Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AI1482

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-08-2003
Datum publicatie
27-08-2003
Zaaknummer
200301312/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 november 2001 heeft appellant (hierna: het college) geweigerd handhavend op te treden tegen het gebruik van de houten bebouwing achter het perceel [locatie] te [plaats] voor kantoordoeleinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200301312/1.

Datum uitspraak: 27 augustus 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank te Arnhem van 24 januari 2003 in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 november 2001 heeft appellant (hierna: het college) geweigerd handhavend op te treden tegen het gebruik van de houten bebouwing achter het perceel [locatie] te [plaats] voor kantoordoeleinden.

Bij besluit van 26 april 2002 heeft het college het daartegen door [verzoeker] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 januari 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen door [verzoeker] ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en het college opgedragen binnen acht weken na verzending van de uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief van 28 februari 2003, bij de Raad van State ingekomen op 3 maart 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 15 april 2003 heeft [verzoeker] van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 augustus 2003, waar het college, vertegenwoordigd door mr. S.G. Blasweiler en mr. P. Vellinga, ambtenaren van de gemeente, en [verzoeker], bijgestaan door mr. J.P. Klaassen, gemachtigde, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het hoger beroep richt zich uitsluitend tegen nader aangeduide overwegingen die de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft opgenomen onder de vermelding dat deze “voor dit geding ten overvloede (…) met het oog op de nieuwe beslissing die verweerder op het bezwaar van eiser dient te nemen” gegeven zijn.

2.2. De rechtbank heeft uitdrukkelijk aangegeven dat deze overwegingen ten overvloede zijn gegeven. Zij zijn derhalve niet dragend voor het dictum van de aangevallen uitspraak en het college is hier bij het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar, anders dan het meent, niet aan gebonden. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat het college geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep.

2.3. Het hoger beroep is derhalve niet-ontvankelijk.

2.4. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten van [verzoeker] te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen in de door [verzoeker] in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Nijmegen te worden betaald aan [verzoeker].

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Roelfsema

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2003

378.