Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AI1438

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-08-2003
Datum publicatie
27-08-2003
Zaaknummer
200103396/1 en 200105173/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 oktober 2000 heeft de gemeenteraad van Maartensdijk (thans: De Bilt), op voorstel van het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) van 17 oktober 2000, vastgesteld het bestemmingsplan “Buitengebied”.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2004, 36 met annotatie van J.M. Verschuuren
Gst. 2004, 158 met annotatie van J.M.H.F. Teunissen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200103396/1 en 200105173/1.

Datum uitspraak: 27 augustus 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in de gedingen tussen:

1. [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellante sub 3], gevestigd te [plaats],

4. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],

5. [appellant sub 5], wonend te [woonplaats],

6. [appellanten sub 6], wonend te [woonplaats],

7. de stichting “Stichtse Milieufederatie”, gevestigd te Utrecht (hierna: de Milieufederatie),

8. [appellante sub 8], gevestigd te [plaats],

9. [appellante sub 9], gevestigd te [plaats],

10. [appellant sub 10], wonend te [woonplaats],

11. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid “Vereniging Milieudefensie”, gevestigd te Amsterdam (hierna: de Milieudefensie), en anderen,

12. [appellant sub 12], wonend te [woonplaats],

13. [appellant sub 13], wonend te [woonplaats], en

14. de stichting “Stichting het Utrechts Landschap”, gevestigd te De Bilt (hierna: het Utrechts Landschap),

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder sub 1,

alsmede tussen:

15. het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

16. [appellante sub 16], gevestigd te [plaats],

17. [appellant sub 17], wonend te [woonplaats],

18. [appellante sub 18], wonend te [woonplaats],

19. [appellant sub 19], wonend te [woonplaats],

20. [appellant sub 20], wonend te [woonplaats], en

21. [appellant sub 21], wonend te [woonplaats],

en

de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

verweerder sub 2.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 oktober 2000 heeft de gemeenteraad van Maartensdijk (thans: De Bilt), op voorstel van het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) van 17 oktober 2000, vastgesteld het bestemmingsplan “Buitengebied”.

Verweerder sub 1 heeft bij zijn besluit van 5 juni 2001, kenmerk 2001REG001268i, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Verweerder sub 2 heeft bij zijn besluit van 31 augustus 2001, kenmerk M 345, het besluit van verweerder sub 1 gedeeltelijk vervangen.

Appellanten hebben tegen het besluit van verweerder sub 1 respectievelijk het besluit van verweerder sub 2 beroep ingesteld.

Bij brieven van 6 februari 2002 hebben verweerder sub 1 en verweerder sub 2 een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft twee deskundigenberichten uitgebracht, gedateerd op 10 oktober 2002.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen.

Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

Bij faxbericht van 28 mei 2003 heeft [appellante sub 16] haar beroep gericht tegen het besluit van verweerder sub 1 ingetrokken.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 juni 2003, waar appellanten in persoon zijn verschenen en/of zich hebben doen vertegenwoordigen.

[appellanten sub 1], het Utrechts Landschap, [appellante sub 16]en [appellante sub 18] zijn niet verschenen.

Ook verweerder sub 1, verweerder sub 2 en de gemeenteraad van De Bilt hebben zich doen vertegenwoordigen.

Ter zitting heeft [appellant sub 12] zijn beroepsgrond gericht tegen de goedkeuring door verweerder sub 1 van de bestemming “Open weidegebied” en de aanduiding “natuurgebied” voor bepaalde percelen nabij de Schaapsdrift ingetrokken.

Met instemming van partijen is na de zitting met betrekking tot het beroep van [appellant sub 2] en het beroep van [appellant sub 5] een nader stuk in het geding gebracht.

Partijen hebben afgezien van een tweede zitting.

2. Overwegingen

2.1. Met het plan wordt beoogd het buitengebied van de voormalige gemeente Maartensdijk van een actuele planologische regeling te voorzien.

Bij de bestreden besluiten heeft verweerder sub 1 grotendeels goedkeuring verleend en heeft verweerder sub 2 vervangend gedeeltelijk goedkeuring onthouden aan dit plan.

2.2. Bevoegdheid van de Afdeling

2.2.1. [appellante sub 16] heeft aangevoerd dat verweerders sub 2 ten onrechte zijn vervangingsbevoegdheid niet heeft aangewend ten aanzien van het plan op andere onderdelen.

Vaststaat echter dat appellante niet een daartoe strekkend verzoek heeft ingediend, zodat van een besluit op dit punt geen sprake is.

Dit in aanmerking genomen, is de Afdeling niet bevoegd kennis te nemen van het beroep van [appellante sub 16].

2.3. Ontvankelijkheid

2.3.1. In het stelsel, neergelegd in artikel 54, tweede lid, onder d., gelezen in samenhang met de artikelen 56, tweede lid, en 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten voor zover dit beroep een grondslag heeft in een tegen het ontwerp-plan bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze en in een tegen het vastgestelde plan bij het college van gedeputeerde staten ingebrachte bedenking.

Dit is slechts anders voor zover de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, of voor zover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest (tijdig) een zienswijze en een bedenking in te brengen.

2.3.2. De beroepsgrond van [appellant sub 2] omtrent het verloop van de plangrens nabij zijn perceel [locatie 1], steunt niet op een bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze.

De beroepsgrond van de Milieudefensie en anderen omtrent het ontbreken van een verbod op de maïsteelt voor gronden met de bestemming “Open weidegebied”, steunt niet op een bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze.

De beroepsgronden van [appellant sub 12] omtrent de bescherming van het cultuurhistorisch landschap in de polder Achttienhoven en omtrent de geluidscontour van het luchthaventerrein Hilversum, steunen niet op een bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze.

De beroepsgrond van [appellant sub 13] omtrent het globale karakter van het plan, steunt niet op een bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze.

De beroepsgrond van het Utrechts Landschap omtrent de bestemmingsregeling voor de camping “De Fazantenhof”, steunt niet op een bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze.

De beroepsgronden hebben geen betrekking op een bij de vaststelling van het plan aangebrachte wijziging en zijn niet gericht tegen een onthouding van goedkeuring.

Gesteld noch gebleken is dat appellanten redelijkerwijs niet in staat zijn geweest ter zake een zienswijze in te brengen.

De beroepen van [appellant sub 2], van de Milieudefensie en anderen, van [appellant sub 12], van [appellant sub 13] en van het Utrechts Landschap zijn in zoverre dan ook niet-ontvankelijk.

2.3.3. De beroepsgrond van de Milieudefensie en anderen omtrent het ontbreken van een verbod op verplaatsing van intensieve veehouderijen naar grondwaterbeschermingsgebieden, berust niet op een bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze.

De beroepsgrond heeft geen betrekking op een bij de vaststelling van het plan aangebrachte wijziging en is niet gericht tegen een onthouding van goedkeuring.

Voor zover appellanten betogen dat dit bezwaar wel te herleiden valt tot de door de Milieudefensie ingebrachte aanvulling op haar zienswijze, stelt de Afdeling vast dat deze aanvulling na afloop van de daarvoor staande termijn bij de gemeenteraad is ingediend.

Ook overigens is niet gebleken dat appellanten redelijkerwijs niet in staat zijn geweest een zienswijze in te brengen.

Het beroep van de Milieudefensie en anderen is in zoverre niet-ontvankelijk.

2.3.4. De beroepsgronden van [appellant sub 12] gericht tegen het derde lid, onder a., sub 2., en tegen het vijfde lid, onder a., sub 3., van de artikelen 3 tot en met 6 van de voorschriften, steunen niet op een tijdig bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze.

Deze beroepsgronden hebben geen betrekking op een bij de vaststelling van het plan aangebrachte wijziging en zijn niet gericht tegen een onthouding van goedkeuring.

In de uit de stukken blijkende omstandigheid dat appellant de desbetreffende bezwaren alsnog op de hoorzitting bij de gemeenteraad naar voren heeft gebracht, ziet de Afdeling geen reden te oordelen dat appellant niet in verzuim is geweest. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de hoorzitting dient ter mondelinge toelichting van de reeds bij de gemeenteraad kenbaar gemaakte schriftelijke zienswijze tegen het ontwerp-plan en dat op de hoorzitting geen nieuwe bezwaren naar voren kunnen worden gebracht.

In zijn beroepschrift heeft appellant nog gewezen op het in zijn zienswijze opgenomen verzoek aan de gemeenteraad om uiteen te zetten dat het plan “voldoende instrumenten bevat om desgewenst gebouwen met een te massaal bouwvolume niet te laten verrijzen en intensieve veehouderijen waar dat niet gewenst wordt niet te laten ontstaan”. De Afdeling is van oordeel dat de gemeenteraad dit verzoek - wat daar overigens ook van zij - terecht niet heeft opgevat als een zienswijze gericht tegen de bepaling dat gebouwd dient te worden binnen een bouwvlak met een oppervlak van ten hoogste 1 hectare (het derde lid, onder a., sub 2., van de artikelen 3 tot en met 6 van de voorschriften) of tegen de bepaling dat het college vrijstelling kan verlenen voor het overschrijden van de oppervlakte van het bouwvlak van 1 hectare met 0,25 hectare (het vijfde lid, onder a., sub 3., van de artikelen 3 tot en met 6 van de voorschriften).

Ook overigens is niet gebleken dat appellant redelijkerwijs niet in staat is geweest tijdig de desbetreffende bezwaren in te brengen.

Het beroep van [appellant sub 12] is in zoverre dan ook niet-ontvankelijk.

2.3.5. De beroepsgronden van [appellant sub 5] omtrent het aantal bouwlagen voor en de inhoudsmaat van zijn agrarische bedrijfswoning, zijn niet gericht tegen een onthouding van goedkeuring.

Voorts volgt de Afdeling appellant niet in zijn stelling dat de desbetreffende bezwaren wel impliciet bij verweerder sub 1 zijn aangevoerd, omdat wel tijdig een bedenking is ingebracht tegen de goothoogte van 3 meter voor zijn agrarische bedrijfsgebouwen.

Gelet op het feit dat het gaat om verschillende panden, is de Afdeling van oordeel dat de beroepsgronden niet steunen op de bij verweerder sub 1 ingebrachte bedenking.

Gesteld noch gebleken is dat appellant redelijkerwijs niet in staat is geweest tijdig de desbetreffende bezwaren in te brengen.

Het beroep van [appellant sub 5] is in zoverre dan ook niet-ontvankelijk.

