Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AI1735

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-08-2003
Datum publicatie
02-09-2003
Zaaknummer
200304232/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 januari 1993, kenmerk DO 91.2066, heeft verweerder krachtens de Hinderwet aan verzoekster een vergunning verleend voor een scheepsbenodigdhedenhandel, gelegen aan de Buiten Walevest tegenover nummer […] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Dordrecht, sectie […], nummer […].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200304232/2.

Datum uitspraak: 28 augustus 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoekster], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 januari 1993, kenmerk DO 91.2066, heeft verweerder krachtens de Hinderwet aan verzoekster een vergunning verleend voor een scheepsbenodigdhedenhandel, gelegen aan de Buiten Walevest tegenover nummer […] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Dordrecht, sectie […], nummer […].

Bij besluit van 14 mei 2003, kenmerk DO 01.2201, heeft verweerder ingevolge de artikelen 8.22 en 8.23 van de Wet milieubeheer de voorschriften verbonden aan het besluit van 19 januari 1993 gewijzigd. Dit besluit is op 22 mei 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft onder meer verzoekster bij brief van 1 juli 2003, bij de Raad van State ingekomen op 2 juli 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 1 juli 2003, bij de Raad van State ingekomen op 2 juli 2003, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 4 augustus 2003, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. D.J.R.M. Braakenburg, advocaat te Rotterdam, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. C.E.D. van Schayk en ing. D.W. Kraaij, gemachtigden, zijn verschenen.

Voorts zijn [partij 1] en [partij 2] daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Verzoekster heeft de gronden inzake de aan de vergunning verbonden voorschriften A.15, G.11, G.12 en I.3 niet als bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. De Voorzitter verwacht dat de Afdeling het beroep wat deze voorschriften betreft niet-ontvankelijk zal verklaren. Gelet hierop ziet hij wat de voorschriften A.15, G.11, G.12 en I.3 betreft geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.3. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Bij de toepassing van artikel 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.4. Verzoekster kan zich niet verenigen met voorschrift A.18, voorzover daarin is bepaald dat de leurbootjes hoogstens één breed langszij het bunkerstation mogen zijn afgemeerd. Volgens verzoekster veroorzaakt dit voorschrift extra manoeuvres wat resulteert in meer geluid.

2.4.1. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat door een reeds doorgevoerde kleine aanpassing in de bedrijfsvoering van verzoekster waardoor twee leurbootjes aan de binnenzijde van het schip achter elkaar kunnen worden afgemeerd, het aantal manoeuvres vanwege het bepaalde in voorschrift A.18 niet toeneemt. Gelet hierop, en gelet op het feit dat, zoals de Voorzitter ter zitting is gebleken, de maatregel voorkomt dat de bootjes tot zeer dichtbij de huizen van de omwonenden afmeren, is de Voorzitter van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voorschrift A.18, tweede volzin, nodig is in het belang van de bescherming van het milieu. De Voorzitter ziet in zoverre dan ook geen aanleiding het verzoek in te willigen.

2.5. Verzoekster kan zich niet verenigen met de gestelde geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in voorschrift G.1. Zij betoogt dat ten onrechte haar rechten uit de vergunning van 1993 zijn beperkt en stelt door deze beperking aanzienlijk omzetverlies te zullen derven.

2.5.1. Ingevolge voorschrift G.1, voorzover hier van belang, mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) veroorzaakt door de inrichting op de gevel van nabijgelegen woningen na zes maanden na het van kracht worden van de beschikking niet meer bedragen dan 53, 45 en 40 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

2.5.2. Het is de Voorzitter uit de stukken en het gestelde ter zitting gebleken dat de geluidproblematiek ten aanzien van voorschrift G.1 van dien aard is dat de onderhavige procedure zich er niet voor leent om die te beoordelen. In afwachting van de beoordeling van dit punt bij de behandeling van het geding in de bodemprocedure ziet de Voorzitter, gelet op de betrokken belangen, aanleiding het verzoek in zoverre in te willigen en de hierna vermelde voorlopige voorziening te treffen.

