Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AI1446

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-08-2003
Datum publicatie
27-08-2003
Zaaknummer
200205216/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 december 2001 heeft de gemeenteraad van Denekamp, thans Dinkelland, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 27 november 2001, het bestemmingsplan "Saasveld, bedrijventerrein De Zoeke" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200205216/1.

Datum uitspraak: 27 augustus 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de raad van de gemeente Dinkelland,

2. [appellant sub 2], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2001 heeft de gemeenteraad van Denekamp, thans Dinkelland, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 27 november 2001, het bestemmingsplan "Saasveld, bedrijventerrein De Zoeke" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 9 juli 2002, kenmerk RWB/2002/144, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 24 september 2002, bij de Raad van State ingekomen op 25 september 2002, en appellante sub 2 bij brief van 26 september 2002, bij de Raad van State ingekomen op 26 september 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 19 maart 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht (hierna: het deskundigenbericht), gedateerd 15 april 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 juli 2003, waar appellant sub 1, vertegenwoordigd door [gemachtigden], appellante sub 2, vertegenwoordigd door mr. J.W. van Zundert, advocaat te Enschede, en [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door ir. M. Schilder en T. Drint, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn [partij] en anderen, bij monde van [gemachtigde], en De dorpsraad Saasveld, vertegenwoordigd door [gemachtigden], daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Met het plan wordt beoogd de aanleg van een bedrijventerrein met een oppervlakte van ongeveer 2 hectare mogelijk te maken. Het plangebied ligt in het buitengebied ten noordwesten van de kern Saasveld, en wordt aan de oostzijde begrensd door de Saasvelderbeek en aan de noordzijde door de Zoekerdijk.

2.3. Verweerder heeft bij zijn bestreden besluit het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft goedkeuring aan het plan onthouden. Hij heeft daarbij van belang geacht dat het plangebied weliswaar binnen de (rode) contour ligt, maar dat bij de belangenafwegingafweging een groot belang moet worden gehecht aan de natuur- en landschapswaarden met name bestaande uit een es, aangezien het plangebied in het streekplan in de zone “landelijk gebied III” ligt. Gelet op de aanwezige landschappelijke en visuele waarden en de excentrische ligging van het plangebied zal verwezenlijking van het plan, volgens verweerder, een te grote aantasting van het gebied betekenen.

2.4. Appellanten hebben zich op het standpunt gesteld dat verweerder ten onrechte aanleiding heeft gezien aan het plan goedkeuring te onthouden. Appellanten hebben hiertoe aangevoerd dat nu het voorziene bedrijventerrein binnen de rode contour ligt, verweerder de nadere invulling van het gebied, een bevoegdheid van de gemeenteraad, niet verder kan inperken. Voorts stelt de gemeenteraad dat het bestreden besluit rechtsonzekerheid met zich meebrengt voor toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden binnen de rode contour. Verder hebben appellanten gesteld dat het bestreden besluit in strijd is met het vertrouwensbeginsel, gelet op het herhaaldelijk gevoerde ambtelijke overleg tussen de gemeente en de provincie, het opnemen van het voorziene terrein in de gemeentelijke Structuurvisie, alsmede het opnemen van het bedrijventerrein binnen de contour van het streekplan. Tevens hebben appellanten aangevoerd dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd, met name nu dit besluit afwijkt van het provinciale beleid. Voorts stellen appellanten dat bij het vaststellen van de (rode) bebouwingscontouren in het streekplan reeds rekening is gehouden met de landschappelijke waarden en de ligging van het bedrijventerrein. Tevens bestrijdt [appellant sub 2] dat het plangebied landschappelijk waardevol en kwetsbaar is. Bovendien zijn in het plan volgens de gemeenteraad voldoende randvoorwaarden voor een goede landschappelijke inpassing en beeldkwaliteit geschapen.

2.5. Ten aanzien van het beroep van appellanten op het vertrouwensbeginsel, overweegt de Afdeling dat ter zake van het beslissen over de goedkeuring van een bestemmingsplan het desbetreffende college van gedeputeerde staten bevoegd is. Aan de uitlatingen in het kader van de totstandkoming van het plan van de provinciale planologische commissie dan wel andere provinciale diensten is verweerder niet gebonden.

Ten aanzien van het beroep van appellante sub 2 op de door de gemeenteraad op 20 juli 1999 vastgestelde Structuurvisie voor Saasveld, overweegt de Afdeling dat nu aan de orde is een besluit van verweerder over de goedkeuring van een bestemmingsplan. Hij is, behoudens zeer bijzondere omstandigheden, niet gebonden aan een door de gemeenteraad op grond van de Structuurvisie gewekte verwachting in verband met de vaststelling van dat bestemmingsplan. Een ander oordeel zou betekenen dat de beoordelingsruimte van verweerder door toedoen van het bestuursorgaan dat het goed te keuren besluit heeft genomen, kan worden ingeperkt.