2.4. Toetsingskader

2.4.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan en een besluit omtrent de gedeeltelijke vervanging van een goedkeuringsbesluit.

Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) rust op verweerder sub 1 de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder sub 1 er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, van de WRO in samenhang met het zesde en het achtste lid van dit artikel, heeft verweerder sub 2 de bevoegdheid het besluit omtrent goedkeuring van verweerder sub 1 te vervangen door een eigen besluit, voor zover het goedkeuringsbesluit in kennelijke strijd is met het nationaal ruimtelijk beleid. Daarbij dient hij er rekening mee te houden dat deze vervangingsbevoegdheid een zwaar middel is, dat slechts in uitzonderlijke situaties mag worden toegepast.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit van verweerder sub 1 of van verweerder sub 2 overgaan, indien moet worden geoordeeld dat zij de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.5. Europeesrechtelijke verplichtingen

2.5.1. De Milieudefensie en anderen hebben aangevoerd dat verweerder sub 1 ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, voor zover daarin onvoldoende rekening is gehouden met verplichtingen die voortvloeien uit de Habitat- en Vogelrichtlijn. Zij stellen dat een zwaarder beschermingsregime had moeten worden toegepast om de bedreigde en kwetsbare dieren te beschermen.

2.5.2. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat is nagegaan of activiteiten worden toegelaten die significante gevolgen hebben voor het onder de bescherming van de Habitat- of Vogelrichtlijn vallend gebied en dat onderzocht is of het bestaande gebruik onmiskenbaar bijdraagt aan een achteruitgang van de te beschermen bijzondere waarden van het gebied. Het gebied waarop de Habitat- en Vogelrichtlijn betrekking heeft valt, volgens de gemeenteraad, samen met de gronden die bestemd zijn als “Zoddengebied”. In die bestemming, maar ook in het gebied met de bestemming “Open weidegebied” is, aldus de gemeenteraad, aan het belang van het instandhouden van de natuurwaarden groot gewicht toegekend. Juist ten behoeve van die natuurwaarden is het gemeentelijke beleid gericht op het instandhouden van een hoog waterpeil. De gemeenteraad streeft naar een gevarieerd landschap, bestaande uit moerasgebied afgewisseld door meer open graslandpercelen. Een toename van de bebouwing wijst de gemeenteraad op gronden die bestemd zijn als “Zoddengebied” af.

2.5.3. Verweerder heeft geen reden gezien het plan op dit onderdeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij heeft overwogen dat het als speciale beschermingszone aangewezen gebied “Oostelijke Vechtplassen” voor een klein deel binnen het plangebied ligt en dat daar geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk zijn. Volgens verweerder sub 1 zorgen de bestaande functies niet voor een significante verstoring van de te beschermen waarden en is het plan ook overigens sterk gericht op natuurwaarden.

2.5.4. Bij besluit van 24 maart 2000 (Stcrt. 2000, 65) is het gebied “Oostelijke Vechtplassen” aangewezen als een speciale beschermingszone (hierna: SBZ) in de zin van artikel 4, eerste en tweede lid, van de richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (hierna: de Vogelrichtlijn).

Een deel van het gebied “Oostelijke Vechtplassen” ligt binnen het plangebied.

In het arrest van 13 juni 2002 inzake Commissie tegen Ierland (C-117/00; Jurisprudentie 2002, blz. I-05335) heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof) aangegeven dat wat een als SBZ aangewezen gebied betreft de uit artikel 4, vierde lid, eerste volzin, van de Vogelrichtlijn voortvloeiende verplichtingen met name – gelet op artikel 7 van de richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (hierna: de Habitatrichtlijn) - zijn vervangen door de verplichtingen die uit artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn voortvloeien, zulks vanaf de datum van toepassing van deze laatste richtlijn, dan wel vanaf de datum van de aanwijzing overeenkomstig de Vogelrichtlijn, indien deze datum later valt.

Hieruit volgt dat sedert 31 maart 2000 - zijnde de datum van bekendmaking van het besluit van 24 maart 2000 - artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn en niet artikel 4, vierde lid, laatste volzin, van de Vogelrichtlijn van toepassing is op het binnen het plangebied gelegen deel van het gebied “Oostelijke Vechtplassen”.

In artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn is bepaald dat de Lid-Staten passende maatregelen treffen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats van soorten in een SBZ niet verslechtert en er geen storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de SBZ is aangewezen voor zover die factoren, gelet op de doelstellingen van deze richtlijn, een significant effect zouden kunnen hebben.

De Afdeling stelt vast dat het binnen het plangebied gelegen deel van het gebied “Oostelijke Vechtplassen” geen beschermd- of staatsnatuurmonument is in de zin van de Natuurbeschermingswet.

Ook anderszins is niet gebleken dat op dit deel algemeen verbindende voorschriften van toepassing zijn die bedoeld zijn als implementatie van de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. Op deze bepaling kan evenwel, zoals de Afdeling onder meer heeft overwogen in de uitspraak van 13 februari 2002, inzake no. 200001194/1 (BR 2002, blz. 486), in ieder geval wat betreft de grenzen van de aan de Lid-Staat gelaten beoordelingsvrijheid een rechtstreeks beroep worden gedaan. Voorts overweegt de Afdeling, onder verwijzing naar de uitspraak van 20 februari 2002, inzake no. 200100018/1 (JM 2002/48), dat deze bepaling, gezien de tekst daarvan, ziet op activiteiten in een SBZ in het verleden, het heden en de toekomst.

In het arrest van 27 februari 2003 inzake Commissie tegen België (C-415/01, n.n.g.) heeft het Hof aangegeven dat de kaarten die de SBZ afbakenen noodzakelijkerwijze een onbetwistbare dwingende kracht moeten hebben teneinde te voorkomen dat de geografische afbakening van de SBZ op elk moment betwist kan worden. Blijkens dit arrest moet gezorgd worden voor een afbakening van de SBZ die aan derden kan worden tegengeworpen en moet gezorgd worden dat door de aanwijzing als SBZ automatisch en tegelijkertijd een beschermings- en instandhoudingsregeling van toepassing wordt die in overeenstemming is met het gemeenschapsrecht.

Volgens het besluit van 24 maart 2000 kwalificeert het gebied “Oostelijke Vechtplassen” zich als SBZ vanwege het voorkomen van het Woudaapje, de Purperreiger, de Zwarte Stern en de IJsvogel.

Uit het bestreden besluit blijkt niet dat verweerder sub 1 heeft onderzocht of passende maatregelen genomen zijn om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats van deze vogels niet verslechtert. Voor zover hij erop wijst dat de gemeenteraad blijkens het vaststellingsbesluit een onderzoek heeft uitgevoerd naar eventuele significante gevolgen van het plan voor dit deel, overweegt de Afdeling dat verweerder sub 1 dit onderzoek niet heeft overgelegd. Evenmin is verweerder sub 1 kenbaar nagegaan of het plan voorziet in een beschermings- en instandhoudingsregeling die in overeenstemming is met het gemeenschapsrecht.

Onder deze omstandigheden, is de Afdeling van oordeel dat verweerder sub 1 zijn standpunt dat in het plan verzekerd is dat aan de uit de Habitatrichtlijn voortvloeiende verplichtingen wordt voldaan, onvoldoende heeft gemotiveerd.

Het bestreden besluit berust wat dit onderdeel van het plan betreft dan ook niet op een deugdelijke motivering.

Het beroep van de Milieudefensie en anderen is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:46 van de Awb. In verband hiermee behoeven de overige bezwaren van appellanten op dit punt geen verdere bespreking.

2.6. Artikel 1: Algemene bepalingen

2.6.1. De Milieudefensie en anderen hebben aangevoerd dat verweerder sub 1 ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 1, lid n., van de voorschriften. Volgens appellanten dient de omschrijving van het begrip “agrarisch bedrijf” het houden van paarden uit te sluiten. Zij beschouwen dit als een niet-agrarische activiteit, die uit het landelijk gebied geweerd moet worden.

2.6.2. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat voor zover een paardenbedrijf gericht is op productie, sprake is van een agrarisch bedrijf.

2.6.3. Verweerder sub 1 heeft geen reden gezien het voorschrift in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij heeft overwogen dat een paardenfokkerij, mits bedrijfsmatig geëxploiteerd, als een agrarisch bedrijf is aan te merken.

2.6.4. Ingevolge artikel 1, lid n., van de voorschriften wordt onder het begrip “agrarisch bedrijf” verstaan een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren, waarbij houtteelt is uitgesloten.

De Afdeling stelt vast dat het enkel houden van paarden niet onder deze begripsomschrijving valt en in het plan niet aangemerkt wordt als een activiteit die behoort tot een agrarisch bedrijf.

De beroepsgrond van appellanten gericht tegen artikel 1, lid n., van de voorschriften, mist derhalve feitelijke grondslag.

Het beroep van de Milieudefensie en anderen is in zoverre dan ook ongegrond.

2.6.5. De Milieudefensie en anderen hebben aangevoerd dat verweerder sub 1 ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 1, lid n., van de voorschriften. Volgens appellanten dient aan de omschrijving van het begrip “agrarisch bedrijf” de woorden reëel en volwaardig te worden toegevoegd. Zij achten de omschrijving op dit punt in strijd met het provinciaal beleid.

2.6.6. De Afdeling stelt vast dat de gemeenteraad in het besluit tot vaststelling van het plan niet is ingegaan op dit als zienswijze ingebrachte bezwaar tegen het ontwerp-plan.

Gelet hierop is het plan op dit punt vastgesteld in strijd met artikel 25 in samenhang met artikel 23, eerste lid, van de WRO. Uit deze bepalingen volgt dat de gemeenteraad tijdig ingebrachte zienswijzen als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de WRO bij de vaststelling van het plan betrekt.

Door het plan op dit punt niettemin goed te keuren, heeft verweerder sub 1 gehandeld in strijd met deze artikelen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

Het beroep van de Milieudefensie en anderen is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd.

Nu rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, ziet de Afdeling voorts aanleiding goedkeuring te onthouden aan artikel 1, lid n., van de voorschriften.

2.7. Artikel 3: Zoddengebied

2.7.1. De Milieufederatie heeft aangevoerd dat verweerder sub 1 ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 3, zevende lid, onder c., sub 3., artikel 4, zevende lid, onder c., sub 3., artikel 5, zevende lid, onder c., sub 3., en artikel 6, zevende lid, onder c., sub 3., van de voorschriften. Zij stelt dat een kavelbreedte van 100 meter als gevolg van het dempen van sloten de cultuurhistorisch waardevolle verkaveling te zeer aantast.

