Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AI1734

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-08-2003
Datum publicatie
02-09-2003
Zaaknummer
200304147/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 mei 2003, kenmerk 2002-25955, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting voor het op- en overslaan van huishoudelijke en bedrijfsafvalstoffen alsmede klein gevaarlijk afval (KGA), het composteren van groente, fruit- en tuinafval (GFT) en analoog-GFT, het tijdelijk opslaan van compost, het verrichten van onderhouds- en reinigingswerkzaamheden aan voertuigen en het opslaan van (lege) gasflessen en divers materiaal, gelegen op het perceel [locatie 1] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Haarlemmermeer, sectie […], nummers […], […], […] en […]. Dit besluit is op 6 juni 2003 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200304147/2.

Datum uitspraak: 28 augustus 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 mei 2003, kenmerk 2002-25955, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting voor het op- en overslaan van huishoudelijke en bedrijfsafvalstoffen alsmede klein gevaarlijk afval (KGA), het composteren van groente, fruit- en tuinafval (GFT) en analoog-GFT, het tijdelijk opslaan van compost, het verrichten van onderhouds- en reinigingswerkzaamheden aan voertuigen en het opslaan van (lege) gasflessen en divers materiaal, gelegen op het perceel [locatie 1] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Haarlemmermeer, sectie […], nummers […], […], […] en […]. Dit besluit is op 6 juni 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft onder meer verzoeker bij brief van 24 juni 2003, bij de Raad van State ingekomen op 26 juni 2003, beroep ingesteld.

Bij deze brief heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 29 juli 2003, waar verzoeker in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. P.C. Speelman, ing. R.W. Schuurman en ing. J.G.W.M. Schoenmaker, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen. Namens [vergunninghoudster] is gehoord mr. drs. E.D.M. Knegt, advocaat te Breda, en [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Verzoeker heeft de grond inzake gezondheid niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan verzoeker redelijkerwijs niet kan worden verweten op dit punt geen bedenking te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. De Voorzitter gaat er daarom van uit dat de Afdeling het beroep in zoverre niet-ontvankelijk zal verklaren. In zoverre ziet de Voorzitter dan ook geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.3. Verzoeker voert aan dat ten onrechte in de vergunningaanvraag is vermeld dat de inrichting geheel is gelegen aan [locatie 1] te [plaats]. Volgens hem worden in de door [vergunninghoudster] gehuurde kas aan de [locatie 2] te [plaats] rol- en verzamelcontainers opgeslagen en voertuigen gestald, zodat de inrichting groter is dan in de aanvraag weergegeven. Naar zijn mening heeft verweerder dan ook niet van de aanvraag kunnen uitgaan.

2.3.1. De Voorzitter overweegt dat op basis van de thans voorgelegde gegevens geen definitief uitsluitsel kan worden gevormd omtrent de vraag of de inrichting een grotere omvang heeft dan in de aanvraag weergegeven. Daartoe dient nader onderzoek plaats te vinden, hetgeen het kader van deze procedure te buiten gaat. Eerst de Afdeling zal hierover een definitief oordeel kunnen geven. Voorshands ziet de Voorzitter geen reden om te oordelen dat in afwachting van de behandeling van het geding in de bodemprocedure, moet worden gevreesd voor zodanige hinder vanwege het gebruik van deze kas dat hierin, gelet op de betrokken belangen, aanleiding zou moeten worden gevonden tot het inwilligen van het verzoek om voorlopige voorziening.

2.4. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat bij de voorbereiding van het besluit had moeten worden beoordeeld of een milieu-effectrapport (mer) had moeten worden gemaakt, althans dat de plicht tot het uitvoeren van die beoordeling door het vergunnen van een uitbreiding wordt ontdoken. Hij voert daartoe aan dat de capaciteit die is vergund in de oprichtingsvergunning (24.500 ton per jaar) en in de onderhavige uitbreiding (15.000 ton per jaar) weliswaar afzonderlijk onder de van toepassing zijnde drempelwaarden uit het Besluit mer 1994 valt, doch dat niettemin een inrichting is ontstaan waarvan de totale capaciteit (39.500 ton) boven de drempelwaarde ligt.

