Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AI1489

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-08-2003
Datum publicatie
27-08-2003
Zaaknummer
200301553/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 januari 2003, kenmerk SMO-TMR 0240000076, heeft verweerder twee op grond van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit) voor de inrichting van de besloten vennootschap “Multifunctioneel Complex d’r Pool B.V.”, gelegen op de percelen Putgang 6-8 en Kapellaan 13 te Kerkrade, geldende nadere eisen ingetrokken, alsmede de op grond van het Besluit voor onderhavige inrichting geldende nadere eis terzake van de openingstijden van de tot de inrichting behorende parkeergarage gewijzigd. Dit besluit is op 30 januari 2003 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200301553/1.

Datum uitspraak: 27 augustus 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten sub 1] en anderen, wonend te [woonplaats], en

[appellanten sub 2], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 januari 2003, kenmerk SMO-TMR 0240000076, heeft verweerder twee op grond van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit) voor de inrichting van de besloten vennootschap “Multifunctioneel Complex d’r Pool B.V.”, gelegen op de percelen Putgang 6-8 en Kapellaan 13 te Kerkrade, geldende nadere eisen ingetrokken, alsmede de op grond van het Besluit voor onderhavige inrichting geldende nadere eis terzake van de openingstijden van de tot de inrichting behorende parkeergarage gewijzigd. Dit besluit is op 30 januari 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 7 maart 2003, bij de Raad van State ingekomen op 10 maart 2003, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 8 april 2003.

Bij brief van 6 mei 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 juli 2003, waar van appellanten [appellant sub 2], in persoon, en bijgestaan door mr. H.G.M.F. Rothkranz, advocaat te Maastricht, en verweerder, vertegenwoordigd door T.H.M. Mertens en S.M.E.L. Lemmens, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [deskundige] daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 20.10, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Appellanten hebben de gronden inzake het bezwaar dat het door verweerder gehanteerde akoestisch onderzoek ten onrechte beperkt is tot de woning aan de [locatie] en het bezwaar dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte niet ingaat op de overschrijding door de inrichting van de voorkeursgrenswaarde uit de Circulaire beoordeling geluidhinder wegverkeer in verband met vergunningverlening Wet milieubeheer niet als bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellanten redelijkerwijs niet kan worden verweten op deze punten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.2. Ingevolge artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer is het verboden zonder daartoe verleende vergunning een inrichting: a. op te richten; b. te veranderen of de werking daarvan te veranderen; c. in werking te hebben. Ingevolge het tweede lid van dit artikel geldt het verbod niet met betrekking tot inrichtingen behorende tot een categorie die bij een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 8.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer is aangewezen, behoudens in gevallen waarin, krachtens de tweede volzin van dat lid, de bij die maatregel gestelde regels niet gelden voor een zodanige inrichting.

Op 1 oktober 1998 is het Besluit in werking getreden. Het Besluit is een algemene maatregel van bestuur krachtens evengenoemd artikel 8.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer.

In artikel 7, eerste lid, van het Besluit is bepaald dat voor een inrichting die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit reeds was opgericht en waarvoor onmiddellijk daaraan voorafgaand een vergunning gold, de voorschriften van die vergunning blijven gelden als nadere eis, bedoeld in artikel 5, behoudens eerdere wijziging of intrekking van die voorschriften, gedurende drie jaar na het tijdstip van het van toepassing worden van dit besluit op die inrichting mits het voorschrift betrekking heeft op een onderwerp dat is genoemd in artikel 5, eerste lid, van het Besluit.

Artikel 5, derde lid, van het Besluit bepaalt dat nadere eisen kunnen worden gewijzigd of ingetrokken indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet.

2.3. Bij besluit van 2 september 1996 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap “Multifunctioneel Complex d’r Pool B.V.” een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een zwembad, sauna, fitnessruimte, kegel- en bowlingbanen, bibliotheek, gymzaal en parkeergarage op de percelen Putgang 6-8 en Kapellaan 13 te Kerkrade. In het dictum van voornoemd besluit is bepaald dat de aan voornoemde vergunning ten grondslag liggende aanvraag deel uitmaakt van de vergunning. In deze aanvraag is vermeld dat maximaal vier busbewegingen gedurende de dagperiode plaatsvinden, dat voertuigen die uitgerust zijn met koelmotoren, welke tijdens het laden en lossen en/of parkeren in werking dienen te zijn, de inrichting niet aandoen, alsmede dat de tot de inrichting behorende parkeergarage geopend is van 08.00 tot 21.00 uur.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder twee voor de onderhavige inrichting ingevolge het Besluit geldende nadere eisen ingetrokken, te weten de nadere eis dat maximaal vier busbewegingen per dag gedurende de dagperiode van 07.00 tot 19.00 uur van en naar de inrichting mogen plaatsvinden en de nadere eis dat voertuigen die zijn uitgerust met koelmotoren de inrichting niet mogen aandoen. Daarnaast heeft verweerder bij het bestreden besluit de nadere eis terzake van de openingstijden van de tot de inrichting behorende parkeergarage gewijzigd in dier voege, dat deze ook na 21.00 uur geopend mag zijn.