2.7.2. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat het dempen van sloten expliciet genoemd is als een vorm van gebruik die in strijd is met de gebruiksvoorschriften. Volgens de gemeenteraad is daarmee beoogd het karakteristieke verkavelingpatroon te handhaven.

2.7.3. Verweerder sub 1 heeft geen reden gezien de voorschriften in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij onderschrijft het standpunt van de gemeenteraad.

2.7.4. Ten aanzien van het grondgebied van de (voormalige) gemeente Maartensdijk geeft het streekplan aan dat de verschillende dijkdorpen in de historische verkavelingsstructuur duidelijk de lange ontginningsgeschiedenis van het veenweidelandschap weergeven. Het verkavelingspatroon toont, aldus het streekplan, hoe vanuit de stroomruggen van de Vecht in de richting van het Gooi de ontginningen stelselmatig hebben plaatsgevonden. Dit is bepalend geweest voor het nederzettingenpatroon in dit gebied.

Een groot deel van het plangebied valt samen met een gebied dat in het streekplan is aangeduid met het landschapstype “veen(weide)landschap”. Volgens het streekplan omvat dit landschapstype onder meer een systematisch verkavelingpatroon met cultuurhistorische betekenis. Het streekplanbeleid is gericht op de instandhouding van deze landschapsstructuur. Het streekplan beschouwt gebied met het landschapstype “veen(weide)landschap” in historisch-landschappelijk opzicht als waardevol. Daarnaast vermeldt het streekplan dat verkavelingen met historisch-geografische waarde een belangrijke bijdrage leveren aan het herkenbaar blijven en het beleven van de ruimtelijke structuur. Het streekplanbeleid is dan ook gericht op het behoud en herstel van deze cultuurhistorische waarden.

De provinciale “Handleiding bestemmingsplan buitengebied” geeft aan dat het gewenst is de zeer waardevolle historisch-geografische elementen als zodanig (mede) te bestemmen en dat het daarbij aan te bevelen is om bepaalde bouwactiviteiten, gebruiksvormen en werkzaamheden die tot een aantasting van de historisch-geografische waarde kunnen leiden, te reguleren. Voor elementen en structuren die niet afzonderlijk te bestemmen zijn, zoals verkavelingspatronen, ligt een mengbestemming in de reden. Daarbij kan, volgens de handleiding, de cultuurhistorische waarde expliciet in de doeleindenomschrijving worden vermeld, dan wel blijkens de begripsomschrijving onderdeel uitmaken van de landschappelijke waarde, De bescherming van deze waarde kan, aldus de handleiding, veelal plaatsvinden door middel van het aanlegvergunningenstelsel.

2.7.4.1.1. Ingevolge het zesde lid van de artikelen 3 tot en met 6 van de voorschriften wordt het dempen van sloten of andere watergangen op gronden met de bestemming “Zoddengebied”, “Open weidegebied”, “Stadsrandgebied” respectievelijk “Kleinschalig overgangsgebied” aangemerkt als verboden gebruik.

Ingevolge het zevende lid, onder b., van de artikelen 3 tot en met 6 van de voorschriften kan het college vrijstelling verlenen van het zesde lid, voor het dempen van sloten of andere watergangen.

In het zevende lid, onder c., aanhef en sub 3., van de artikelen 3 tot en met 6 van de voorschriften is bepaald dat de onder b. bedoelde vrijstelling beperkt is tot incidentele gevallen, niet wordt verleend indien gelet op de beoordeling aan de hand van de afweging van belangen opgenomen in onderdeel 15.4 van de plantoelichting, sprake is van ernstige of onevenredige afbreuk, in de afweging in ieder geval worden betrokken de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden, de ruimtelijke kenmerken als genoemd in de beschrijving in hoofdlijnen en de verkeersveiligheid en alleen wordt verleend indien de breedte van het perceel, dat ontstaat na demping van de sloot of watergang die parallel aan de verkavelingrichting (opstrek) loopt, minder dan 100 meter gaat bedragen.

De Afdeling stelt vast dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat verweerder sub 1 deze bepalingen getoetst heeft aan bovenstaand provinciaal beleid. Dit klemt te meer aangezien de belangenafweging in onderdeel 15.4 van de plantoelichting geen toets omtrent de cultuurhistorische waarde bevat. Voorts hebben verweerder sub 1 noch de gemeenteraad ter zitting kunnen aangegeven waarom in dit geval gekozen is voor een vrijstellingsregeling van het gebruiksverbod in plaats van een aanlegvergunningenstelsel, zoals aangegeven in de handleiding. Voorts heeft verweerder sub 1 ter zitting verklaard niet te zijn nagegaan of – gegeven de grote waarde die het streekplan hecht aan het karakteristieke verkavelingspatroon – het behoud en herstel van deze cultuurhistorische waarde niet meer gediend kan zijn met de door appellante voorgestane kavelbreedte van maximaal 50 meter dan met de in het plan opgenomen 100 meter.

Gelet op het vorenstaande moet worden geoordeeld dat verweerder sub 1 zijn standpunt dat de vrijstellingsregelingen van het gebruiksverbod niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening, niet op een deugdelijke motivering heeft doen berusten en evenmin met de vereiste zorgvuldigheid heeft voorbereid.

Het beroep van de Milieufederatie is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.

2.7.5. [appellant sub 10] heeft aangevoerd dat verweerder sub 1 ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemming “Zoddengebied” voor zijn perceel [locatie 2]. Hij betoogt dat zijn landbouwmechanisatie- en reparatiebedrijf en zijn opslagactiviteiten niet positief zijn bestemd en dat een bedrijfsbestemming toegekend had moeten worden.

2.7.6. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat van een bestaand agrarisch bedrijf of landelijk bedrijf geen sprake is. Volgens de gemeenteraad moeten de activiteiten die thans op het perceel plaatsvinden beleidsmatig worden aangemerkt als nieuwvestiging van niet-agrarische / niet-landelijke bedrijvigheid in het buitengebied en is het gemeentelijke beleid gericht op het tegengaan van dergelijke ontwikkelingen.

2.7.7. Verweerder sub 1 heeft geen reden gezien de bestemming in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij acht een hergebruik van vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing voor bedrijven die indirect een relatie hebben met het landelijk gebied aanvaardbaar. Verweerder sub 1 beschouwt opslagdoeleinden voor elders gevestigde bedrijven en stalling van caravans als bedrijfsmatige activiteiten die in aanmerking komen voor vestiging in vrijgekomen bedrijfsbebouwing, op voorwaarde dat uitsluitend de bestaande gebouwen worden benut en uitbreiding voorkomen wordt. Volgens hem komen de activiteiten van appellant niet in aanmerking voor vestiging in vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing en horen deze activiteiten veeleer thuis op een bedrijventerrein.

2.7.8. Het streekplanbeleid is erop gericht functioneel niet aan het buitengebied gebonden gebruiksvormen uit het landelijk gebied te weren en nieuwvestiging van niet-agrarische bedrijven alleen toe te staan op bedrijventerreinen in het stedelijk gebied, binnen de aangegeven contouren. Van deze uitgangspunten kan volgens het streekplan worden afgeweken ter plaatse van vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing, waarbij als randvoorwaarden gelden dat geen uitbreiding van bebouwing mag plaatsvinden, noch enige vorm van detailhandel en dat voorkomen dient te worden dat de omringende agrarische bedrijven daardoor in een nadeliger positie komen te verkeren.

De provinciale “Handleiding bestemmingsplan buitengebied” voegt als randvoorwaarden toe dat aan de vrijkomende gebouwen geen ‘broedplaatsfunctie’ voor startende bedrijven mag worden toegekend, dat omvangrijke stalling of opslag buiten de bebouwing ongewenst is en dat in de nabijheid van natuurgebieden waarbinnen de waarde mede wordt bepaald door rust, functies die deze rust kunnen verstoren niet aanvaardbaar zijn. Teneinde het ontstaan van conflicten met de primaire functies van het landelijke gebied zoveel mogelijk te voorkomen, is het streven gericht op een geleidelijke zonering van functies met een intensief karakter naar functies met een extensief karakter. Tegen deze achtergrond zijn, aldus de handleiding, de toelaatbare gebruiksmogelijkheden van vrijkomende agrarische gebouwen over het algemeen ruimer naar mate het stedelijke gebied dichter wordt benaderd. Voor wat betreft het toestaan van gebruiksvormen maakt de handleiding een onderscheid tussen het landelijke gebied en de kernrandzone. Waar sprake is van een kernrandzone en waar nog van landelijk gebied dient op lokaal niveau per kern te worden beoordeeld.

De handleiding geeft aan dat in het landelijk gebied ook bedrijfsmatige activiteiten in aanmerking kunnen komen voor vestiging in vrijkomende agrarisch gebouwen, waarbij onder meer te denken valt aan opslagdoeleinden ten behoeve van elders gevestigde bedrijven en caravanstallingen. Daarbij is onder andere van belang dat eventueel vereiste milieuvergunningen zijn verkregen. In een kernrandzone, zijnde het overgangsgebied tussen de bebouwde kom en het landelijke gebied, zijn de gebruiksmogelijkheden van vrijkomende agrarische gebouwen ruimer dan in het landelijk gebied, waarbij de situatie ter plaatse in belangrijke mate bepalend is voor het al dan niet aanvaardbaar zijn van bepaalde activiteiten.

Dit provinciaal beleid komt de Afdeling in het algemeen niet onredelijk voor.

2.7.8.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de voorschriften zijn gronden met de bestemming “Zoddengebied” bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf, het behoud, het herstel en de ontwikkeling van landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden, het behoud van de openheid, wonen, dagrecreatie en verkeer.

De Afdeling stelt vast dat deze doeleindenomschrijving de vestiging van een landbouwmechanisatie- en reparatiebedrijf of opslagactiviteiten niet toestaat.

Niet in geschil is dat het bij het landbouwmechanisatie- en reparatiebedrijf van appellant en zijn opslagactiviteiten gaat om een bedrijvigheid die functioneel niet aan het buitengebied gebonden is en dat deze bedrijvigheid ook in strijd was met het voorheen geldende bestemming.