2.6. Verzoekster kan zich tevens niet verenigen met voorschrift G.2, waarin is bepaald dat, behoudens tijdens bijzondere situaties (met een maximum van zesmaal per jaar), tussen 19.00 uur en 7.00 uur niet aan de walzijde van het bunkerstation “de Zwaan” mag worden gebunkerd en dat het in voornoemde periode verboden is om tussen het bunkerstation “de Zwaan” en de wal schepen aan te meren of uit te varen dan wel hoofd-/hulpmotoren of aggregaten van afgemeerde schepen in werking te hebben. Verzoekster vreest ten gevolge van dit voorschrift omzetverlies. In het door [naam bureau] opgestelde akoestisch rapport van 15 januari 2003 is, aldus verzoekster, nog geen rekening gehouden met de vervanging van een leurbootje door een nieuw exemplaar waardoor de geluidoverlast is afgenomen. Uit een akoestisch rapport van 30 juni 2003, dat in opdracht van verzoekster door [naam bureau] is opgesteld, blijkt volgens verzoekster dat bij de avondactiviteiten aan de gestelde geluidgrenswaarden kan worden voldaan. Wat betreft het verbod om motoren of aggregaten van afgemeerde schepen in werking te hebben, stelt verzoekster onder meer geen macht te hebben over schepen van derden die aan het bunkerschip afmeren.

Evenmin kan verzoekster zich verenigen met voorschrift G.3, waarin is bepaald dat het verboden is om in de uren tussen 19.00 uur en 7.00 uur de ladingtanks van het bunkerstation “de Zwaan” en/of het ponton “Herman” te bevoorraden. In dit voorschrift is tevens bepaald dat bij bijzondere situaties (met een maximum van zesmaal per jaar) aan het bevoegd gezag ontheffing kan worden gevraagd van dit verbod. Verzoekster voert onder meer aan dat dit voorschrift onaanvaardbaar omzetverlies en onaanvaardbare schade ten gevolge heeft.

2.6.1. Bij de beoordeling van geluidhinder vanwege de inrichting heeft verweerder zich gebaseerd op een akoestisch rapport van 15 januari 2003 dat is opgesteld door [naam bureau]. Een uitputtende beoordeling van de door verzoekster omtrent dit rapport naar voren gebrachte argumenten kan plaatsvinden bij de behandeling van het geding in de bodemprocedure. In afwachting daarvan ziet de Voorzitter op grond van hetgeen verzoekster heeft aangevoerd voorshands onvoldoende aanknopingspunten aanwezig voor het oordeel dat verweerder bij zijn besluitvorming niet van de juistheid van dit geluidrapport heeft kunnen uitgaan.

Bij de beoordeling van de naleefbaarheid van de geluidnormen in het rapport is uitgegaan van de geluidvoorschriften die bij besluit van 19 januari 1993 zijn verbonden aan de vergunning van 1993. Ingeval een tussen de wal en het bunkerstation gelegen bunkerboot in de avondperiode uitvaart, kan volgens het geluidrapport niet aan de geluidgrenswaarden worden voldaan die in de vergunning van 1993 zijn opgenomen en evenmin aan een piekgeluidgrenswaarde van 70 dB(A) etmaalwaarde, die in voorschrift G.1, onder b, van het bestreden besluit is opgenomen voor de geluidbelasting vanwege het aan- en afmeren van schepen. Gelet op het feit dat deze activiteit volgens het rapport van [naam bureau] van 15 januari 2003 ongeveer zes keer per jaar voorkomt, heeft verweerder in voorschrift G.2 hiervoor een uitzonderingsbepaling opgenomen. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat blijkens het akoestisch onderzoek elke activiteit tussen de wal en het bunkerschip in de avond- en nachtperiode leidt tot een overschrijding van het maximale geluidniveau. Voorts leidt het in werking hebben van motoren volgens verweerder tot een overschrijding van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, omdat de geluidruimte volledig wordt benut door andere activiteiten. De Voorzitter ziet in hetgeen verzoekster heeft aangevoerd onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van deze stelling van verweerder. Hij ziet daarom, mede in aanmerking genomen de hiervoor bedoelde te treffen voorlopige voorziening met betrekking tot voorschrift G.1, tabel 1, geen grond tot het treffen van een voorlopige voorziening ten aanzien van voorschrift G.2.

