Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AI1468

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-08-2003
Datum publicatie
27-08-2003
Zaaknummer
200300862/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 augustus 2002 heeft de burgemeester van Bodegraven (hierna: de burgemeester) de aan appellant afgegeven rijbewijzen met

nrs. [A], [B] en [C] voor de categorie B ongeldig verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200300862/1.

Datum uitspraak: 27 augustus 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te

's-Gravenhage van 17 januari 2003 in het geding tussen:

appellant

en

de burgemeester van Bodegraven.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 augustus 2002 heeft de burgemeester van Bodegraven (hierna: de burgemeester) de aan appellant afgegeven rijbewijzen met

nrs. [A], [B] en [C] voor de categorie B ongeldig verklaard.

Bij besluit van 13 januari 2003 heeft de burgemeester het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 januari 2003, verzonden op 27 januari 2003, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 6 februari 2003, bij de Raad van State ingekomen op 10 februari 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 28 maart 2003 heeft de burgemeester van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 juli 2003, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. M.R. Mantz, advocaat te Den Haag, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. F.H.M. Fassotte, ambtenaar bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 123, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de WVW) verliest een rijbewijs zijn geldigheid door afgifte van een nieuw rijbewijs dan wel een vervangend rijbewijs.

Ingevolge artikel 124, eerste lid, aanhef en onder a, van de WVW, voorzover hier van belang, wordt een rijbewijs ongeldig verklaard voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, indien het rijbewijs is afgegeven op grond van door de houder verschafte onjuiste gegevens en het niet zou zijn afgegeven indien de onjuistheid van die gegevens ten tijde van de aanvraag bekend zou zijn geweest.

2.2. De burgemeester heeft de ongeldigverklaring van de rijbewijzen van appellant in bezwaar gehandhaafd en heeft deze beslissing gebaseerd - kort samengevat - op de overweging dat de aan appellant tot twee keer toe afgegeven vervangende rijbewijzen door hem zijn aangevraagd onder valse, althans onjuiste voorwendselen. Voor wat betreft de twee door appellant als vermist opgegeven rijbewijzen heeft de burgemeester zich op het standpunt gesteld dat deze vanwege de vervanging daarvan feitelijk hun geldigheid al van rechtswege hadden verloren op grond van artikel 123, eerste lid, aanhef en onder a, van de WVW.

2.3. De Afdeling stelt voorop dat de enkele mededeling van de burgemeester dat de rijbewijzen met nrs. [A] en [B] hun geldigheid al van rechtswege hebben verloren op grond van artikel 123, eerste lid, aanhef en onder a, van de WVW, geen besluit inhoudt in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Deze mededeling strekt er louter toe appellant te kennen te geven dat het vervallen van genoemde rijbewijzen rechtstreeks voortvloeit uit voormelde bepaling van de WVW. Daarmee ontbeert deze mededeling het karakter van een op rechtsgevolg gericht besluit. Dat de burgemeester tot schriftelijke ongeldigverklaring van de desbetreffende rijbewijzen is overgegaan teneinde de Dienst Wegverkeer in de gelegenheid te stellen dit in haar computersysteem op te nemen, maakt het vorenstaande niet anders. Het bezwaar van appellant, voorzover dit betrekking heeft op de ongeldigverklaring van genoemde rijbewijzen, had derhalve niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. De voorzieningenrechter noch de burgemeester hebben dit onderkend.

2.4. Appellant herhaalt ten aanzien van het rijbewijs met nr. [C] in hoger beroep hoofdzakelijk zijn bij de voorzieningenrechter aangevoerde en door de voorzieningenrechter behandelde betoog. Met de voorzieningenrechter is de Afdeling van oordeel dat gezien het feitenrelaas, waaruit onder meer blijkt dat appellant de (voorlopige) intrekking van zijn rijbewijzen met nrs. [A] en [B] door de Duitse politie heeft verzwegen bij de aanvraag van een vervangend rijbewijs, vaststaat dat appellant tot twee keer toe een vervangend rijbewijs heeft aangevraagd onder valse (althans onjuiste) voorwendselen. Aannemelijk is dat de vervangende rijbewijzen niet zouden zijn afgegeven indien de onjuistheid van de door appellant verstrekte gegevens ten tijde van de aanvraag bekend zou zijn geweest.

De voorzieningenrechter is derhalve met juistheid tot het oordeel gekomen dat de burgemeester het besluit van 29 augustus 2002 tot ongeldigverklaring van het rijbewijs met nr. [C] terecht heeft gehandhaafd.

2.5. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking, voorzover de voorzieningenrechter daarbij heeft nagelaten de beslissing op bezwaar ten aanzien van de rijbewijzen met nrs. [A] en [B] te vernietigen en het door appellant met betrekking tot die rijbewijzen ingestelde bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling in zoverre de beslissing op bezwaar vernietigen en, zelf in de zaak voorziend, het bezwaar van appellant alsnog niet-ontvankelijk verklaren. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd.

2.6. De burgemeester dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage van 17 januari 2003, reg. nrs. AWB 02/4697 BESLU en AWB 03/175 BESLU, voorzover de voorzieningenrechter daarbij heeft nagelaten de beslissing op bezwaar ten aanzien van de rijbewijzen met nrs. [A] en [B] te vernietigen en appellant in zijn bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren;

II. vernietigt het besluit van de burgemeester van Bodegraven van 13 januari 2003, kenmerk WVCBZ/AN/23075.03, voorzover appellant daarbij in zijn bezwaar met betrekking tot de rijbewijzen met nrs. [A] en [B] is ontvangen;

III. verklaart het door appellant tegen de ongeldigverklaring van de rijbewijzen met nrs. [A] en [B] ingestelde bezwaar niet-ontvankelijk;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voorzover dit is vernietigd;

V. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

VI. veroordeelt de burgemeester van Bodegraven in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1288,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Bodegraven te worden betaald aan appellant;

VII. gelast dat de gemeente Bodegraven aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 109,00 en € 175,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Zwemstra

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2003

-391.