2.4.1. Ingevolge artikel 7.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer, kort weergegeven, moet het bevoegd gezag ten aanzien van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen activiteiten bepalen of voor de activiteit, vanwege de bijzondere omstandigheden waaronder zij wordt genomen, een milieu-effectrapport moet worden gemaakt.

Ingevolge artikel 2, tweede lid, van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 worden als activiteiten als bedoeld in artikel 7.4, eerste lid, van de wet aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel D van de bijlage is omschreven.

In categorie 18.3 in samenhang met categorie 18.2 van onderdeel D van de bijlage behorende bij het Besluit Mer, voorzover thans van belang, wordt als zodanige activiteit aangewezen de wijziging of uitbreiding van een inrichting bestemd voor het bewerken, verwerken of vernietigen van overige organische meststoffen, groenafval en GFT, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een capaciteit van 100 ton per dag of meer.

2.4.2. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting stelt de Voorzitter vast dat de bij besluit van 11 januari 1994 aan [vergunninghoudster] verleende oprichtingsvergunning betrekking had op een inrichting voor het bewerken van GFT en analoog GFT die reeds een technische capaciteit had van meer dan 100 ton per dag. Ter zitting is onweersproken gesteld dat de inrichting thans niet hoeft te worden uitgebreid voor het verwerken van het totaal van de reeds vergunde en de thans aangevraagde hoeveelheid GFT en analoog GFT. Dit betekent dat de vergunning niet leidt tot een uitbreiding van de technische capaciteit, welke capaciteit in beginsel bepalend is voor de toepassing van het Besluit mer 1994. De Voorzitter ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat bij de voorbereiding van het bestreden besluit niet behoefde te worden beoordeeld of een mer moest worden gemaakt. De vraag of een mer had moeten worden gemaakt in het kader van de oprichtingsvergunning, is in deze procedure niet aan de orde.

2.4.3. Verzoeker heeft de Voorzitter verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat in de inrichting maximaal 24.000 ton GFT en analoog GFT mag worden gecomposteerd. Die capaciteit is gelijk aan de capaciteit die is vergund in de bij besluit van 11 januari 1994 verleende oprichtingsvergunning. De Voorzitter ziet in dit verzoek aanleiding om de behandeling van de beroepsgronden te beperken tot de gronden die verband houden met de aangevraagde toename van de hoeveelheid te composteren GFT en analoog GFT.

2.5. Verzoeker voert aan dat noch in de aanvraag noch in de aan de vergunning verbonden voorschriften de openingstijden van de inrichting zijn vermeld respectievelijk opgenomen. In dit verband stelt hij dat in de aanvraag alleen de bedrijfstijden zijn vermeld.

In de vergunningaanvraag is duidelijk beschreven op welke dagen en tijden verschillende activiteiten in de inrichting worden uitgevoerd. In het aan de vergunning verbonden voorschrift 1.3, voor zover hier van belang, is bepaald dat de aanvraag deel uitmaakt van het bestreden besluit, zodat de aanvrager aan die tijden is verbonden. De toelaatbaarheid van de gevolgen van de inrichting zijn beoordeeld aan de hand van die tijden. Binnen die tijden is de aanvrager in beginsel vrij de openingstijden te bepalen.

2.6. Verzoeker stelt geluidhinder te ondervinden ten gevolge van de verkeersbewegingen op het terrein. Door de hoge snelheid waarmee de vrachtwagens over het terrein rijden veroorzaken de op de vrachtwagens staande lege containers veel geluid.

