Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AI1739

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-08-2003
Datum publicatie
02-09-2003
Zaaknummer
200304885/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 juni 2003, kenmerk DLB 2003/9013, heeft verweerder de bij besluit van 11 december 1991, kenmerk 17605, krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren aan verzoekster verleende vergunning ingetrokken en heeft hij krachtens diezelfde wet een vergunning onder voorschriften verleend voor het op de Maas lozen van afvalwater en hemelwater afkomstig van het mengvoederbedrijf van verzoekster, gelegen op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 2 juli 2003 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200304885/2.

Datum uitspraak: 26 augustus 2003.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster], gevestigd te [plaats],

en

de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 juni 2003, kenmerk DLB 2003/9013, heeft verweerder de bij besluit van 11 december 1991, kenmerk 17605, krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren aan verzoekster verleende vergunning ingetrokken en heeft hij krachtens diezelfde wet een vergunning onder voorschriften verleend voor het op de Maas lozen van afvalwater en hemelwater afkomstig van het mengvoederbedrijf van verzoekster, gelegen op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 2 juli 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 23 juli 2003, bij de Raad van State ingekomen op 24 juli 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 23 juli 2003, bij de Raad van State ingekomen op 24 juli 2003, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 19 augustus 2003, waar verzoekster, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. A.L. van Veghel-Velthoven en P.G.J.M. Meertens, beiden ambtenaar van Rijkswaterstaat, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, gelezen in samenhang met artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Verzoekster heeft geen bedenkingen ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is de Voorzitter gebleken dat verweerder het ontwerp van het besluit aan verzoekster heeft verzonden. De enkele ontkenning van verzoekster dat zij het ontwerp van het besluit heeft ontvangen, kan naar het oordeel van de Voorzitter er niet toe leiden dat verzoekster redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. De Voorzitter gaat er daarom van uit dat de Afdeling het beroep op grond van artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer niet-ontvankelijk zal oordelen. Aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek komt de Voorzitter dan ook niet toe.

2.3. De Voorzitter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. L.J. Können, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Können

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2003.

301-414.