2.3.1. Het beroep van appellanten richt zich op de drie bij het bestreden besluit ingetrokken respectievelijk gewijzigde nadere eisen.

2.3.2. Gelet op de artikelen 2 en 3 van het Besluit, zoals gewijzigd per 1 december 2001, is het Besluit op de onderhavige inrichting van toepassing. Dit betekent dat met ingang van 1 december 2001 de vergunningplicht voor deze inrichting is komen te vervallen.

In haar uitspraak van 29 april 1999, no. E03.95.1787 (aangehecht) heeft de Afdeling overwogen dat in de gevallen waarin de aanvraag deel uitmaakt van de vergunning, onder de term “voorschriften” in artikel 7, eerste lid, van het Besluit, ook moeten worden begrepen de in de aanvraag van de vergunning vermelde gegevens die in de vorm van voorschriften aan een vergunning kunnen worden verbonden. Voorts heeft de Afdeling in voornoemde uitspraak overwogen dat, gelet op het systeem van het Besluit, alleen de aan de vergunning verbonden voorschriften die betrekking hebben op een onderwerp dat is genoemd in artikel 5, eerste lid, van het Besluit, en die naar hun inhoud krachtens het Besluit als nadere eis kunnen worden vastgesteld, kunnen vallen onder de werking van artikel 7, eerste lid, van het Besluit.

Ten aanzien van de onderwerpen die zijn genoemd in onderdeel b van het eerste lid van artikel 5 van het Besluit, zo overwoog de Afdeling in voornoemde uitspraak, kunnen nadere eisen worden gesteld indien dat in het belang van de bescherming van het milieu bijzonder is aangewezen. Voor deze categorie nadere bepalingen geldt derhalve dat ze slechts worden opgenomen indien dat “bijzonder is aangewezen”. Wat de voorschriften betreft die aan bestaande vergunningen zijn verbonden, staat vast dat ze niet zijn gesteld op grond van het criterium dat het vanwege het belang van de bescherming van milieu bijzonder is aangewezen. Daarom leent artikel 7, eerste lid, van het Besluit zich niet voor toepassing op bestaande vergunningvoorschriften die betrekking hebben op de onderwerpen die zijn genoemd in artikel 5, eerste lid, onder b, van het Besluit.

2.3.3. Voorzover het bestreden besluit betrekking heeft op de nadere eisen terzake van de busbewegingen en de voertuigen met koelmotoren merkt de Afdeling op, dat deze betrekking hebben op een onderwerp genoemd in artikel 5, eerste lid, onder b, van het Besluit. Gelet op het bepaalde in voorschrift 4.1.4 van de Bijlage behorende bij het Besluit geeft het Besluit niet de mogelijkheid om nadere eisen te stellen met betrekking tot deze onderwerpen. Overeenkomstig hetgeen de Afdeling in de uitspraak van 29 april 1999 heeft geoordeeld, vallen deze nadere eisen, zoals ingetrokken bij het bestreden besluit, niet onder de werking van artikel 7, eerste lid, van het Besluit. Gelet hierop is het bestreden besluit in zoverre in strijd met artikel 5, derde lid, van het Besluit genomen.

2.3.4. Voorzover het bestreden besluit betrekking heeft op het wijzigen van de nadere eis terzake van de openingstijden van de parkeergarage overweegt de Afdeling dat deze nadere eis betrekking heeft op een onderwerp genoemd in artikel 5, eerste lid, onder a, van het Besluit, en voorschrift 4.1.4 van de Bijlage behorende bij het Besluit, waarin is bepaald dat, voorzover hier van belang, het bevoegd gezag een nadere eis kan stellen ten aanzien van de periode van openstelling van een tot de inrichting behorend parkeerterrein.

2.3.5. Appellanten betogen dat verweerder terzake van de verruimde openingstijden van de parkeergarage onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de akoestische gevolgen hiervan. Zo zou verweerder niet hebben onderzocht wat het aantal personenautobewegingen is en heeft verweerder ten onrechte geen akoestisch onderzoek gedaan naar de door de inrichting veroorzaakte geluidbelasting in de avond- en nachtperiode.