2.6. In het streekplan “Overijssel 2000+” ligt het plangebied blijkens de functiekaart, die onderdeel uitmaakt van het streekplan in de groene ruimte in de zone III “natuur, landschap, cultureel erfgoed, landbouw”. Verder is de kern Saasveld aangeduid als kleine kern met contour. Het plangebied ligt binnen de contour.

Het provinciale beleid is gericht op het ontzien van gebieden met hoge landschapswaarden (ecologische hoofdstructuur, zones landelijk gebied III en IV) en met de bijzondere waarden van cultureel erfgoed. Binnen zone III is een nadere afweging wel mogelijk, indien blijkens de op de functiekaart aangegeven rode belijning ontwikkelingsruimte aanwezig is. Voorts dient volgens het streekplan door een gericht beheer te worden gestreefd naar het behouden van de rust en de hoge waarden van landschap en cultureel erfgoed.

Blijkens het provinciale beleid zullen uitbreiding van bestaande bedrijven en nieuwbouw voor uit de kern voortkomende bedrijvigheid, mits in overstemming met de schaal en de omgevingskwaliteiten van de kern, in kleine kernen mogelijk zijn. Per kern zal, aan de hand van de aantoonbare behoefte, kunnen worden bezien of een bedrijventerrein al dan niet op voorraad ontwikkeld of uitgebreid dient te worden.

Voorts blijkt uit het streekplan dat het provinciale beleid er op is gericht in principe geen stedelijke ontwikkelingen te laten plaatsvinden buiten de rode belemmeringslijn, ook wel contour genoemd, zoals aangegeven op de van het streekplan onderdeel uitmakende functiekaart. Daar waar het streekplan meerdere uitbreidingsrichtingen biedt, zal op het gemeentelijke niveau een nadere belangenafweging moeten plaatsvinden en de uiteindelijke keuze moeten worden gemaakt.

Om het groene karakter van het niet verstedelijkte deel van het streekplangebied te behouden, dienen nieuwe woon- en werkgebieden landschappelijk goed te worden ingepast door middel van een goede stedenbouwkundige en landschappelijke vormgeving van de overgang tussen stad en land.

Een in dit kader in het streekplan geformuleerd principe is dat locaties als regel logisch dienen aan te sluiten bij het bestaande stedelijke gebied, dit met het oog op efficiënt ruimtegebruik, het tegengaan van versnippering en het beperken van de afstand tot voorzieningen en woon- en werkgebieden.

Dit beleid acht de Afdeling in het algemeen niet onredelijk.

2.6.1. Gelet op het provinciale beleid dienen in beginsel gebieden in de zone waarin het plangebied ligt te worden ontzien. Stedelijke ontwikkelingen zijn in deze zone alleen mogelijk nadat een nadere belangenafweging heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de Afdeling, gelet op het provinciale beleid dan ook op het standpunt kunnen stellen dat, anders dan appellanten stellen, een nadere afweging ten aanzien van het voorziene bedrijventerrein niet achterwege mocht blijven.

2.6.2. Ten aanzien van de landschappelijke waarden, overweegt de Afdeling als volgt. Blijkens het verhandelde ter zitting wordt het landschapselement dat verweerder als es heeft aangeduid ook wel “kamp” genoemd. De “kamp” is volgens het deskundigenbericht weliswaar minder omvangrijk dan een landschapselement dat als es dient te worden aangemerkt, maar ter zitting is gesteld en onweersproken gebleven dat een “kamp” eveneens landschappelijk waardevol is. Mede gelet op het provinciale beleid dat is gericht op het behouden van rust en de hoge waarden van landschap en cultureel erfgoed is de Afdeling van oordeel dat verweerder bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang dat is gediend bij de instandhouding van de landschappelijk waarden, waaronder de “kamp”, dan aan het belang dat is gediend bij de aanleg van het bedrijventerrein. Daarbij heeft de Afdeling betrokken dat het plangebied blijkens de stukken niet aansluit op de bestaande kern, hetgeen in strijd is met één van de in het streekplan geformuleerde principes om tot een goede landschappelijke inpassing te komen.

2.6.3. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft onthouden aan het plan.

De beroepen zijn ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, en mr. J.J. Vis en mr. J.G.C. Wiebenga, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Soede

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2003

270-425.