Voorts voert hij aan dat het akoestisch rapport onjuist is, omdat onjuiste uitgangspunten ten grondslag liggen aan de berekeningen van de geluidbelasting vanwege de inrichting en hierin staat dat in de nacht van 25 juni 2002 vijftien verkeersbewegingen van gladheidsbestrijdingswagens hebben plaatsgevonden.

2.6.1. Ter voorkoming dan wel beperking van geluid heeft verweerder onder meer de voorschriften 5.20 en 5.21 aan de vergunning verbonden, waarin geluidgrenswaarden, die gelden ter plaatse van woningen en op controlepunten, zijn neergelegd voor respectievelijk het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het piekgeluidniveau. Nu uit de stukken kan worden opgemaakt dat de aldus vergunde geluidruimte een beperking inhoudt ten opzichte van de oprichtingsvergunning, ziet de Voorzitter in die waarden als zodanig geen aanknopingspunten voor de inwilliging van het verzoek.

2.6.2. Volgens het bij de aanvraag behorende akoestische onderzoek kan aan de geluidgrenswaarden worden voldaan. In het kader van de behandeling van de hoofdzaak door de Afdeling zal nader worden bezien of dat onderzoek een representatief beeld geeft van de werking van de inrichting. In hetgeen is aangevoerd ziet de Voorzitter onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat niet alle relevante geluidbronnen bij dat onderzoek zijn betrokken en dat de aannames en berekeningen die daarin zijn gemaakt onvolledig en onjuist zijn.

2.7. Verzoeker stelt geuroverlast te ondervinden van de inrichting. Hij noemt met name het biofilter, de nacompostering en de opslag van gerede compost. Hij betwijfelt of in het geurrapport de geurcontouren juist zijn vastgesteld, onder meer omdat de rand van de geurcontour van 3 ge/m3 evenwijdig loopt aan de Aarbergerweg. In het geurrapport is volgens hem verder ten onrechte uitgegaan van een optimale werking van de diverse geurverwijderingselementen. Tot slot betoogt hij dat de wijze van composteren niet overeen stemt met de in de aanvraag en het bestreden besluit gegeven beschrijvingen van het composteerproces.

2.7.1. Verweerder heeft ter invulling van zijn beoordelingsvrijheid ten aanzien van het aspect geur aansluiting gezocht bij de Nederlandse Emissierichtlijnen Lucht (hierna: de NeR), waarin in paragraaf 3.3 onder G4 een bijzondere regeling is opgenomen voor GFT-compostering. In die regeling wordt onder meer gesteld dat de geurimmissieconcentratie van bestaande composteerbedrijven ter plaatse van de dichtstbijzijnde woonbebouwing of van andere geurgevoelige objecten niet meer mag bedragen dan 6 ge/m3 (als 98 percentiel). Het standaardpakket aan maatregelen moet worden toegepast.

2.7.2. De gestelde geurgrenswaarden, zoals die zijn vastgelegd in een geurcontour, zijn ontleend aan de waarde uit de genoemde regeling. Of het aan die contour ten grondslag liggende onderzoek volledig en juist is en of die contour geheel overeenstemt met die waarde, kan de Voorzitter op grond van de beschikbare gegevens niet vaststellen. Daartoe dient nader onderzoek plaats te vinden, hetgeen het kader van deze procedure te buiten gaat. In het kader van de af te wegen belangen overweegt de Voorzitter het volgende. Ter zitting is uiteengezet waarom bij de voorbewerking en nacompostering is afgeweken van het standaardpakket aan maatregelen, door van afdekking af te zien. De Voorzitter acht die toelichting niet onaannemelijk. Daarbij is naar voren gebracht dat zo nodig de maatregelen uit de bijzondere regeling alsnog getroffen kunnen worden, zonder ingrijpende wijzigingen in de procesvoering en bedrijfsvoering. Verder is gebleken dat bepaalde onderdelen van het proces overdekt zullen worden uitgevoerd. Dit in aanmerking genomen, ziet de Voorzitter, in afweging van de betrokken belangen, geen aanleiding voor het oordeel dat in afwachting van de behandeling van de bodemprocedure zodanige geurhinder vanwege de inrichting zal optreden, dat een voorlopige voorziening moet worden getroffen.