Echter uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, blijkt dat op het perceel sprake is van vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing, dat het college - nadat de uitoefening van het agrarisch bedrijf was beëindigd - aan appellant een vrijstelling heeft verleend voor de opslag van landbouwwerktuigen en machines in de bestaande bedrijfsgebouwen en dat in één van die bedrijfsgebouwen onder meer caravans worden opgeslagen. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat verweerder sub 1 is nagegaan of het perceel ligt in het landelijke gebied dan wel in een kernrandzone. Evenmin heeft verweerder sub 1 kenbaar bezien of, gegeven de ligging van het perceel en gelet op de verleende vrijstelling, één of meerdere activiteiten in de vrijgekomen agrarische bedrijfsgebouwen toelaatbaar kunnen worden geacht.

Onder deze omstandigheden, is de Afdeling van oordeel dat verweerder sub 1 zijn standpunt dat geen van de activiteiten van appellant voldoen aan de voorwaarden uit het provinciaal beleid, onvoldoende heeft gemotiveerd.

Het bestreden besluit berust wat dit onderdeel van het plan betreft dan ook niet op een deugdelijke motivering.

Wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb komt het bestreden besluit op dit onderdeel voor vernietiging in aanmerking.

Hiervoor onder 2.5.4. is geoordeeld dat de goedkeuring van de plandelen die samenvallen met het als een SBZ aangewezen gebied “Oostelijke Vechtplassen” niet in stand kan blijven. Aangezien het beroep van [appellant sub 10] gericht is tegen de goedkeuring van een plandeel dat deel uit maakt van dit gebied, is zijn beroep reeds om die reden in zoverre eveneens gegrond.

2.7.9. De Milieudefensie en anderen hebben aangevoerd dat verweerder sub 1 ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 3, eerste lid, artikel 4, eerste lid, artikel 5, eerste lid, en artikel 6, eerste lid, van de voorschriften, voor zover daarin bij recht een uitbreidingsmogelijkheid tot 2500 m2 voor intensieve veehouderijen en tot 1250 m2 voor andere agrarische bedrijven wordt geboden. Zij vrezen een onaanvaardbare intensivering van de agrarische bedrijvigheid in het plangebied. Volgens appellanten had het plan niet gebaseerd mogen worden op de Richtlijn Veehouderij en Stankhinder 1996.

2.7.10. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat voor (de vestiging van) een intensieve veehouderij als neventak een oppervlak van 250 m2 en als hoofdtak een oppervlak van 2500 m2 toereikend moet worden geacht. Volgens de gemeenteraad is in de plantoelichting ten onrechte aansluiting gezocht bij de Richtlijn Veehouderij en Stankhinder 1996 en zal de plantoelichting worden aangepast, in die zin dat de omgevingscategorieën uit de voorloper van de richtlijn zullen worden overgenomen. De gemeenteraad is van mening dat deze aanpassing voor de plankaart en de voorschriften zonder gevolgen kan blijven.

2.7.11. Verweerder sub 1 heeft geen reden gezien de voorschriften in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij acht het plan op deze onderdelen in overeenstemming met het provinciaal beleid.

2.7.12. Het plangebied is op de streekplankaart aangeduid als “landelijk gebied 1”, “landelijk gebied 3”, “landelijk gebied 4” en “landelijk gebied 5”. Volgens het streekplan gaat het bij landelijk gebied 1 om landelijk gebied onder stedelijke invloed, bij landelijk gebied 3 om landelijk gebied met primair grondgebonden landbouw, bij landelijk gebied 4 om landelijk gebied met verweven natuurwaarden en grondgebruik en bij landelijk gebied 5 om landelijk gebied met als hoofdfunctie natuur.

Het streekplanbeleid vermeldt dat in deze landelijke gebieden aan bestaande activiteiten in het algemeen geen beperkingen worden opgelegd, tenzij er ongewenste beïnvloeding van de milieukwaliteit (van kwetsbare gebieden elders) dreigt. Aan uitbreiding en/of intensivering van bestaande activiteiten en nieuw te ontwikkelen activiteiten in landelijk gebied 3 worden voorwaarden verbonden teneinde de via het gebiedsgerichte milieubeleid nagestreefde milieukwaliteiten niet te frustreren. Uitbreiding en/of intensivering van bestaande activiteiten en nieuw te ontwikkelen activiteiten wordt in de landelijk gebieden 4 en 5 in principe niet toegestaan voor zover

daarmee de via het gebiedsgerichte milieubeleid nagestreefde milieukwaliteiten gefrustreerd zouden worden.

Voorts is een groot deel van het plangebied eveneens op afbeelding 11 bij het streekplan, getiteld “ecologische hoofdstructuur”, aangeduid als “natuurkern”, “kerngebied”, “natuurontwikkelingsgebied” en als “verbindingszone”. De hoofddoelstelling binnen de ecologische hoofdstructuur is, aldus het streekplan, de duurzame instandhouding, het herstel en de ontwikkeling van natuurlijke en landschappelijke waarden.

Daarnaast ligt het plangebied in de bufferzone tussen Utrecht en het Gooi waarover het streekplan vermeldt dat de ecologische en natuurwaarden het primaat hebben als groene component in de totale structuur. Deze open ruimte vormt volgens het streekplan een corridor in de noordvleugel van de Randstad en een ecologische verbinding tussen de Utrechtse Heuvelrug, het plassengebied en het centrale deel van het Groene Hart.

2.7.12.1. In artikel 3, eerste lid, van de voorschriften is bepaald dat onder het doel ‘uitoefening van het agrarisch bedrijf’ mesterijen, fokkerijen en pluimveebedrijven uitsluitend zijn begrepen voor zover de oppervlakte van de daarvoor benodigde gebouwen per bedrijf:

”- voor zover dat niet is aangegeven op het kaartblad “plandeelvergroting”

niet meer dan 1250 m2 bedraagt;

- voor zover dat is aangegeven op het kaartblad “plandeelvergroting” niet

meer dan 250 m2 bedraagt.”

In artikel 4, eerste lid, van de voorschriften is bepaald dat onder het doel ‘uitoefening van het agrarisch bedrijf‘ mesterijen, fokkerijen en pluimveebedrijven uitsluitend zijn begrepen voor zover de oppervlakte van de daarvoor benodigde gebouwen per bedrijf:

”- voor zover dat niet is aangegeven op het kaartblad “plandeelvergroting”

niet meer dan 1250 m2 bedraagt;

- voor zover dat is aangegeven op het kaartblad “plandeelvergroting” niet

meer dan 250 m2 bedraagt;

- in afwijking van het hiervoor gestelde geldt voor bedrijven aangegeven met

“intensieve veehouderij” een oppervlakte van niet meer dan 2500 m2 dan

wel de bestaande oppervlakte indien deze groter is.”

Blijkens deze bepalingen maakt het kaartblad “plandeelvergroting” deel uit van het plan. Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, en het verhandelde ter zitting is echter gebleken dat geen kaartblad “plandeelvergroting” in ontwerp ter inzage is gelegd en dat evenmin een kaartblad “plandeelvergroting” alsnog is toegevoegd aan het plan bij de vaststelling daarvan.

Hieruit volgt dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid.

Door het plan op deze onderdelen niettemin goed te keuren, heeft verweerder sub 1 gehandeld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

Het beroep van de Milieudefensie en anderen is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd.

Nu rechtens nog maar één te nemen besluit mogelijk is, ziet de Afdeling voorts aanleiding goedkeuring te onthouden aan artikel 3, eerste lid, en artikel 4, eerste lid, van de voorschriften, voor zover het betreft de tekstgedeelten die hiervoor zijn aangehaald.

2.7.12.2. In het eerste lid van de artikelen 5 en 6 van de voorschriften is bepaald dat onder het doel ‘de uitoefening van het agrarisch bedrijf’ mesterijen, fokkerijen en pluimveebedrijven uitsluitend zijn begrepen voor zover de oppervlakte van de daarvoor benodigde gebouwen per bedrijf:

”- voor zover dat niet is aangegeven met “intensieve veehouderij” niet meer

dan 1250 m2 bedraagt;

- voor andere bedrijven niet meer dan 2500 m2 bedraagt dan wel de

bestaande oppervlakte indien deze groter is.”

De Afdeling stelt vast dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat verweerder sub 1 deze bepalingen getoetst heeft aan bovenstaand provinciaal beleid. Dit klemt te meer aangezien uit de provinciale “Handleiding bestemmingsplan buitengebied” blijkt dat de mogelijkheden voor nieuwvestiging van niet-grondgebonden veehouderij, ook als neventak, en voor uitbreiding van niet-grondgebonden veehouderij op een bestaand bedrijf afhankelijk zijn van de ligging daarvan in relatie tot de ecologische hoofdstructuur en het open gebied. Voorts heeft verweerder sub 1 ter zitting aangegeven niet onderzocht te hebben of door de enkele koppeling van het maximumoppervlak per bedrijf op andere wijze in het plan in voldoende mate is vastgelegd dat op één perceel zich niet meer dan één bedrijf kan vestigen, zoals door de gemeenteraad ter zitting is betoogd.

Het bestreden besluit berust wat dit onderdeel van het plan betreft dan ook niet op een deugdelijke motivering en is evenmin met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

Het beroep van de Milieudefensie en anderen is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.

2.7.13. De Milieudefensie en anderen hebben aangevoerd dat verweerder sub 1 ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 3, eerste lid, artikel 4, eerste lid, artikel 5, eerste lid, artikel 6, eerste lid, en aan artikel 14, lid A., onder 4., van de voorschriften. Zij betogen dat afdekking met folie en dergelijke en mestopslag alleen binnen het agrarisch bouwblok kan worden toegestaan en daarbuiten gekoppeld moet zijn aan een vrijstelling, teneinde het landelijke gebied open te houden.

2.7.14. Het eerste lid van de artikelen 3 tot en met 6 van de voorschriften bepaalt dat onder het doel ‘uitoefening van het agrarisch bedrijf’ onder meer afdekking met folie en dergelijke en mestopslag buiten het bouwvlak, als bedoeld in het derde lid, onder a., sub 2., niet zijn begrepen.

Uit dit derde lid, onder a., sub 2., van de artikelen 3 tot en met 6 van de voorschriften volgt dat dient gebouwd te worden binnen een bouwvlak met een oppervlakte van ten hoogste 1 hectare.

De Afdeling stelt vast dat de afdekking met folie en dergelijke en mestopslag niet zijn toegestaan buiten het bouwvlak.