Met betrekking tot voorschrift G.3 overweegt de Voorzitter als volgt. Ingeval de [naam boot] in de avond- of nachtperiode wordt gelost, dan kan volgens het geluidrapport niet aan de equivalente geluidgrenswaarden worden voldaan die in de vergunning van 1993 zijn opgenomen. Nu het laden en lossen van de [naam boot] in de avond- of nachtperiode volgens het rapport van [naam bureau] van 15 januari 2003 ongeveer zes keer per jaar voorkomt en voorschrift G.3 in een ontheffing van het hierin gestelde verbod op deze activiteit voorziet, ziet de Voorzitter ten aanzien van dit voorschrift evenmin aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.7. Verzoekster kan zich verder niet verenigen met voorschrift G.4, waarin is bepaald dat transport van goederen van en naar de openbare weg niet mag plaatsvinden tussen 19.00 uur en 7.00 uur. Zij voert in dit verband onder meer aan dat ten onrechte niet is bepaald dat dit voorschrift alleen betrekking heeft op verplaatsingen die relevant geluid geven.

2.7.1. De Voorzitter stelt vast dat niet alleen in het rapport van [naam bureau] van 15 januari 2003 is gesteld dat in de representatieve bedrijfssituatie alleen in de dagperiode inrichtingsgebonden transportbewegingen plaatsvinden op de openbare weg, maar ook in het rapport van [naam bureau] van 30 juni 2003 dat door verzoekster is bepleit. Gelet hierop ziet de Voorzitter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening op dit punt.

2.8. Verzoekster kan zich niet verenigen met voorschrift G.13, waarin is bepaald dat transportwagentjes, bevoorradingscontainers en dergelijke moeten zijn voorzien van rubber wielen of dat het verplaatsen dient te geschieden over rubber matten. Verzoekster voert onder meer aan dat de transportwagens van transporteurs buiten haar invloedsfeer liggen. Bovendien heeft zij al geïnvesteerd in vernieuwing van de aanvoerbrug en hebben haar steekwagens rubber geluiddempende wielen. Het neerleggen van rubber matten levert volgens verzoekster geen relevante bijdrage aan het dempen van het geluid.

2.8.1. Het is de Voorzitter ter zitting gebleken dat door verzoekster reeds de nodige maatregelen zijn genomen om geluidhinder vanwege transportwagentjes, bevoorradingscontainers en dergelijke te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken. Gelet hierop ziet de Voorzitter aanleiding om, in afwachting van de behandeling van het geding in de bodemprocedure, het verzoek in zoverre in te willigen.

2.9. Verzoekster kan zich niet verenigen met voorschrift I.2, waarin is bepaald dat de ladingstanks van het bunkerstation “de Zwaan” binnen een jaar na het van kracht worden van deze beschikking dienen te zijn voorzien van een dampretourleiding. In het voorschrift is tevens bepaald dat de vergunninghoudster dient te bevorderen dat het bevoorraden van het bunkerstation “de Zwaan”geschiedt door een tanker die is voorzien van een dampretoursysteem, waarvan, indien aanwezig, gebruik dient te worden gemaakt. Verzoekster vreest vanwege dit voorschrift een onaanvaardbare verslechtering van haar concurrentiepositie. Het aanbrengen van een dampretourleiding vergt volgens verzoekster een grote investering, terwijl geen enkel ander bunkerschip daartoe is of wordt verplicht. Zij voert in dat verband aan dat de wetgeving voor binnenschepen geen zodanige verplichting kent. Bovendien stelt zij van derden niet te kunnen vergen een schip te hebben met een dampretourleiding.

2.9.1. De Voorzitter overweegt dat deze beroepsgrond nader onderzoek vergt, waarvoor de onderhavige procedure zich niet leent. In het kader van de behandeling van het geding in de bodemprocedure kan dit aspect aan de orde komen. Gelet hierop en nu niet is gebleken dat de bestaande bedrijfsvoering zodanig is dat de mogelijk nadelige gevolgen voor het milieu zich keren tegen een voortzetting daarvan, in ieder geval in afwachting van de behandeling van het geding in de bodemprocedure, ziet de Voorzitter na afweging van de betrokken belangen aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.10. Verweerder dient op de na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht van 14 mei 2003, kenmerk DO 01.2201, voorzover het betreft de aan de vergunning verbonden voorschriften G.1, wat betreft de in tabel 1 opgenomen geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, G.13, en I.2, behoudens de laatste volzin;

II. treft de voorlopige voorziening dat de geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in tabel 1 van voorschrift G.1 voor de dag-, avond- en nachtperiode respectievelijk 55, 50 en 45 dB(A) op de gevel van woningen komen te bedragen;

III. wijst het verzoek voor het overige af;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht in de door verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Dordrecht te worden betaald aan verzoekster;

V. gelast dat de gemeente Dordrecht aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 232,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Heijerman, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Heijerman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2003

255-415.