V.", gevestigd te Uddel,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 november 2002, kenmerk WM-5569, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan appellante een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een veevoederfabriek op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Uddel, sectie A, nummers 5864, 5757 en 6299 en de vergunning geweigerd wat betreft het in werking zijn van de inrichting gedurende de periode van 23.00 uur tot 07.00 uur, met uitzondering van bepaalde nader in het besluit omschreven activiteiten.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 18 december 2002, bij de Raad van State ingekomen op 19 december 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 28 februari 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 6 juni 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 augustus 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door, [gemachtigden], en verweerder, vertegenwoordigd door M. Bomhof en T.P.H. Hettinga, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat verweerder de bezwaren van appellante ten aanzien van de vergunningvoorschriften 5.2.1 tot en met 5.2.5 aangaande een nulsituatieonderzoek van de bodem, de voorschriften 6.2.1 tot en met 6.2.3 aangaande brandcompartimentering, voorschrift 9.4.2 aangaande doekfilterinstallaties, voorschrift 21.6.1 aangaande de bepaling van de stofexplosie eigenschappen van alle stoffen en voorschrift 22.1.4 aangaande het uitvoeren van een storingsanalyse gegrond acht.

Gelet hierop, de stukken, waaronder het deskundigenbericht, en het verhandelde ter zitting is de Afdeling van oordeel dat verweerder het bestreden besluit in zoverre niet met de in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht vereiste zorgvuldigheid heeft voorbereid. Bedoelde voorschriften komen dan ook voor vernietiging in aanmerking.

2.2. Appellante voert aan dat de in vergunningvoorschrift 8.1.1 bij beoordelingspunt 3 voor de nachtperiode gegeven grenswaarde voor het equivalente geluidsniveau niet kan worden gehaald.

Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, blijkt dat door het in werking zijn van koel-, ventilatie- en verwarmingsinstallaties de in vergunningvoorschrift 8.1.1 bij beoordelingspunt 3 voor de nachtperiode gegeven grenswaarde voor het equivalente geluidsniveau van 40 dB(A) ook na het uitvoeren van geluidsreducerende maatregelen wordt overschreden. Dit voorschrift heeft dan ook tot gevolg dat de blijkens de aanvraag beoogde bedrijfsvoering onmogelijk is, zodat het opnemen van dit voorschrift neerkomt op een weigering van de gevraagde vergunning. Dit verdraagt zich niet met het stelsel van de Wet milieubeheer. Deze beroepsgrond is derhalve gegrond en het bestreden voorschrift komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking.

2.3. Appellante voert aan dat verweerder ten onrechte de vergunning wat betreft het in werking zijn van de inrichting gedurende de periode van 23.00 uur tot 07.00 uur heeft geweigerd. Zij betoogt dat dit een onaanvaardbare beperking van haar productietijd inhoudt, gelet op de omstandigheid dat haar in de vigerende vergunning van 10 maart 1989 bedrijfstijden zijn toegestaan van 24 uur per dag. Zij voert hierbij aan dat zij destijds weliswaar een werktijd van 16 uur per dag heeft aangevraagd, maar dat verweerder een werktijd van 24 uur heeft vergund. Zij stelt dat haar productie op deze openingstijden is afgestemd.

Tevens stelt zij dat uit het bij de aanvraag gevoegde geluidsrapport blijkt dat zij aan de gestelde equivalente geluidsnormen kan voldoen. In het geluidsrapport is volgens appellante nog geen rekening gehouden met het geen gebruik meer maken van dieselvorkheftrucks gedurende de nachtperiode zodat de geluidsemissie zelfs nog lager uitvalt dan in het rapport aangegeven.

2.3.1. Verweerder stelt dat de vigerende vergunning bedrijfstijden toestond van 16 uur per dag, gedurende vijf dagen in de week, van 04.30 uur tot 20.30 uur. In tegenstelling tot het bestreden besluit is hij thans van mening dat er een verkregen recht voor het in deze periode uitvoeren van werkzaamheden bestaat. Activiteiten in de periode tussen 20.30 uur en 4.30 uur waren echter niet toegestaan en in zoverre is naar de mening van verweerder dan ook geen sprake van bestaande rechten waarmee hij rekening diende te houden bij zijn beslissing op de aanvraag.

2.3.2. De Afdeling stelt vast dat partijen het er over eens zijn dat er voor de onderhavige inrichting in elk geval voor de periode tussen 04.30 uur en 20.30 uur sprake is van bestaande rechten, als bedoeld in artikel 8.4, derde lid, van de Wet milieubeheer. Verweerder heeft, gelet hierop dan ook onvoldoende gemotiveerd waarom hij de aanvraag wat betreft het in werking zijn van de inrichting gedurende de periode van 04.30 uur tot 07.00 uur heeft geweigerd. In zoverre treft deze beroepsgrond doel.