2.8. Verzoeker vreest stofoverlast ten gevolge van de opslag van gerede compost en de in verband daarmee uitgevoerde activiteiten. Hij voert aan dat de opslag van gerede compost niet in overeenstemming is met de vergunningaanvraag, omdat een grotere hoeveelheid hiervan wordt opgeslagen dan is aangevraagd.

2.8.1. Ter voorkoming dan wel beperking van stofoverlast vanwege de inrichting zijn, voorzover in verband met de opslag van gerede compost van belang, de voorschriften 5.1, 5.2b, 5.3a en 5.3c aan de vergunning verbonden.

In voorschrift 5.1 is, kort weergegeven, bepaald dat buiten een afstand van 2 meter van diverse opslagen van vaste stoffen en de locaties waarop wordt be- en verwerkt geen visueel waarneembare stofverspreiding vanwege deze activiteiten mag optreden, dat bij transport de stoffen zodanig worden ingesloten dat het vrijkomen van stof wordt voorkomen dan wel zoveel mogelijk wordt beperkt en dat wanneer stofhinder buiten de inrichting optreedt of kan optreden door vergunninghoudster doeltreffende maatregelen dienen te worden getroffen om de oorzaak van de hinder weg te nemen dan wel te voorkomen.

In voorschrift 5.2b is, kort weergegeven, bepaald dat de opslag van gerede compost dient plaats te vinden binnen de daarvoor bestemde overdekte ruimte en dat bij de entree van deze ruimte een doelmatige voor direct gebruik gerede vernevelingsinstallatie aanwezig dient te zijn en dat buiten 2 meter afstand van de entree geen visueel waarneembare stofverspreiding vanwege deze activiteiten mag optreden.

In voorschrift 5.3a is, kort weergegeven en voorzover thans van belang, bepaald dat op het terrein van de inrichting een doelmatige en voor direct gebruik gerede mobiele sproei-installatie aanwezig zijn.

In voorschrift 5.3c is, kort weergegeven, bepaald dat aanvoer, afvoer, overslag en transport van compost en andere stuivende (afval)stoffen in de buitenlucht door middel van niet geheel gesloten systemen, moet worden gestaakt bij een overschrijding van een windsnelheid van 20m/s.

2.8.2. De Voorzitter stelt allereerst vast dat in de aanvraag is vermeld dat de maximale opslagcapaciteit van gerede compost ongeveer 6000 m3 bedraagt en dat deze opslagcapaciteit tevens is vergund, nu in het aan de vergunning verbonden voorschrift 1.3, voor zover hier relevant, is bepaald dat de aanvraag, deel uitmaakt van het besluit en de opslagcapaciteit in andere voorschriften niet is beperkt. Hieraan doet niet af dat in de aanvraag is vermeld dat normaliter ongeveer 1000 m3 gerede compost in de inrichting zal worden opgeslagen.

Gelet op hetgeen in de aan de vergunning verbonden voorschriften is voorgeschreven ziet de Voorzitter voorshands geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze voorschriften toereikend zijn ter voorkoming dan wel beperking van stofoverlast vanwege de opslag van gerede compost in de inrichting.

2.8.3. Ook hetgeen verzoeker naar voren heeft gebracht met betrekking tot de overlast van vogels ten gevolge van het composteren, geeft de Voorzitter, gelet op het aan de vergunning verbonden voorschrift 3.29, geen aanknopingspunten voor het oordeel dat onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, vergt dat een voorlopige voorziening wordt getroffen.

2.9. Gelet op het bovenstaande, ziet de Voorzitter, in afweging van de betrokken belangen, geen aanleiding om het verzoek om de capaciteit te beperken tot 24.000 ton per jaar, in te willigen.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.A.G. Stolker, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Stolker

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2003

157-372.