De beroepsgrond van appellanten gericht tegen het eerste lid van de artikelen 3 tot en met 6 van de voorschriften, mist derhalve feitelijke grondslag.

Het beroep van de Milieudefensie en anderen is in zoverre dan ook ongegrond.

2.7.14.1. Blijkens artikel 14, lid A., onder 4., van de voorschriften is het college bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van de opslag van mest met een omvang van ten hoogste 5000 m3 voor collectieve opslag en/of ten hoogste 2500 m3 voor opslag van mest voor een individueel bedrijf, mits de hoogte van een mestsilo niet meer bedraagt dan 8 meter.

De Afdeling stelt vast dat verweerder sub 1 het plan op dit onderdeel heeft goedgekeurd, maar dat hij in het bestreden besluit niet is ingegaan op dit als bedenking ingebrachte bezwaar en niet heeft aangegeven waarom hij dit voorschrift niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening acht.

Het bestreden besluit berust wat dit onderdeel betreft dan ook niet op een deugdelijke motivering.

Het beroep van de Milieudefensie en anderen is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb.

2.7.15. De Milieudefensie en anderen hebben aangevoerd dat verweerder sub 1 ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de aanduiding “natuurontwikkeling” op gronden met de bestemming “Zoddengebied”. Zij stellen dat op deze gronden de agrarische en de woonfunctie uitgesloten dient te zijn.

2.7.16. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat eliminatie van het agrarisch bedrijf en de woonfunctie, gelet op de gevestigde belangen, onrealistisch en maatschappelijk ongewenst is.

2.7.17. Verweerder sub 1 heeft geen reden gezien het plan op dit onderdeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij onderschrijft het standpunt van de gemeenteraad.

2.7.18. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de voorschriften zijn gronden met de bestemming “Zoddengebied” bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf, behoudens voor zover de gronden zijn aangewezen voor “natuurgebied”, het behoud, het herstel en de ontwikkeling van landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden, het behoud van de openheid, wonen, behoudens voor zover de gronden zijn aangewezen voor

“natuurgebied”, dagrecreatie en verkeer.

De aanduiding “natuurontwikkeling” brengt geen verdere beperkingen ten aanzien van de gebruiksmogelijkheden van deze gronden, zoals die voortvloeien uit de doeleindenomschrijving in artikel 3, eerste lid, van de voorschriften.

De Afdeling stelt vast dat in het plan aan de aanduiding “natuurontwikkeling” uitsluitend betekenis toekomt in relatie tot de wijzigingsbevoegdheid als opgenomen in artikel 14, lid A., onder 5., van de voorschriften. Uit deze bepaling volgt dat het college bevoegd is binnen de bestemming “Zoddengebied” de aanduiding “natuurontwikkeling” te wijzigen in de aanduiding “natuurgebied”.

Gelet op de doeleindenomschrijving in artikel 3, eerste lid, van de voorschriften is beoogd dat een toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid met zich brengt dat de gronden niet langer bestemd zijn voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf of voor wonen. Blijkens de aanhef van artikel 14, lid B., onder 3., van de voorschriften zouden in deze bepaling de voorwaarden zijn opgenomen die in acht moeten worden genomen bij de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid. De Afdeling stelt echter vast dat geen van de in deze bepaling opgenomen voorwaarden verband houdt met een mogelijke wijziging van de aanduiding “natuurontwikkeling” in de aanduiding “natuurgebied”. Derhalve is onvoldoende objectief bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden van de wijzigingsbevoegdheid gebruik mag worden gemaakt.

Hieruit volgt dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met artikel 11, eerste lid, van de WRO.

Door het plan op dit onderdeel niettemin goed te keuren, heeft verweerder sub 1 gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

Op deze grond komt het bestreden besluit op dit onderdeel voor vernietiging in aanmerking.

Hiervoor onder 2.5.4. is geoordeeld dat de goedkeuring van de plandelen die samenvallen met het als een SBZ aangewezen gebied “Oostelijke Vechtplassen” niet in stand kan blijven. Aangezien het beroep van de Milieudefensie en anderen gericht is tegen de goedkeuring van plandelen die deel uit maken van dit gebied, is hun beroep reeds om die reden in zoverre eveneens gegrond.

Nu rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, ziet de Afdeling voorts aanleiding goedkeuring te onthouden aan artikel 14, lid A., onder 5., van de voorschriften.

2.8. Artikel 4: Open weidegebied

2.8.1. [appellanten sub 6] en [appellant sub 12] hebben aangevoerd dat verweerder sub 1 ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemming “Open weidegebied”, voor zover daarmee niet tevens alle kleinere landschapselementen positief zijn bestemd. Zij stellen dat deze waardevolle elementen in het plan onvoldoende worden beschermd, omdat een aanlegvergunningenstelsel ontbreekt.

2.8.2. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat het plan een beschrijving in hoofdlijnen bevat met een omschrijving van de ruimtelijke kenmerken per gebiedsbestemming. Volgens hem zijn de waardevolle landschapselementen aldus in voldoende mate beschermd. In zijn reactie op het deskundigenbericht verklaart de gemeenteraad dat het kappen van bomen en houtopstanden geen kwestie is die in een bestemmingsplan geregeld dient te worden.

2.8.3. Verweerder sub 1 heeft geen reden gezien het plan op dit onderdeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij onderschrijft het standpunt van de gemeenteraad. Voor zover activiteiten pas toelaatbaar zijn na een vrijstelling vindt volgens verweerder sub 1 een afweging plaats tussen het nut van de voorgenomen activiteit en de vraag in hoeverre deze activiteit afbreuk doet of schade oplevert aan de bestaande belangen.

2.8.4. Het plangebied - voor zover thans relevant - is op afbeelding 9 bij het streekplan, getiteld “landschappelijke strategieën”, aangeduid als “aanpassing”. Volgens het streekplan impliceert deze aanduiding een versterking van de bestaande landschapsstructuur. De strategie van de aanpassing wordt toegepast in die landschapstypen waar functionele ontwikkelingen gedurende de laatste decennia hebben geleid tot een verzwakking van de karakteristiek van het landschapstype.

Een groot deel van het plangebied valt tevens samen met een gebied dat in het streekplan is aangeduid met het landschapstype “veen(weide)landschap”. Volgens het streekplan omvat dit landschapstype onder meer boombeplanting die historisch beperkt is tot erfbeplantingen, geriefbosjes, houtkaden en beplantingen langs wegen. Het streekplanbeleid is gericht op de instandhouding van deze landschapsstructuur. Het streekplan beschouwt gebied met het landschapstype “veen(weide)landschap” in historisch-landschappelijk opzicht als waardevol.

Voorts vermeldt de provinciale “Handleiding bestemmingsplan buitengebied” dat een aanlegvergunning het belangrijkste instrument is waarmee op een flexibele wijze rekening kan worden gehouden met de belangen van natuur en landschap en dat zeker in geval van mengbestemmingen aanlegvoorschriften onmisbaar zijn voor de bescherming van natuur- en landschapswaarden.

2.8.4.1. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de voorschriften zijn gronden met de bestemming “Open weidegebied” onder meer bestemd voor behoud, herstel en ontwikkeling van natuurwaarden, uitsluitend voor zover de gronden zijn aangegeven met “natuurgebied”, behoud en herstel van natuurwaarden, behoudens voor zover de gronden zijn aangegeven met “natuurgebied” en behoud en herstel van landschappelijke en cultuurhistorische waarden.

De Afdeling stelt vast dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat verweerder sub 1 de bestemming getoetst heeft aan bovenstaand streekplanbeleid. Dit klemt te meer aangezien blijkens artikel 4, achtste lid, onder a., van de voorschriften uitsluitend op gronden met de bestemming “Open weidegebied” en de aanduiding “landgoed” een aanlegvergunning vereist is voor het vellen en rooien van bomen.

Ter zitting heeft verweerder sub 1 – in navolging van de gemeenteraad - betoogd dat in de plantoelichting verwezen wordt naar de Kapverordening en de Boswet, dat deze regelingen al een afwegingskader bevatten voor het kappen van bomen en houtopstanden en dat derhalve de noodzaak en doelmatigheid van een aanlegvergunning ter (aanvullende) bescherming van waardevolle landschapselementen in twijfel getrokken kan worden.

De Afdeling is van oordeel dat bij het opstellen van een bestemmingsplan niet zonder meer verwezen kan worden naar het vereiste van een kapvergunning op grond van de Boswet of een gemeentelijke verordening. Deze regelingen kennen niet eenzelfde afweging van belangen als een bestemmingsplan. In het bestemmingsplan wordt immers, in tegenstelling tot in de door verweerder sub 1 aangehaalde regelingen, een afweging van alle in het kader van de ruimtelijke ordening relevante belangen gemaakt.

Voorts overweegt de Afdeling dat ook het provinciaal beleid uitgaat van een planologische bescherming van de op de in geding zijnde gronden aanwezige waardevolle landschapselementen, dat de bestemming “Open weidegebied” deze bescherming niet biedt en dat het plan deze bescherming ook niet anderszins regelt.

Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat verweerder sub 1 zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze bestemming voor wat betreft de noodzakelijke bescherming van waardevolle landschapselementen, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Door het plan op dit onderdeel niettemin goed te keuren, heeft verweerder sub 1 gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

Op deze grond komt het bestreden besluit op dit onderdeel voor vernietiging in aanmerking.

Hiervoor onder 2.5.4. is geoordeeld dat de goedkeuring van de plandelen die samenvallen met het als een SBZ aangewezen gebied “Oostelijke vechtplassen” niet in stand kan blijven. Voor zover de beroepen van [appellanten sub 6] en van [appellant sub 12] eveneens gericht zijn tegen de goedkeuring van plandelen die deel uit maken van dit gebied, zijn hun beroepen reeds om die reden in zoverre eveneens gegrond.

Nu rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, ziet de Afdeling voorts aanleiding goedkeuring te onthouden aan de bestemming “Open weidegebied” op de plankaart.

2.8.5. [appellanten sub 6] en [appellant sub 12] hebben aangevoerd dat verweerder sub 1 ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemming “Open weidegebied” en de aanduidingen “agrarisch bedrijf” en “intensieve veehouderij” voor het perceel [locatie 3]. Zij stellen dat de bestemming en de aanduidingen in strijd zijn met het streekplanbeleid. Volgens hen is het perceel omringd door verzuring-, stank- en geluidsgevoelige functies.

2.8.6. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat ter plaatse reeds sedert jaren een intensieve veehouderij gevestigd is en dat het bij het perceel gaat om bestendiging van het feitelijke gebruik.

