Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AI1450

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-08-2003
Datum publicatie
27-08-2003
Zaaknummer
200206015/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het college van burgemeester en wethouders van Werkendam (hierna: het college) heeft bij besluit van 23 juli 2002 het wijzigingsplan “Wijzigingsplan IV van het bestemmingsplan Buitenkade/2e gedeelte Buitendijk” vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200206015/1.

Datum uitspraak: 27 augustus 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Het college van burgemeester en wethouders van Werkendam (hierna: het college) heeft bij besluit van 23 juli 2002 het wijzigingsplan “Wijzigingsplan IV van het bestemmingsplan Buitenkade/2e gedeelte Buitendijk” vastgesteld.

Bij besluit van 17 september 2002, kenmerk 850882/861804, heeft verweerder beslist over de goedkeuring van het plan.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 9 november 2002, bij de Raad van State ingekomen op 12 november 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 10 december 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 11 april 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 juni 2003, waar appellanten, in de persoon van [appellant], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. E.F.M. Vos, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn als partij gehoord het college, vertegenwoordigd door J. Nuijten, ambtenaar van de gemeente, en [partij], vertegenwoordigd door mr. P. van der Eijk, gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een wijzigingsplan. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, voorzover hier relevant, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan kan worden gewijzigd binnen bij het plan te bepalen grenzen. Bij de beslissing omtrent goedkeuring van het wijzigingsplan dient verweerder te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven wijzigingsvoorwaarden is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust daarnaast op verweerder de taak om te bezien of het plan binnen de bij het bestemmingsplan bepaalde grenzen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft verweerder erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan overigens niet in strijd zijn met het recht. De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Met het plan wordt beoogd de bouw van een woning aan de zuidzijde van de [locatie], tussen de woningen [locatie] en [locatie] mogelijk te maken.

Verweerder heeft bij het bestreden besluit het plan goedgekeurd.

Ten aanzien van de bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders

2.3. Het wijzigingsplan is blijkens het besluit van het college van 23 juli 2002 vastgesteld met toepassing van artikel II.2, lid E, onder III (lees: II), van de voorschriften van het door de voormalige gemeente Dussen op 1 juli 1982 vastgestelde bestemmingsplan “Buitenkade/2e gedeelte Buitendijk”, waarin aan het college de bevoegdheid is toegekend om, voorzover het betreft de gronden die op de plankaart zijn voorzien van de aanduiding “gebied wijzigingsbevoegdheid”, de bestemming “Woondoeleinden eengezinshuizen Mb” te wijzigen onder meer ten behoeve van de nieuwvestiging van woningen in de categorie eengezinshuizen Mb, met dien verstande dat het bepaalde in de artikelen II.2. en II.4. van overeenkomstige toepassing is.

Het plangebied van het wijzigingsplan is ongeveer 14 meter breed en ongeveer 50 meter diep. Het op de plankaart van het bestemmingsplan “Buitenkade/ 2e gedeelte Buitendijk” ter plaatse aangegeven vlak met de aanduiding “gebied wijzigingsbevoegdheid” is ongeveer 18 meter breed en ongeveer 20 meter diep. Het plangebied van het wijzigingsplan komt derhalve niet overeen met het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft. Gelet hierop is het wijzigingsplan voorzover het de grenzen van het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft overschrijdt, in strijd met artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vastgesteld. Door het plan niettemin in zoverre goed te keuren heeft verweerder gehandeld in strijd met artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan de plandelen van het wijzigingsplan die nader zijn aangeduid op de bij deze uitspraak behorende en als zodanig gewaarmerkte kaart. Nu uit het vorenstaande volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, ziet de Afdeling aanleiding in zoverre aan het wijzigingsplan goedkeuring te onthouden.

Ten aanzien van de zaak voor het overige

2.4. Appellanten wonen aan de [locatie]. Zij betogen dat verweerder het plan ten onrechte heeft goedgekeurd. Daartoe stellen appellanten dat zij er op mochten vertrouwen dat het college geen toepassing zou geven aan de wijzigingsbevoegdheid, gelet op het, naar zij stellen, algemene gemeentelijke uitgangspunt geen nieuwbouw aan de [locatie] toe te staan om verstening daarvan tegen te gaan. Verder voeren zij aan dat hun woongenot en het karakter van het gebied ter plaatse op onaanvaardbare wijze zullen worden aangetast.

2.5. Het college heeft zich onder weerlegging van de zienswijzen van appellanten op het standpunt gesteld dat het wijzigingsplan in overeenstemming is met het gemeentelijk planologisch beleid, dat is voldaan aan de wijzigingsvoorwaarden en dat de in het plan voorziene woning niet leidt tot onevenredig nadeel voor appellanten.

2.6. Verweerder heeft geen aanleiding gezien het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij deelt het standpunt van het college en kan instemmen met de weerlegging van de zienswijzen.

