Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AL3286

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-10-2003
Datum publicatie
01-10-2003
Zaaknummer
200202479/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 november 2001, kenmerk NL 101902, heeft verweerder bezwaar gemaakt tegen de door appellante voorgenomen uitvoer van 5.000.000 kg bouw- en sloopafval naar Duitsland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200202479/1.

Datum uitspraak: 1 oktober 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 november 2001, kenmerk NL 101902, heeft verweerder bezwaar gemaakt tegen de door appellante voorgenomen uitvoer van 5.000.000 kg bouw- en sloopafval naar Duitsland.

Bij besluit van 26 maart 2002, kenmerk IMA 2002-5620, verzonden op dezelfde datum, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 6 mei 2002, bij de Raad van State ingekomen per faxbericht op dezelfde datum, beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de behandeling van de onderhavige zaak aangehouden in afwachting van het verzoek aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof) om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de vragen zoals die zijn geformuleerd in de verwijzingsuitspraken van de Afdeling van 8 augustus 2000. Bij beschikking van 27 februari 2003 in de gevoegde zaken C-307/00 tot en met C-311/00 heeft het Hof uitspraak gedaan.

Bij brief van 2 mei 2003 heeft verweerder een verweerschrift/zienswijze ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 september 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. C.M.A.W. Flendrie-van der Schoot, mr. ing. J.A. Koreman en I.J.A. Huijbregts, ambtenaren van het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De kennisgeving op grond van de Verordening nr. 259/93 van de Raad van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (hierna: de EVOA) van 18 oktober 2001, kenmerk NL 101902, ziet op de overbrenging van 5.000.000 kg bouw- en sloopafval/bedrijfsafval en gemengde restfractie naar (lees: na) sorteren, voor nuttige toepassing naar Borchers Kreislaufwirtschaft GmbH in Duitsland.

2.2. Verweerder heeft bezwaar gemaakt tegen de uitvoer van het bouw- en sloopafval omdat de voorgenomen verwerkingswijze volgens hem moet worden beschouwd als een handeling van verwijdering en niet, zoals aangegeven op het kennisgevingsformulier, als handeling van nuttige toepassing. Volgens verweerder is sprake van verwijdering omdat de afvalstoffen per transport zodanig kunnen verschillen dat niet kan worden gesproken van een afvalstof met dezelfde fysische en chemische samenstelling als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de EVOA.

Aangezien voor te verwijderen afvalstoffen in Nederland voldoende eindverwerkingscapaciteit is, bestaan er volgens verweerder bezwaren tegen de voorgenomen overbrenging als bedoeld in artikel 4, derde lid, onder b van de EVOA.

In het verweerschrift geeft verweerder toe dat de grondslag van het bezwaar achteraf bezien niet juist is. Het bezwaar had volgens hem, in plaats van op artikel 4, gebaseerd moeten worden op artikel 28 van de EVOA. Nu de bestreden beslissing volgens hem hetzelfde zou luiden indien deze gebaseerd zou zijn op artikel 28 van de EVOA, is verweerder van mening dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in stand kunnen worden gelaten.

2.3. Appellante heeft, kort weergegeven, betoogd dat verweerder ten onrechte bezwaar heeft gemaakt tegen de voorgenomen uitvoer van de partijen bouw- en sloopafval. Volgens haar is sprake van nuttige toepassing van de afvalstoffen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij wel degelijk in staat is om de gevaarlijke componenten in het bouw- en sloopafval en in de restfractie na sorteren, te vermijden. Volgens appellante wordt er streng geaccepteerd en wordt het bouw- en sloopafval tijdens het grof sorteren gecontroleerd op de aanwezigheid van gevaarlijke componenten, die worden verwijderd indien ze worden aangetroffen.

Appellante stelt dat zeker kan worden bewerkstelligd dat het merendeel van hetgeen wordt geëxporteerd bestaat uit nuttig toepasbare fracties. Zij acht het irrelevant dat de partijen bouw- en sloopafval een heterogene samenstelling hebben; volgens haar gaat het om de mate van nuttige toepassing van het afval. Appellante betoogt voorts dat het bestreden besluit gebrekkig is nu onduidelijk is wanneer de afvalstroom voldoende gesorteerd is, ofwel wanneer de afvalstroom volgens verweerder homogeen is. Verder staat zij op het standpunt dat wel degelijk voldoende voorsortering plaatsvindt met behulp van een kraan. Zij wijst er op dat tegen drie eerder door haar met betrekking tot soortgelijke partijen gedane kennisgevingen geen bezwaar door verweerder is gemaakt.

2.4. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof) heeft in zijn beschikking van 27 februari 2003 in de gevoegde zaken C-307/00 tot en met C-311/00 voor recht verklaard dat uit het bij de EVOA ingevoerde stelsel voortvloeit, dat de bevoegde autoriteit van de lidstaat van verzending, indien zij van mening is dat in de kennisgeving het doel van overbrenging van afvalstoffen ten onrechte als een nuttige toepassing is aangemerkt, haar bezwaar tegen de overbrenging moet baseren op deze onjuiste indeling, zonder te verwijzen naar één van de bijzondere bepalingen van de verordening, zoals met name artikel 4, derde lid, onder b-i, waarin de bezwaren zijn omschreven die de lidstaten kunnen maken tegen de overbrenging van voor verwijdering bestemde afvalstoffen.

2.5. De Afdeling stelt vast dat appellante kennisgeving heeft gedaan voor de overbrenging naar Duitsland van de onderhavige afvalstoffen bestemd voor nuttige toepassing. Gelet hierop is het bezwaar van verweerder zoals verwoord in het bestreden besluit, nu dit is gebaseerd op artikel 4, derde lid, onder b, van de EVOA, bezien in het licht van de beschikking van het Hof van 27 februari 2003 en zoals verweerder heeft erkend, in strijd met het stelsel van de EVOA. Het beroep treft in zoverre doel. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

2.6. Omtrent het verzoek de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, overweegt de Afdeling dat uit het bestreden besluit onvoldoende duidelijk blijkt dat het bezwaar tegen de overbrenging is gebaseerd op artikel 28 van de EVOA en wat daar de motivering van zou zijn. Appellante heeft bovendien ter zitting gesteld dat zij het bestreden besluit slechts heeft opgevat als bezwaar vanwege verwijdering van de afvalstoffen en niet als bezwaar op grond van artikel 28 van de EVOA.

De Afdeling ziet, gelet op het vorengaande, geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

2.7. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking.

2.8. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 26 maart 2002, kenmerk IMA 2002-5620;

III. gelast dat de Staat der Nederlanden (het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 218,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. H. Beekhuis en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. T.I. van Koten, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Van Koten

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2003

324.