Voorzover deze beroepsgrond zich richt op het in werking zijn van de inrichting in de periode tussen 20.30 uur en 4.30 uur overweegt de Afdeling dat, in tegenstelling tot wat appellante hierover stelt, uit de vergunning van 10 maart 1989 in combinatie met de van deze vergunning deel uitmakende aanvraag blijkt dat de bedrijfstijden van de onderhavige inrichting van 04.30 uur tot 20.30 uur lopen. Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, blijkt, ook dit in tegenstelling tot wat appellante hierover stelt, dat de thans aangevraagde activiteiten betreffende verruimde productietijden en verruimde tijden voor transportbewegingen een dusdanig hoge geluidsproductie met zich meebrengen dat ook met geluidsbeperkende maatregelen niet aan de hiervoor geldende geluidsgrenswaarden kan worden voldaan. Verweerder heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de vergunningaanvraag geweigerd diende te worden voorzover deze zag op de periode tussen 20.30 uur en 4.30 uur. Mede gelet op het deskundigenbericht stelt de Afdeling vast dat het gebruiken van elektrische heftrucks in plaats van dieselheftrucks niet leidt tot een relevante afname van de geluidsproductie. In zoverre treft deze beroepsgrond derhalve geen doel.

2.4. Appellante voert aan dat in vergunningvoorschrift 8.1.2 verwezen wordt naar tabel 3.4 van het bij de aanvraag gevoegde geluidsrapport terwijl volgens henverwezen had moeten worden naar tabel 5.6. Voor beoordelingspunt 7 levert de verwijzing naar tabel 3.4 volgens appellante een overschrijding op van de aangevraagde piekgeluidsbelasting.

De Afdeling overweegt dat tabel 5.6 ziet op de aangevraagde, maar niet vergunde situatie waarbij de inrichting ook in de periode tussen 20.30 uur en 4.30 uur in bedrijf is en dat tabel 3.4 ziet op de huidige, wel vergunde situatie. Voor beoordelingspunt 7 betekent het continu in werking zijn van de inrichting dat in de avond- en nachtperiode een hogere geluidsnorm zou moeten gelden voor de piekgeluiden. Nu de vergunningaanvraag voorzover het de periode tussen 20.30 uur en 4.30 uur betreft is geweigerd heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat naar tabel 3.4 moest worden verwezen. Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.5. Appellante voert aan dat verweerder ten onrechte het ontwerpbesluit “Besluit kwaliteitseisen externe veiligheid inrichtingen milieubeheer” heeft toegepast. Dit ontwerpbesluit was ten tijde van het bestreden besluit niet van kracht en bovendien valt de inrichting, volgens appellante, niet onder het ontwerpbesluit.

2.5.1. Verweerder stelt dat de inrichting wel degelijk onder bedoeld ontwerpbesluit zal komen te vallen.

2.5.2. De Afdeling overweegt dat uit het bestreden besluit niet valt af te leiden dat verweerder daadwerkelijk aansluiting heeft gezocht bij het ontwerpbesluit“Besluit kwaliteitseisen externe veiligheid inrichtingen milieubeheer”. Uit de enkele opmerking in de considerans van het bestreden besluit dat de onderhavige inrichting onder de werking van het ontwerpbesluit zal komen te vallen volgt niet zonder meer dat het ontwerp op enigerlei wijze gevolg heeft gehad voor de beoordeling van de aanvraag. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat verweerder ter zitting heeft verklaard dat het besluit in genen dele berust op het ontwerpbesluit“Besluit kwaliteitseisen externe veiligheid inrichtingen milieubeheer”. Deze beroepsgrond kan derhalve geen doel treffen.

2.6. Het beroep is gegrond en de vergunningvoorschriften 5.2.1 tot en met 5.2.5, 6.2.1 tot en met 6.2.3, 8.1.1 voorzover het beoordelingspunt 3 betreft, 9.4.2, 21.6.1 en 22.1.4 komen voor vernietiging in aanmerking.

2.7. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn van 8 november 2002, WM-5569, voorzover het de vergunningvoorschriften 5.2.1 tot en met 5.2.5, 6.2.1 tot en met 6.2.3, 8.1.1 voorzover het beoordelingspunt 3 betreft, 9.4.2, 21.6.1 en 22.1.4 betreft;

III. draagt het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn op om binnen 8 weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Apeldoorn te worden betaald aan appellante;

VI. gelast dat de gemeente Apeldoorn aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 218,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. C.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van G.K. Klap, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Klap

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2003

315.