2.7. Het wijzigingsplan beslaat, voorzover bevoegd vastgesteld, een gebied van ongeveer 14 bij 23 meter. Aan het noordelijke deel is de bestemming “Woondoeleinden, eengezinshuizen Mb” toegekend. Hierbinnen is een bouwvlak van ongeveer 7 meter breed en ongeveer 16 meter diep aangeduid. Voor het overige zijn de gronden voorzien van de aanduiding “gebied bijgebouwen toegestaan”.

Ingevolge artikel II, lid A, van de voorschriften van het bestemmingsplan “Buitenkade/2e gedeelte Buitendijk” laat deze bestemming de bouw van vrijstaande woningen dan wel blokken van ten hoogste twee aaneengebouwde woningen toe met de bijbehorende bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. De gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het op de plankaart aangegeven bebouwingsvlak. Overschrijding van het bebouwingsvlak is toegestaan voor bijgebouwen waar op de plankaart de aanduiding “gebied bijgebouwen toegestaan” is aangegeven. De hoogte van een woning, die is gedefinieerd als de afstand van de bovenkant van goot, boeiboord of druiplijn tot aan het gemiddelde maaiveldpeil van het aansluitend afgewerkte terrein, mag ten hoogste 6 meter bedragen. De hoogte van andere gebouwen mag ten hoogste 3 meter bedragen. De breedte van een woning dient ten minste 5 meter te bedragen. Een bouwperceel, waaronder wordt verstaan de aaneengesloten bebouwde en/of onbebouwde grond krachtens het plan behorende bij een bestaand of op te richten bouwwerk of complex van bouwwerken, mag, voorzover samenvallend met de bestemming “Woondoeleinden”, tot ten hoogste 40% worden bebouwd.

Gelet op deze bepalingen kan op het perceel een vrijstaande woning, bestaande uit twee lagen met een kap, worden gebouwd met een voorgevel van 5 meter breed en een zijgevel van 16 meter lang.

2.8. De stelling dat het plan in strijd is met het gemeentelijk beleid baseren appellanten op een door hen overgelegd exemplaar van een raadsbesluit van 25 april 2000 en op een brief van het college van 10 januari 2000 strekkende tot weigering van het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid met betrekking tot het perceel [locatie].

Ten aanzien van het door appellanten overgelegde exemplaar van het raadsbesluit overweegt de Afdeling dat, hoewel dit niet hierop is vermeld, het een conceptbesluit betreft dat niet door de gemeenteraad is bekrachtigd. Voorts heeft het college, in afwijking van zijn eerdere brief van 10 januari 2000, bij besluit van 3 juli 2001 voor het perceel [locatie] alsnog gebruik gemaakt van zijn wijzigingsbevoegdheid. Ook overigens is de Afdeling niet gebleken dat het wijzigingsplan in strijd is met het gemeentelijk planologisch beleid.

2.9. Met betrekking tot de door appellanten gevreesde onaanvaardbare aantasting van het woongenot en het karakter van het gebied ter plaatse overweegt de Afdeling dat met het bestaan van de door verweerder goedgekeurde wijzigingsbevoegdheid, de aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming in beginsel als een gegeven mag worden beschouwd. In zoverre heeft verweerder zich dan ook met het college op het standpunt kunnen stellen dat het mogelijk maken van een woning op de onderhavige gronden in beginsel aanvaardbaar is. Naar het oordeel van de Afdeling neemt dit echter niet weg dat het bij een wijziging gaat om een bevoegdheid en niet om een plicht, zodat het feit dat in een bepaald geval aan de in een bestemmingsplan opgenomen wijzigingsvoorwaarden is voldaan, de verplichting van het college en verweerder onverlet laat om in de besluitvorming omtrent de vaststelling respectievelijk de goedkeuring van een wijzigingsplan na te gaan of gelet op andere betrokken belangen, wijziging van de oorspronkelijke bestemming gerechtvaardigd is.

2.9.1. Uit het deskundigenbericht blijkt dat de breedte van de woning die het plan mogelijk maakt, niet afwijkt van die van de bestaande woningen; de diepte en de hoogte die door het plan mogelijk worden gemaakt, wijken daarentegen wel af met respectievelijk drie tot acht meter en anderhalf tot twee meter. Gelet op het deskundigenbericht en het verhandelde ter zitting ziet de Afdeling evenwel geen aanleiding voor het oordeel dat de bestemmingsplanwijziging zal leiden tot een zodanige aantasting van het woongenot en het karakter van de omgeving waarin het perceel is gelegen zodanig zal veranderen, dat verweerder niet in redelijkheid het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening heeft kunnen achten.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

2.10. Uit het voorgaande volgt dat het beroep voor het overige ongegrond is.

2.11. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 17 september 2002, kenmerk 850882/861804, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan de nader op de bij deze uitspraak behorende en als zodanig gewaarmerkte kaart aangeduide plandelen;

III. onthoudt goedkeuring aan de onder II. vermelde plandelen;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voorzover dit is vernietigd;

V. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

VI. gelast dat provincie Noord-Brabant aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 109,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, en dr. J.J.C. Voorhoeve en mr. P.A. Offers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E. de Groot, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. De Groot

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2003

210-387.