Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AI1732

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-08-2003
Datum publicatie
02-09-2003
Zaaknummer
200304052/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 november 2002, kenmerk 02.5252, heeft verweerder afwijzend beslist op het verzoek van verzoekers om toepassing van bestuurlijke handhavingsmaatregelen met betrekking tot de slacht- en slagerijactiviteiten van de [vergunninghoudster], gevestigd op het perceel [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200304052/2.

Datum uitspraak: 26 augustus 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekers], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Haaksbergen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 november 2002, kenmerk 02.5252, heeft verweerder afwijzend beslist op het verzoek van verzoekers om toepassing van bestuurlijke handhavingsmaatregelen met betrekking tot de slacht- en slagerijactiviteiten van de [vergunninghoudster], gevestigd op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 13 mei 2003, verzonden op 14 mei 2003, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 23 juni 2003, bij de Raad van State ingekomen op 24 juni 2003, beroep ingesteld.

Bij deze brief hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 11 augustus 2003, waar verzoekers in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. R.H. Willems en ing. H.J. Richters, beiden ambtenaar bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [vergunninghoudster] daar gehoord, vertegenwoordigd door [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Verzoekers hebben verweerder verzocht handhavend op te treden tegen het door [vergunninghoudster] zonder vergunning krachtens de Wet milieubeheer uitvoeren van slacht- en slagerijactiviteiten op bovengenoemd perceel.

2.3. Verzoekers menen dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van het toepassen van bestuurlijke handhavingsmaatregelen. Zij voeren, kort weergeven, aan dat zij geluid- en geurhinder ondervinden ten gevolge van de slacht- en slagerijactiviteiten. Zij achten het niet aannemelijk dat binnen afzienbare termijn aan [vergunninghoudster] een vergunning krachtens de Wet milieubeheer zal worden verleend.

2.3.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij in redelijkheid heeft kunnen afzien van handhavend optreden. In de considerans van het bestreden besluit overweegt hij dat [vergunninghoudster] terzake van de slacht- en slagerijactiviteiten een aanvraag om een vergunning krachtens de Wet milieubeheer heeft ingediend en dat op voorhand niet kan worden gesteld dat deze vergunning niet kan worden verleend.

2.3.2. Vaststaat, en dit wordt door partijen overigens ook niet betwist, dat de eerdergenoemde slacht- en slagerijactiviteiten zonder de daartoe vereiste vergunning krachtens de Wet milieubeheer worden uitgevoerd. Verweerder is in beginsel dan ook bevoegd daartegen handhavend op te treden.

Uit de stukken blijkt dat [vergunninghoudster] op 12 maart 2003 een aanvraag om een vergunning krachtens de Wet milieubeheer bij verweerder heeft ingediend. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat het ontwerpbesluit op de aanvraag naar verwachting in week 34 ter inzage zal worden gelegd. Dit ontwerpbesluit strekt tot verlening van de vergunning. Gelet op deze omstandigheid ziet de Voorzitter voldoende grond voor het oordeel dat legalisatie van de slacht- en slagerijactiviteiten binnen afzienbare termijn te verwachten valt. Verweerder heeft na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid kunnen afzien van handhavend optreden.

2.4. Gelet op het vorenstaande wijst de Voorzitter het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Van Heusden

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2003

163-404.