2.3.6. Verweerder stelt dat de ingang van de parkeergarage gelegen is aan een relatief drukke weg. Voorts stelt verweerder dat met de verruiming van de openingstijden van de parkeergarage gemiddeld nog zo’n 40 personenauto’s de parkeergarage na 21.00 uur verlaten, hetgeen ten opzichte van de 250 personenautobewegingen uit de vergunning van 2 september 1996 slechts een relatieve toename van de door de inrichting te veroorzaken geluidbelasting betekent.

2.3.7. De Afdeling overweegt dat ter zitting is komen vast te staan dat de binnen de inrichting aanwezige voorzieningen ook voor bezoekers toegankelijk zijn buiten de op grond van de vergunning van 2 september 1996 vergunde openingstijden. De Afdeling is van oordeel dat gedurende de tijdsduur dat deze voorzieningen geopend zijn, het in de rede ligt dat de parkeergarage eveneens toegankelijk is.

Voorts overweegt de Afdeling dat ter zitting is komen vast te staan dat alleen bezoekers van de inrichting van de parkeergarage gebruik kunnen maken en deze niet algemeen toegankelijk is.

Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is de Afdeling van oordeel dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat het verruimen van de openingstijden van de parkeergarage tot onaanvaardbare geluidoverlast zal leiden.

Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat artikel 5, derde lid, van het Besluit niet aan het wijzigen van de nadere eis terzake van de parkeergarage in de weg staat. Dit beroepsonderdeel faalt.

2.4. Appellanten betogen dat ten onrechte een akoestisch onderzoek naar de totale door de inrichting te veroorzaken geluidbelasting ontbreekt.

2.4.1. De Afdeling overweegt dat het bestreden besluit slechts betrekking heeft op een aantal specifieke aan de inrichting toe te rekenen geluidactiviteiten en derhalve niet op de gehele door de inrichting te veroorzaken geluidbelasting. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat deze beroepsgrond reeds hierom geen doel treft.

2.5. Appellanten hebben zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de tegen het ontwerp van het besluit ingebrachte bedenkingen. In de considerans van het bestreden besluit is verweerder ingegaan op deze bedenkingen. Appellanten hebben noch in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende bedenkingen in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Ook voor het overige is niet gebleken dat die weerlegging van de bedenkingen onjuist zou zijn. Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.6. Het beroep is, voorzover ontvankelijk, gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voorzover het betreft het intrekken van de nadere eis met betrekking tot vier busbewegingen per dag gedurende de dagperiode van 07.00 tot 19.00 uur alsmede het intrekken van de nadere eis met betrekking tot het verbod dat voertuigen die zijn uitgerust met koelmotoren de inrichting niet zouden mogen aandoen. Het beroep is voor het overige ongegrond.

2.7. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Het verzoek van appellanten om verweerder te veroordelen in de kosten van het opmaken van meerdere deskundigenverslagen, waaraan volgens appellanten 34,5 uren zijn besteed, wordt gedeeltelijk toegewezen. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat, gelet op de datum van 27 oktober 2002 van het eerste deskundigenverslag, de kosten van de door appellanten ingeschakelde deskundige niet volledig zijn gemaakt in verband met de behandeling van het voorliggende beroep, zodat de Afdeling aanleiding ziet om de veroordeling van verweerder in de kosten van het opmaken van de deskundigenverslagen te beperken tot een bedrag dat overeenkomt met 15 besteden uren.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voorzover het de gronden betreft inzake het bezwaar dat het door verweerder gehanteerde akoestisch onderzoek ten onrechte beperkt is tot de woning aan de [locatie] en het bezwaar dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte niet ingaat op de overschrijding door de inrichting van de voorkeursgrenswaarde uit de Circulaire beoordeling geluidhinder wegverkeer in verband met vergunningverlening Wet milieubeheer;

II. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade van 21 januari 2003, kenmerk SMO-TMR 0240000076, voorzover het betreft het intrekken van de nadere eis met betrekking tot vier busbewegingen per dag gedurende de dagperiode van 07.00 tot 19.00 uur alsmede het intrekken van de nadere eis met betrekking tot het verbod dat voertuigen die zijn uitgerust met koelmotoren de inrichting niet zouden mogen aandoen;

IV. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1117,88 waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de gemeente Kerkrade te worden betaald aan appellanten;

VI. gelast dat de gemeente Kerkrade aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 232,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Voorzitter, en mr. M. Oosting en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van

mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Plambeck

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2003

312-443.