2.8.7. Verweerder sub 1 heeft geen reden gezien de bestemming en de aanduidingen in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij heeft overwogen dat het perceel onder het vorige plan reeds bestemd was voor agrarische doeleinden en dat het bedrijf in de loop der jaren weliswaar veranderingen heeft ondergaan wat betreft aard en omvang, maar dat altijd sprake is geweest van een agrarisch bedrijf.

2.8.8. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de voorschriften zijn gronden met de bestemming “Open weidegebied” onder meer bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf, behoudens voor zover de gronden zijn aangegeven met “grondwaterbeschermingsgebied”, “bos” of “natuurgebied” en voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf, uitsluitend voor zover de gronden zijn aangegeven met “grondwaterbeschermingsgebied”.

Ter zitting heeft de gemeenteraad verklaard dat in de doeleindenomschrijving een onderscheid is gemaakt tussen hoofd- en ondergeschikte doeleinden, dat de betekenis van dit onderscheid in de plantoelichting uiteen wordt gezet en dat uit de beschrijving in hoofdlijnen, opgenomen in artikel 4, tweede lid, van de voorschriften, blijkt op welke wijze met dit onderscheid rekening zal worden gehouden. Volgens de gemeenteraad dient de uitoefening van het agrarisch bedrijf als een hoofddoeleind beschouwd te worden, tenzij de gronden tevens voorzien zijn van de aanduidingen “grondwaterbeschermingsgebied”, “bos” of “natuurgebied” en als een ondergeschikt doeleind, wanneer de gronden zijn voorzien van de aanduiding “grondwaterbeschermingsgebied”.

De Afdeling stelt vast dat in de voorschriften het door de gemeenteraad aangehaalde onderscheid niet wordt verklaard en dat artikel 4, tweede lid, van de voorschriften bepaalt dat de beschrijving in hoofdlijnen niet als het toetsingskader voor bouwvergunningen en gebruiksvoorschriften geldt. De beoogde onderschikking van doeleinden is derhalve niet in het plan vastgelegd en kan mitsdien niet worden gehanteerd bij aanvragen om een bouwvergunning noch bij de toepassing van de gebruiksvoorschriften. Dit betekent dat de opgenomen doeleinden nevenschikkend zijn. Gelet hierop acht de Afdeling - daargelaten de vraag of het perceel [locatie 3] voorzien is van de aanduidingen “grondwaterbeschermingsgebied”, “bos” of “natuurgebied” - deze doeleindenomschrijving innerlijk tegenstrijdig.

Voorts brengt de aanduiding “intensieve veehouderij” blijkens artikel 4, eerste lid, van de voorschriften met zich dat mesterijen, fokkerijen en pluimveebedrijven uitsluitend zijn toegestaan voor zover de oppervlakte van de daarvoor benodigde gebouwen per bedrijf niet meer bedraagt dan 2500 m2 dan wel de bestaande oppervlakte indien deze groter is. Wanneer sprake is van “bestaande oppervlakte” geeft het plan niet aan.

De aanduiding “agrarisch bedrijf” ziet blijkens artikel 4, derde lid, onder a., sub 1., van de voorschriften op een bestaand agrarisch bedrijf. Het plan geeft evenwel niet aan wanneer sprake is van een bestaand agrarisch bedrijf.

Daarnaast is in artikel 4, vijfde lid, onder a., sub 5., van de voorschriften opgenomen dat op basis van een vrijstelling het vergroten van de oppervlakte van gebouwen ten behoeve van mesterijen, fokkerijen en pluimveebedrijven met de aanduiding “intensieve veehouderij” mogelijk is met ten hoogste 10% van de bestaande oppervlakte indien deze meer bedraagt dan 2275 m2.

De Afdeling stelt vast dat beoogd is in de doeleindenomschrijving reeds een oppervlakte tot 2500 m2 bij recht toe te staan. Dit betekent dat het vereiste van een vrijstelling voor een oppervlakte tussen 2275 m2 en 2500 m2 zinloos is. Voorts acht de Afdeling deze vrijstellingsregeling voor het overige onvoldoende objectief begrensd, nu niet is aangegeven wat onder “bestaande oppervlakte” dient te worden verstaan en de maximale oppervlakte dat met een vrijstelling kan worden verkregen, niet is bepaald.

Voorts blijkt uit het deskundigenbericht dat bij de vaststelling van het plan onvoldoende rekening is gehouden met de feitelijke situatie rondom het perceel [locatie 3]. Het deskundigenbericht vermeldt immers dat de dichtstbijzijnde woning aan de Schaapsdrift zich op een afstand van ongeveer 150 meter en de recreatiewoningen op het bungalowpark De Egelshoek op een afstand van ongeveer 100 meter van het agrarisch bedrijf bevinden, dat de omgeving als een categorie I omgeving als bedoeld in de Brochure Veehouderij en Hinderwet moet worden aangemerkt, dat - uitgaande van het in de meest recente melding opgenomen aantal van 710 vleeskalveren - het bedrijf een omvang van 710 mestvarkeneenheden heeft en dat bij een dergelijke omvang een afstand van ongeveer 220 meter dient te worden aangehouden.

Hieruit volgt dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid, artikel 3:2 van de Awb en artikel 15, eerste lid, onder a., van de WRO.

Door het plan op deze onderdelen niettemin goed te keuren, heeft verweerder sub 1 gehandeld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en deze artikelen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

Op deze grond komt het bestreden besluit op dit onderdeel voor vernietiging in aanmerking.

Hiervoor onder 2.8.4.1. is geoordeeld dat de goedkeuring van de plandelen met de bestemming “Open weidegebied” niet in stand kan blijven. Aangezien de beroepen van [appellanten sub 6] en van [appellant sub 12] eveneens gericht zijn tegen de goedkeuring van een plandeel met deze bestemming, zijn hun beroepen reeds om die reden in zoverre eveneens gegrond.

2.8.9. De Milieufederatie heeft aangevoerd dat verweerder sub 1 ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemming “Open weidegebied” en de aanduiding “bos” voor het Wezenbosje en het Dassenbosje. Zij betoogt dat deze bosgebiedjes deel uitmaken van de ecologische hoofdstructuur. Volgens appellante is het natuurbelang in het plan onvoldoende beschermd.

2.8.10. De gemeenteraad heeft de bestemming en de aanduiding toegekend om de bestaande natuurwaarden te behouden en zo mogelijk te versterken.

2.8.11. Verweerder sub 1 heeft geen reden gezien de bestemming en de aanduiding in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij onderschrijft het standpunt van de gemeenteraad.

2.8.12. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de voorschriften zijn gronden met de bestemming “Open weidegebied” en de aanduiding “bos” bestemd voor boscomplexen, het behoud van openheid, het behoud en het herstel van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden, het behoud en herstel van natuurwaarden, wonen, dagrecreatie en verkeer.

Hiervoor onder 2.8.8. is overwogen dat de door de gemeenteraad beoogde onderschikking van doeleinden niet in het plan is vastgelegd en dat dan ook de opgenomen doeleinden nevenschikkend zijn. Gelet hierop acht de Afdeling deze doeleindenomschrijving innerlijk tegenstrijdig. Wat onder het begrip “boscomplexen” moet worden verstaan, geeft het plan overigens niet aan. Voorts zijn blijkens artikel 4, eerste lid van de voorschriften, ten dienste van dagrecreatie de aanleg en het gebruik van voet-, fiets- en ruiterpaden, picknickplaatsen en parkeerplaatsen voor ten hoogste 20 motorvoertuigen en de aanleg en het gebruik van naar de aard daarmee gelijk te stellen voorzieningen, toegelaten en ten dienste van verkeer de aanleg en het gebruik van voet- en fietspaden en parkeervoorzieningen aansluitend aan het wegprofiel.

Daarnaast kent het plan ondanks het door de gemeenteraad gewenste behoud van bestaande natuurwaarden geen bouwverbod voor het Wezenbosje en het Dassenbosje. Immers blijkens artikel 4, derde lid, onder e., sub 2., van de voorschriften zijn ten dienste van overige doeleinden bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan, waarbij als enige beperking geldt een bouwhoogte van 1,5 dan wel 3 meter. Voorts overweegt de Afdeling dat voor het vellen en rooien van bomen in deze bosgebiedjes geen aanlegvergunning is vereist en dat het deskundigenbericht vermeldt dat zich in het Dassenbosje een dassenburcht bevindt.

Hieruit volgt dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid en artikel 3:2 van de Awb.

Door het plan op deze onderdelen niettemin goed te keuren, heeft verweerder sub 1 gehandeld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

Op deze grond komt het bestreden besluit op dit onderdeel voor vernietiging in aanmerking.

Hiervoor onder 2.8.4.1. is geoordeeld dat de goedkeuring van de plandelen met de bestemming “Open weidegebied” niet in stand kan blijven. Aangezien het beroep van de Milieufederatie eveneens gericht is tegen de goedkeuring van een plandeel met deze bestemming, is haar beroep reeds om die reden in zoverre eveneens gegrond.

2.8.13. [appellant sub 12] heeft aangevoerd dat verweerder sub 1 ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemming “Open weidegebied” voor het gebied gelegen tussen het Wezenbosje, het Dassenbosje en het bosgebied “Einde Gooi”. Hij stelt dat met het oog op de bescherming van de aanwezige dassen de bestemming “Kleinschalig overgangsgebied” had moeten worden toegekend.

2.8.14. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat alleen gronden voor de aanduiding “natuurontwikkelingsgebied” in aanmerking komen die in het kader van de herinrichting zijn aangewezen als reservaats- en/of natuurontwikkelingsgebied. Het door appellant bedoelde gebied valt, volgens de gemeenteraad, hier buiten.

2.8.15. Verweerder sub 1 heeft geen reden gezien de bestemming in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij onderschrijft het standpunt van de gemeenteraad.

2.8.16. De Afdeling is – anders dan verweerder sub 1 - van oordeel dat de gemeenteraad in het besluit tot vaststelling van het plan met de motivering als hiervoor onder 2.8.14. weergegeven niet is ingegaan op dit als zienswijze ingebrachte bezwaar tegen het ontwerp-plan.

Gelet hierop is het plan op dit punt vastgesteld in strijd met artikel 25 in samenhang met artikel 23, eerste lid, van de WRO. Uit deze bepalingen volgt dat de gemeenteraad tijdig ingebrachte zienswijzen als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de WRO bij de vaststelling van het plan betrekt.

