Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AI1470

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-08-2003
Datum publicatie
27-08-2003
Zaaknummer
200300964/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 augustus 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Veere (hierna: het college) appellante op straffe van een dwangsom gelast niet langer bedrijfsmatig dranken, etenswaren en ijs in het pand [locatie] te [plaats] (hierna: het pand) te verstrekken, waaronder begrepen de verstrekking van deze waren bij wijze van loketverkoop.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200300964/1.

Datum uitspraak: 27 augustus 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Middelburg van 7 januari 2003 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Veere.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 augustus 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Veere (hierna: het college) appellante op straffe van een dwangsom gelast niet langer bedrijfsmatig dranken, etenswaren en ijs in het pand [locatie] te [plaats] (hierna: het pand) te verstrekken, waaronder begrepen de verstrekking van deze waren bij wijze van loketverkoop.

Bij besluit van 16 april 2002 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar gegrond verklaard, voorzover de last op de loketverkoop is gericht en voor het overige ongegrond.

Bij uitspraak van 7 januari 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Middelburg (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 februari 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 28 april, heeft het college een reactie op het hoger beroepschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 juli 2003, waar appellante in persoon, bijgestaan door [gemachtigde] het college, vertegenwoordigd door F.R. Streng en mr. W. Boogaard, beiden ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het bestemmingsplan “Beschermd Stadsgezicht” rust op de gronden, waarop het pand zich bevindt, de bestemming “Detailhandel/Wonen”.

Ingevolge artikel 1.9 van de planvoorschriften wordt onder detailhandel verstaan de bedrijfsmatige verkoop (de uitstalling of aanbieding ten verkoop daaronder begrepen) en/of levering van goederen aan de uiteindelijke verbruiker of gebruiker.

Ingevolge artikel 1.14 wordt onder een café verstaan een bedrijf waar men alcoholhoudende- en andere dranken gebruikt, eventueel gecombineerd met de exploitatie van zaalaccomodatie.

Ingevolge artikel 1.15 wordt onder een restaurant verstaan een bedrijf waar men maaltijden (en daarbij dranken) gebruikt, eventueel gecombineerd met de exploitatie van zaalaccomodatie.

Ingevolge artikel 1.17 wordt onder een snackbar verstaan een bedrijf waar men etenswaren (geen maaltijden) en dranken kan verkrijgen (uitsluitend loketverkoop).

Ingevolge artikel 8 mogen, voor zover thans van belang, de gronden met de bestemming detailhandel met inachtneming van de op de kaart aangegeven subbestemming uitsluitend worden gebruikt voor de vestiging van detailhandelsactiviteiten, alsmede voor naar aard en omvang daarmee vergelijkbare vestigingen voor de verrichting van diensten aan of ten gerieve van het publiek.

Ingevolge artikel 32 is het verboden de in het plan begrepen gronden en gebouwen anders te gebruiken dan in overeenstemming met de aangegeven bestemming.

2.2. De Afdeling begrijpt het eerste betoog van appellante aldus, dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet handhavend kon optreden tegen het in de last omschreven gebruik, omdat dit niet strijdig is met de ter plaatse geldende bestemming “detailhandel”, als bedoeld in artikel 8 van de planvoorschriften.

Dit betoog faalt. Appellante legt zich, naast de verkoop van kaarten en cadeau-artikelen, grotendeels toe op de verkoop voor onmiddellijke consumptie van schepijs, warme dranken en andere etenswaren. Deze verkoop vindt gedeeltelijk binnen plaats en verder vanuit een loket aan de buitenzijde van het pand. Ten tijde van het besluit van 1 augustus 2001 was in het pand zitgelegenheid aanwezig. Deze is ook in het concept-ondernemingsplan, dat appellante in september 2000 aan de gemeente heeft gestuurd, opgenomen. Voorzover de verkoop van drank- en etenswaren plaatsvindt via het loket, is sprake van de exploitatie van een snackbar, als bedoeld in artikel 1.17 van de planvoorschriften. Ook verder is sprake van het bedrijfsmatig verstrekken van dranken en etenswaren, teneinde deze ter plaatse te nuttigen en kunnen de activiteiten niet als detailhandel in evenbedoelde zin worden aangemerkt.

Uit een door appellante overgelegde accountantsverklaring van 27 mei 2003, komt verder naar voren dat van de totale omzet over 2001 1,89% is behaald uit de verkoop van kaarten en cadeau-artikelen.

Een en ander leidt tot de conclusie dat geen sprake is van detailhandel, als bedoeld in artikel 8 van de planvoorschriften. Dat appellante, naar zij stelt, als openingstijden de winkeltijden aanhoudt, de verkeersaantrekkende werking niet met die van horeca gelijk is te stellen en er van lawaai of andere overlast geen sprake is, doet daaraan niet af.

De conclusie is dat de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat het in de last omschreven gebruik in strijd is met het bepaalde in artikel 8 van de planvoorschriften en dat het college daartegen handhavend kon optreden.

2.3. Alleen in bijzondere gevallen mag het bestuursorgaan niet handhavend optreden tegen een illegale situatie, als hier aan de orde. Een zodanig bijzonder geval kan onder meer worden aangenomen, indien concreet zicht bestaat op legalisering.

2.4. Het betoog van appellante dat de rechtbank heeft miskend dat concreet zicht bestaat op legalisering van het illegale gebruik, aangezien het college in redelijkheid gehouden was vrijstelling te verlenen krachtens artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, faalt. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geconcludeerd dat ten tijde van het besluit op bezwaar geen zicht op legalisering bestond, aangezien het college bij besluit van 11 december 2001 besloten heeft geen medewerking te verlenen aan een verzoek van appellante om vrijstelling te verlenen.

2.5. De rechtbank heeft voorts terecht en op goede gronden overwogen dat het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel faalt, omdat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door haar in dat verband vermelde gevallen gelijk zijn aan haar eigen situatie of daarmee gelijk te stellen.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. M. Vlasblom en mr. P.A. Offers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Haan, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Haan

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2003

27-439.