Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AI1485

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-08-2003
Datum publicatie
27-08-2003
Zaaknummer
200301423/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 maart 2002, kenmerk 02-3.670-MOW/RR, heeft verweerder een verzoek om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot een inrichting op het perceel [locatie] te [plaats], afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200301423/1.

Datum uitspraak: 27 augustus 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Hoogeveen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 maart 2002, kenmerk 02-3.670-MOW/RR, heeft verweerder een verzoek om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot een inrichting op het perceel [locatie] te [plaats], afgewezen.

Bij besluit van 28 januari 2003, kenmerk 02-22.238-MOW/RR, verzonden op dezelfde datum, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 5 maart 2003, bij de Raad van State ingekomen op 6 maart 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 17 april 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nog stukken ontvangen van appellanten en [partij]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 augustus 2003, waar appellanten in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door W.A. ter Wal en E.J.H. Claassen, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer (hierna: het Besluit) is op de inrichting van toepassing. Op de inrichting zijn derhalve de grenswaarden van voorschrift 1.1.1 van onderdeel B van de Bijlage behorende bij het Besluit van toepassing.

2.2. Appellanten hebben bij brief van 21 februari 2002 een verzoek om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen ingediend omdat zij stellen geluidhinder te ondervinden vanwege het gebruik van een LPG vorkheftruck op het terrein van de inrichting. Zij betogen dat verweerder er ten onrechte van uitgaat dat wordt voldaan aan de in voorschrift 1.1.1 gestelde grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT). Zij voeren in dit verband aan dat verweerder ten onrechte de representatieve bedrijfssituatie niet van invloed heeft geacht op de meetresultaten. Verder betogen appellanten dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid omdat de door Vorktrucks Holland B.V. verrichte metingen, die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen, slecht zijn gedocumenteerd, terwijl ten aanzien van de metingen van Stroop raadgevende ingenieurs onduidelijk is of is gemeten bij maximum vermogen van de heftruck. De desbetreffende rapportages voldoen volgens appellanten ten onrechte niet aan de criteria gesteld in de Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999 (hierna: de Handleiding 1999). Ten slotte stellen appellanten dat verweerder, gelet op de omstandigheden van het geval en gelet op het ALARA-beginsel, nadere eisen ten aanzien van geluid had moeten stellen. Verweerder betoogt volgens appellanten ten onrechte dat het ALARA-beginsel niet van toepassing is omdat aan de geluidnormen wordt voldaan.

2.3. Verweerder voert aan dat de bedrijfssituatie die hij bij zijn beoordeling heeft betrokken, representatief te achten is. Tijdens een controle is niet gebleken dat sprake is van een structurele wijziging daarvan.

Verweerder stelt verder dat het akoestisch onderzoek, dat uitsluitend is uitgevoerd om het bronvermogen van de aangeschafte vorkheftruck te bepalen, wel is uitgevoerd overeenkomstig de Handleiding 1999. De metingen zijn volgens verweerder goed gedocumenteerd. Wat het betoog van appellanten betreft dat verweerder nadere eisen had moeten stellen, merkt hij op dat, omdat geen nadere eisen zijn gesteld, het verzoek om handhaving van appellanten daarop geen betrekking kan hebben. Bovendien houdt het ALARA-beginsel, gelet op de jurisprudentie, niet in dat het bevoegd gezag eisen mag stellen die verder gaan dan de in wetgeving neergelegde normeringen, aldus verweerder.

2.4. Bij de beoordeling van het geluid vanwege de vorkheftruck heeft verweerder zich gebaseerd op een door Stroop raadgevende ingenieurs opgesteld akoestisch rapport van 5 september 2001. Tevens zijn op 5 maart 2002 door Vorktrucks Holland B.V. op diverse plaatsen langs de erfafscheiding metingen verricht en zijn op 8 juli 2002 door Stroop raadgevende ingenieurs metingen verricht. Het is de Afdeling, op grond van hetgeen appellanten hebben aangevoerd, niet gebleken dat de in het akoestisch rapport van 5 september 2001 gehanteerde bedrijfssituatie niet representatief is te achten. Wat het betoog van appellanten betreft dat de door Vorktrucks Holland B.V. verrichte metingen slecht zijn gedocumenteerd, overweegt de Afdeling dat, wat hier ook van moge zijn, verweerder over voldoende goed gedocumenteerde resultaten van de andere metingen beschikte om te kunnen beoordelen of aan de toepasselijke geluidgrenswaarden wordt voldaan. Op grond van hetgeen is aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de metingen van Stroop raadgevende ingenieurs niet voldoen aan de Handleiding 1999. De Afdeling is van oordeel dat verweerder, gelet op de stukken, op goede gronden heeft geconcludeerd dat de grenswaarden gesteld in voorschrift 1.1.1 niet worden overtreden. Verweerder heeft derhalve terecht geconcludeerd niet bevoegd te zijn om bestuurlijke handhavingsmiddelen toe te passen. Hij heeft het tegen het besluit van 27 maart 2002 ingediende bezwaar daarom terecht ongegrond verklaard.

Wat het betoog van appellanten betreft dat verweerder, gelet op het ALARA-beginsel, nadere eisen had moeten stellen, overweegt de Afdeling dat dit geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van het ter beoordeling bestaande besluit en om die reden niet kan slagen.

2.5. Het beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van Staat.

w.g. Beekhuis w.g. Kuipers

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2003

271-415.