Door het plan op dit punt niettemin goed te keuren, heeft verweerder sub 1 gehandeld in strijd met deze artikelen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

Op deze grond komt het bestreden besluit op dit onderdeel voor vernietiging in aanmerking.

Hiervoor onder 2.8.4.1. is geoordeeld dat de goedkeuring van de plandelen met de bestemming “Open weidegebied” niet in stand kan blijven. Aangezien het beroep van [appellant sub 12] eveneens gericht is tegen de goedkeuring van een plandeel met deze bestemming, is zijn beroep reeds om die reden in zoverre eveneens gegrond.

2.8.17. De Milieudefensie en anderen hebben aangevoerd dat verweerder sub 1 ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemming “Open weidegebied” voor de percelen [locatie 4] en [locatie 5]. Zij stellen dat op deze percelen geen agrarisch bedrijf (meer) wordt uitgeoefend, maar dat sprake is van hobbymatige agrarische activiteiten of niet-agrarische activiteiten.

2.8.18. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat de positieve bestemming van de agrarische bedrijven in het algemeen en die aan de Ruigenhoeksedijk in het bijzonder, gebaseerd is op gegevens afkomstig van de meitellingen van het Centraal Bureau voor de Statistiek en op het landbouwstructuuradvies voor het inrichtingsgebied Noorderpark. Voorts is gebruik gemaakt van de veldinventarisatie die is uitgevoerd voor de opstelling van het plan. Volgens de gemeenteraad is hier feitelijk sprake van bestaande agrarische bedrijven.

2.8.19. Verweerder sub 1 heeft geen reden gezien de bestemming in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij onderschrijft het standpunt van de gemeenteraad.

2.8.20. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de voorschriften zijn gronden met de bestemming “Open weidegebied” onder meer bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf, behoudens voor zover de gronden zijn aangegeven met “grondwaterbeschermingsgebied”, “bos” of “natuurgebied” en voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf, uitsluitend voor zover de gronden zijn aangegeven met “grondwaterbeschermingsgebied”.

Hiervoor onder 2.8.8. is overwogen dat de door de gemeenteraad beoogde onderschikking van doeleinden niet in het plan is vastgelegd en dat dan ook de opgenomen doeleinden nevenschikkend zijn. Gelet hierop acht de Afdeling - daargelaten de vraag of de percelen [locatie 4] en [locatie 5] voorzien zijn van de aanduidingen “grondwaterbeschermingsgebied”, “bos” of “natuurgebied” - deze doeleindenomschrijving innerlijk tegenstrijdig. Deze tegenstrijdigheid wordt niet weggenomen doordat het perceel [locatie 4] tevens is voorzien van de aanduiding “agrarisch bedrijf” en het perceel [locatie 5] van de aanduiding “wonen”. Deze aanduidingen brengen immers geen verdere beperkingen ten aanzien van de gebruiksmogelijkheden van de percelen met zich, zoals die voortvloeien uit de doeleindenomschrijving in artikel 4, eerste lid, van de voorschriften.

Voorts heeft de gemeenteraad – in afwijking van hetgeen in het vaststellingsbesluit is overwogen - ter zitting verklaard geen onderzoek te hebben verricht naar de aard en de omvang van agrarische activiteiten in het plangebied, maar volwaardigheid te hebben aangenomen indien gesproken kon worden van een reeds aanwezig agrarisch bedrijf. Uit de provinciale “Handleiding bestemmingsplan buitengebied” blijkt echter dat voor het toekennen van een bouwblok aan een bestaand agrarisch bedrijf sprake moet zijn van een bedrijfsmatige agrarische productie - zijnde een productie primair gericht op het verwerven van inkomsten - en dat in situaties waarin de agrarische activiteiten slechts een hobbymatig karakter hebben of waarin vaststaat dat de bestaande agrarische bedrijfsactiviteiten gedurende de looptijd van het plan zullen worden beëindigd, geen agrarische maar een woonbestemming dient te worden toegekend.

Hieruit volgt dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid en artikel 3:2 van de Awb.

Door het plan op deze onderdelen niettemin goed te keuren, heeft verweerder sub 1 gehandeld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

Op deze grond komt het bestreden besluit op dit onderdeel voor vernietiging in aanmerking.

Hiervoor onder 2.8.4.1. is geoordeeld dat de goedkeuring van de plandelen met de bestemming “Open weidegebied” niet in stand kan blijven. Aangezien het beroep van de Milieudefensie en anderen eveneens gericht is tegen de goedkeuring van plandelen met deze bestemming, is hun beroep reeds om die reden in zoverre eveneens gegrond. In verband hiermee behoeven de overige bezwaren van appellanten op dit punt geen verdere bespreking.

2.8.21. De Milieudefensie en anderen hebben aangevoerd dat verweerder sub 1 ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemming “Open weidegebied”. Zij betogen dat uitbreiding van niet-grondgebonden agrarische bedrijven in grondwaterbeschermingsgebieden verboden moet zijn.

2.8.22. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat bestaande niet-grondgebonden agrarische bedrijven met een geldige milieuvergunning recht hebben op bestendiging in het plan.

2.8.23. Verweerder sub 1 heeft geen reden gezien de bestemming in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij heeft overwogen dat gronden met de aanduiding “grondwaterbeschermingsgebied” op de plankaart bestemd zijn voor de drinkwatervoorziening en dat de bescherming van het grondwater door de in de milieuvergunningen opgenomen beperkingen in voldoende mate gewaarborgd wordt.

2.8.24. Het streekplan vermeldt dat in grondwaterbeschermingsgebieden een bijzonder regiem geldt, neergelegd in de Verordening grondwaterbescherming provincie Utrecht 1988. In de Verordening en in het Uitwerkingsplan Grondwaterbeschermingsgebieden provincie Utrecht

1993 - 1997 wordt volgens het streekplan een aantal activiteiten verboden, in onder meer de waterwingebieden en de grondwaterbeschermingsgebieden. Deze gebieden zijn aangegeven op de Belemmeringenkaart milieuhygiënische zonering, die als bijlage VI deel uitmaakt van het streekplan. Blijkens deze kaart liggen ten westen van de kern Groenekan een waterwingebied en een grondwaterbeschermingsgebied. In een bestemmingsplan dient, aldus het streekplan, aangegeven te worden dat de Verordening van toepassing is op deze beschermingsgebieden die op de bestemmingsplankaart zijn aangeduid en bovendien dient strijdigheid van grondgebruikvormen met de belangen van de waterwinning voorkomen te worden.

2.8.24.1. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de voorschriften zijn gronden met de bestemming “Open weidegebied” onder meer bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf, behoudens voor zover de gronden zijn aangegeven met onder andere “grondwaterbeschermingsgebied” en voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf, uitsluitend voor zover de gronden zijn aangegeven met “grondwaterbeschermingsgebied”.

De Afdeling stelt vast dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat verweerder sub 1 de bestemming getoetst heeft aan bovenstaand streekplanbeleid. Dit is des te opmerkelijker aangezien in de voorschriften niet is opgenomen dat de provinciale Verordening van toepassing is en het waterwingebied en het grondwaterbeschermingsgebied niet op de plankaart als zodanig zijn aangeduid. Evenmin is verweerder sub 1 kenbaar nagegaan of met het plan in voldoende mate strijdigheid van grondgebruiksvormen met de belangen van de waterwinning voorkomen wordt.

Het bestreden besluit berust wat dit onderdeel van het plan betreft dan ook niet op een deugdelijke motivering.

Hiervoor onder 2.8.8. is overwogen dat de door de gemeenteraad beoogde onderschikking van doeleinden niet in het plan is vastgelegd en dat dan ook de opgenomen doeleinden nevenschikkend zijn. Gelet hierop acht de Afdeling deze doeleindenomschrijving innerlijk tegenstrijdig.

Hieruit volgt dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid.

Door het plan op dit onderdeel niettemin goed te keuren, heeft verweerder sub 1 gehandeld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

Op deze grond komt het bestreden besluit op dit onderdeel voor vernietiging in aanmerking.

Hiervoor onder 2.8.4.1. is geoordeeld dat de goedkeuring van de plandelen met de bestemming “Open weidegebied” niet in stand kan blijven. Aangezien het beroep van de Milieudefensie en anderen eveneens gericht is tegen de goedkeuring van plandelen met deze bestemming, is hun beroep om die reden in zoverre eveneens gegrond.

Overigens wijst de Afdeling erop dat verweerder sub 1 op 24 juni 2001 de nota “Zuiver drinkwater uit de grond: een frisse kijk op nieuw beleid: uitwerkingsplan provincie Utrecht 2001 - 2008” heeft vastgesteld. Blijkens deze nota is daarin het recentste provinciale grondwaterbeschermingsbeleid verwoord.

2.8.25. [appellant sub 12] heeft aangevoerd dat verweerder sub 1 ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemming “Open weidegebied” voor de polder Achttienhoven. Hij stelt dat niet-grondgebonden veehouderijen uit deze polder geweerd dienen te worden. Volgens appellant maakt de polder deel uit van de ecologische hoofdstructuur en is deze status onvoldoende tot uitdrukking gebracht in de planologische regeling.

2.8.26. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat intensieve veehouderijen zich niet in de polder Achttienhoven kunnen vestigen omdat een aanduiding van die strekking op de plankaart ontbreekt.

2.8.27. Verweerder sub 1 heeft geen reden gezien de bestemming in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij onderschrijft het standpunt van de gemeenteraad.

2.8.28. De polder Achttienhoven is op de streekplankaart aangeduid als “landelijk gebied 3”. Volgens het streekplan gaat het bij landelijk gebied 3 om landelijk gebied met primair grondgebonden landbouw. Het streekplanbeleid vermeldt dat in dit landelijk gebied aan bestaande activiteiten in het algemeen geen beperkingen worden opgelegd, tenzij er ongewenste beïnvloeding van de milieukwaliteit (van kwetsbare gebieden elders) dreigt. Aan uitbreiding en/of intensivering van bestaande activiteiten en nieuw te ontwikkelen activiteiten in landelijk gebied 3 worden voorwaarden verbonden teneinde de via het gebiedsgerichte milieubeleid nagestreefde milieukwaliteiten niet te frustreren. Nieuwvestiging van niet-grondgebonden veehouderij is, aldus het streekplan, in landelijk gebied 3 in beginsel mogelijk. Slechts in de zogenaamde overgangszones is de ruimtelijke keuze gemaakt om nieuwvestiging van niet-grondgebonden veehouderij niet toe te staan om de gewenste algemene milieukwaliteit te kunnen realiseren. Als uitzondering hierop wordt nieuwvestiging van niet-grondgebonden veehouderij in de overgangszones toelaatbaar geacht, indien het uitplaatsing uit een landelijk gebied 4 betreft, mits die per saldo leidt tot een aanmerkelijke milieuwinst. Aan bestaande niet-grondgebonden bedrijven worden zowel in de overgangszones als in de overige gebieden met de aanduiding “landelijk gebied 3” vanuit ruimtelijke ordening geen beperkingen opgelegd.

