Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AI1462

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-08-2003
Datum publicatie
27-08-2003
Zaaknummer
200300114/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 september 1996, kenmerk H 7946, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan het Openbaar Lichaam “Crematoria Twente” (thans: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “Crematoria Twente/Oost Nederland B.V.”; hierna: vergunninghoudster) een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een crematorium op het adres Usselerrietweg 40 te Enschede.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.11
Wet bodembescherming
Wet bodembescherming 6
Wet bodembescherming 13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2005/258
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200300114/1.

Datum uitspraak: 27 agustus 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats], en anderen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Enschede,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 september 1996, kenmerk H 7946, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan het Openbaar Lichaam “Crematoria Twente” (thans: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “Crematoria Twente/Oost Nederland B.V.”; hierna: vergunninghoudster) een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een crematorium op het adres Usselerrietweg 40 te Enschede.

Bij uitspraak van 5 oktober 1999, nummer E03.96.1473, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak dat besluit vernietigd voorzover het betreft voorschrift 8.2.

Bij besluit van 19 januari 2000, kenmerk Wm 1786, heeft verweerder de aan het besluit van 6 september 1996 verleende vergunning verbonden voorschriften in hoofdstuk 8 met betrekking tot asverstrooiing gewijzigd.

Bij uitspraak van 6 november 2002, nummer 200001148/1, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak dit besluit vernietigd. Bij besluit van 25 november 2002, kenmerk Wm 1786, heeft verweerder de aan de bij het besluit van 6 september 1996 verleende vergunning verbonden voorschriften in hoofdstuk 8 met betrekking tot asverstrooiing opnieuw gewijzigd.

Tegen laatstgenoemd besluit hebben appellanten bij brief van 7 januari 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld.

Bij brief van 12 februari 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 augustus 2003, waar appellanten, van wie [appellant] in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door J.P.M. Kleinheerenbrink, ambtenaar van de gemeente zijn verschenen. Voorts is daar vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [gemachtigde], gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.2. Appellanten vrezen bodemverontreiniging door met name zware metalen en fosfaat als gevolg van het verstrooien van crematieas. Zij betogen in dat verband onder verwijzing naar het bepaalde in de artikel 6, tweede lid van de Wet bodembescherming in samenhang met artikel 13 van die wet dat de bij het bestreden besluit aan de vergunning van 6 september 1996 verbonden voorschriften niet toereikend zijn ter bescherming van het milieu. Zij zijn van mening dat optie 4 van de Inspectierichtlijn Wet op de lijkbezorging, uitgave 1999 (hierna: de Inspectierichtlijn) had moeten worden gekozen, hetgeen huns inziens inhoudt dat, kort weergegeven, de verplichting moet worden opgelegd gebruik te maken van wisselstrooivelden met bodemisolatie en drainage van het regenwater, waarbij een asrust van tien jaar in acht genomen wordt.

2.2.1. Verweerder heeft blijkens het bestreden besluit bij de beoordeling van de bodemverontreiniging als gevolg van het verstrooien van crematieas aangesloten bij de aanbevelingen zoals opgenomen in de Inspectierichtlijn.

In paragraaf 7.4.2 van de Inspectierichtlijn wordt geadviseerd voor één van de volgende vier mogelijkheden te kiezen:

1. maximaal 90 verstrooiingen per hectare per jaar, zonder aanvullende maatregelen;

2. maximaal 370 verstrooiingen per hectare per jaar, waarbij eenmaal per 25 jaar controlemetingen moeten worden uitgevoerd;

3. maximaal 3.200 verstrooiingen per hectare per jaar, waarbij de as van de bodem moet kunnen worden verwijderd en eenmaal per vijf jaar controlemetingen moeten worden uitgevoerd;

4. meer dan 3.200 verstrooiingen per hectare per jaar, waarbij zodanig isolerende maatregelen moeten worden getroffen dat op geen enkele wijze as in de bodem kan geraken.

In bijlage 4 van de Inspectierichtlijn worden voor de verschillende opties modelvoorschriften aanbevolen.

2.2.2. Ten aanzien van de gestelde strijd met artikel 6, tweede lid van de Wet bodembescherming in samenhang met artikel 13 van die wet overweegt de Afdeling dat deze artikelen betrekking hebben op de situatie dat bij algemene maatregel van bestuur regels zijn opgesteld ter bescherming van de bodem. Ten aanzien van de onderhavige activiteit bestaat evenwel geen daarop toegespitste algemene maatregel van bestuur. In de Inspectierichtlijn is daarom aansluiting gezocht bij de normering van het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming (hierna: Bouwstoffenbesluit).

Verweerder heeft in voorschrift 8.2 bepaald dat er niet meer dan 3.200 verstrooiingen per hectare per jaar mogen plaats hebben, hetgeen overeenkomt met optie 3 van de Inspectierichtlijn. In de voorschriften 8.3 tot en met 8.5 is, kort samengevat, bepaald dat de concentratie van zware metalen in de toplaag van het strooiveld en het afstromend grondwater en de immissie naar de aangrenzende bodem of oppervlaktewateren niet hoger mogen zijn dan in het Bouwstoffenbesluit gestelde grenswaarden en dat de immissie van fosfaat in de bodem niet hoger mag zijn dan 1.000 mg/m2 per jaar, hetwelk binnen zes maanden na het in werking treden van het bestreden besluit en vervolgens eens per vijf jaar dient te worden onderzocht. In voorschrift 8.6 is bepaald dat bij geconstateerde overschrijdingen van deze normen maatregelen moeten worden genomen ter voorkoming van de verspreiding naar het omringende milieu en dat daarbij de regels van de Wet bodembescherming van toepassing zijn. Tevens dient in dat geval de as van het strooiveld te worden verwijderd volgens de regels van het Bouwstoffenbesluit.

De Afdeling stelt vast dat de voorschriften 8.3 tot en met 8.6 overeenstemmen met de modelvoorschriften in bijlage 4 van de Inspectierichtlijn voor het geval maximaal 3.200 verstrooiingen per hectare per jaar plaatsvinden (optie 3). Er is geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder van het strengere regime van optie 4, welk regime wordt aanbevolen voor een groter aantal asverstrooiingen dan hier vergund, had moeten uitgaan. Wat betreft het door appellanten voorgestane gebruik van wisselvelden overweegt de Afdeling dat dit weliswaar in modelvoorschrift 3.3 van bijlage 4 van de Inspectierichtlijn als extra maatregel wordt aangeraden, maar dat uit de Richtlijn niet blijkt dat deze maatregel zonder meer noodzakelijk wordt geacht ter bescherming van het milieu.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van het oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bij het bestreden besluit aan de vergunning van 6 september 1996 verbonden voorschriften toereikend zijn ter bescherming tegen bodemverontreiniging.

2.3. Het beroep dient ongegrond te worden verklaard.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. B.J. van Ettekoven en mr. P.C.E. van Wijmen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D.A.J. Overdijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Overdijk

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 agustus 2003

320-441.