Voorts ligt de polder Achttienhoven in de bufferzone tussen Utrecht en het Gooi waarover het streekplan vermeldt dat de ecologische en natuurwaarden het primaat hebben als groene component in de totale structuur. Deze open ruimte vormt volgens het streekplan een corridor in de noordvleugel van de Randstad en een ecologische verbinding tussen de Utrechtse Heuvelrug, het plassengebied en het centrale deel van het Groene Hart.

De polder Achttienhoven ligt eveneens in een gebied dat op afbeelding 11 bij het streekplan, getiteld “ecologische hoofdstructuur”, is aangeduid als “natuurontwikkelingsgebied”. Volgens het streekplan is de hoofddoelstelling binnen de ecologische hoofdstructuur de duurzame instandhouding, het herstel en de ontwikkeling van de natuurlijke en landschappelijke waarden.

2.8.28.1. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de voorschriften zijn gronden met de bestemming “Open weidegebied” onder meer bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf, behoudens voor zover de gronden zijn aangegeven met “grondwaterbeschermingsgebied”, “bos” of “natuurgebied” en voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf, uitsluitend voor zover de gronden zijn aangegeven met “grondwaterbeschermingsgebied”.

De Afdeling stelt vast dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat verweerder sub 1 de bestemming getoetst heeft aan bovenstaand streekplanbeleid. Ook ter zitting heeft verweerder sub 1 niet kunnen aangeven of in het plan voorwaarden zijn dan wel hadden moeten worden opgenomen, zodat de via zijn gebiedsgerichte milieubeleid nagestreefde milieukwaliteiten niet gefrustreerd worden. Evenmin heeft verweerder sub 1 ter zitting kunnen aangeven of de polder Achttienhoven een overgangszone als bedoeld in het streekplan is.

Het bestreden besluit berust wat dit onderdeel van het plan betreft dan ook niet op een deugdelijke motivering.

Hiervoor onder 2.8.8. is overwogen dat de door de gemeenteraad beoogde onderschikking van doeleinden niet in het plan is vastgelegd en dat dan ook de opgenomen doeleinden nevenschikkend zijn. Gelet hierop acht de Afdeling deze doeleindenomschrijving innerlijk tegenstrijdig.

Voorts stelt de Afdeling vast dat het plan voorziet in de nieuwvestiging van zes agrarische bedrijven midden in de polder Achttienhoven - waarvan volgens het deskundigenbericht een rij van vijf recent is gerealiseerd en een zesde in aanbouw is - terwijl de gemeenteraad blijkens het besluit tot vaststelling van het plan beoogd en bovendien ter zitting nogmaals bevestigd heeft nieuwvestiging van intensieve veehouderijen uit te sluiten.

Hieruit volgt dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid en artikel 3:2 van de Awb.

Door het plan op dit onderdeel niettemin goed te keuren, heeft verweerder sub 1 gehandeld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

Op deze grond komt het bestreden besluit op dit onderdeel voor vernietiging in aanmerking.

Hiervoor onder 2.8.4.1. is geoordeeld dat de goedkeuring van de plandelen met de bestemming “Open weidegebied” niet in stand kan blijven. Aangezien het beroep van [appellant sub 12] eveneens gericht is tegen de goedkeuring van plandelen met deze bestemming, is zijn beroep om die reden in zoverre eveneens gegrond.

2.9. Artikel 5: Stadsrandgebied

2.9.1. [appellant sub 2] heeft aangevoerd dat verweerder sub 1 ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 5, derde lid, onder b., sub 1. van de voorschriften. Hij wenst de mogelijkheid te hebben een tweede woning te bouwen op zijn perceel [locatie 1]. Volgens appellant kan geen sprake zijn van strijd met het provinciaal beleid omdat tegenover zijn perceel een bedrijventerrein is gepland.

2.9.2. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat het gemeentelijke beleid gericht is op het weren van nieuwe burgerwoningen in het buitengebied en dat daarom slechts één woning is toegestaan op het perceel.

2.9.3. Verweerder sub 1 heeft geen reden gezien dit voorschrift in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij heeft overwogen dat het streekplanbeleid zich eveneens verzet tegen de bouw van een tweede woning op het perceel. Volgens verweerder sub 1 is de komst van het bedrijventerrein goedgekeurd in het kader van het regionaal structuurplan en wordt dat ontwikkeld op een voormalige munitieopslagplaats en een voormalig sportveldencomplex.

2.9.4. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder sub 1 zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het voorschrift niet in strijd is met een goede ruimtelijk ordening.

Het perceel is op de streekplankaart aangeduid als “landelijk gebied 1”. Dit gebied kan, aldus het streekplan, gekarakteriseerd worden als een landelijk gebied onder stedelijke invloed, waarbinnen het accent ligt op het agrarisch gebruik. Het streekplanbeleid is erop gericht woonbebouwing te concentreren in het stedelijk gebied, binnen de aangegeven contouren, en functioneel niet aan het buitengebied gebonden gebruiksvormen uit het landelijk gebied te weren. Voorts ligt het perceel nabij de kern De Bilt / Bilthoven waarover het streekplan vermeldt dat uitbreiding daarvan niet past in het provinciaal ruimtelijk beleid.

De Afdeling ziet geen aanleiding dit provinciaal beleid onredelijk te achten.

Ingevolge artikel 5, derde lid, onder b., aanhef en onder sub 1. van de voorschriften geldt voor de bebouwing ten dienste van het gebruik wonen dat het aantal woningen niet meer bedraagt dan het bestaande aantal binnen de met de aanduiding “wonen” aangewezen gronden.

Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, blijkt dat binnen deze aanduiding op het perceel één woning aanwezig is.

Verweerder sub 1 heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de door appellant gewenste bouwmogelijkheid niet in overeenstemming is met zijn beleid.

In de omstandigheid dat tegenover het perceel van appellant, maar buiten het plangebied, een bedrijventerrein is gepland, behoefde verweerder sub 1 geen aanleiding te zien van zijn beleid af te wijken. Ter zitting heeft verweerder sub 1 onweersproken verklaard dat met de komst van dit bedrijventerrein een groot maatschappelijke belang is gemoeid en dat met het oog daarop een afwijkingsprocedure van het streekplan is gevolgd. Ook anderszins is niet gebleken van feiten of omstandigheden die tot afwijking van het beleid noopten.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Hieruit volgt dat verweerder sub 1 in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep van [appellant sub 2] is in zoverre ongegrond.

2.9.5. [appellant sub 2] heeft aangevoerd dat verweerder sub 1 ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 5, derde lid, onder b., sub 2. van de voorschriften. Hij stelt dat een bebouwingsoppervlakte van 750 m2 voor zijn perceel [locatie 1] te klein is. Volgens appellant is de omvang van zijn perceel groot genoeg om een verdere uitbreiding toe te staan en zal de openheid van het omliggende gebied gewaarborgd blijven.

2.9.6. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat het maximale bebouwingsoppervlak de bestaande maatvoering weergeeft en tevens de landschappelijke karakteristiek van het omliggende gebied beschermt.

2.9.7. Verweerder sub 1 heeft geen reden gezien dit voorschrift in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij onderschrijft het standpunt van de gemeenteraad.

2.9.8. Uit artikel 5, derde lid, onder b., aanhef en sub 2. van de voorschriften volgt dat van een bouwperceel ten dienste van wonen de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 750 m2.

Uit de verklaringen van appellant ter zitting is gebleken dat de omvang van de bestaande bebouwing op zijn perceel beduidend minder omvangrijk is.

Onder deze omstandigheden, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder sub 1 zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit onderdeel niet strijdt met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Hieruit volgt dat verweerder sub 1 in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep van [appellant sub 2] is in zoverre ongegrond.

2.9.9. [appellant sub 4] heeft aangevoerd dat verweerder sub 1 ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan artikel 5, vijfde lid, onder a., sub 1., van de voorschriften, waarin is bepaald dat het college vrijstelling kan verlenen voor een hogere goothoogte tot een maximale goothoogte van 6 meter. Hij stelt dat een goothoogte van 4 meter voor de bedrijfsgebouwen bij zijn paardenfokkerij op het perceel [locatie 6] noodzakelijk is.

2.9.10. Verweerder sub 1 heeft goedkeuring onthouden aan dit voorschrift omdat toepassing van de daarin opgenomen vrijstellingsbevoegdheid tot gevolg kan hebben dat woningen een inhoudsmaat krijgen, die groter is dan toegestaan op grond van het provinciaal beleid. Voor het overige heeft hij geen reden gezien dit voorschrift in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten.

2.9.11. Uit artikel 5, derde lid, onder a., sub 7., van de voorschriften volgt dat de goothoogte voor de agrarische bedrijfsgebouwen op het perceel maximaal 3 meter bedraagt.

De Afdeling stelt vast dat de planregeling voorziet in een mogelijkheid vrijstelling te verlenen van deze bepaling tot een goothoogte van maximaal 6 meter.

Van de door appellant veronderstelde inperking van het toepassingbereik van de vrijstellingsbevoegdheid is dan ook geen sprake.

Het beroep van [appellant sub 4] mist feitelijke grondslag en is derhalve ongegrond.

2.9.12. [appellant sub 5] heeft aangevoerd dat verweerder sub 1 ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemming “Stadsrandgebied” en de aanduidingen “agrarisch bedrijf” en “intensieve veehouderij” voor zijn perceel [locatie 7]. Hij betoogt dat een bouwblok met een diepte van 200 meter voor zijn varkenshouderij had moeten worden toegekend en dat de bestaande opslag positief bestemd had moeten worden. Daarnaast maakt hij bezwaar tegen de beperking van de vrijstellingsbevoegdheid voor opslag tot een omvang van 500 m2 en tegen de goothoogte van maximaal 3 meter voor zijn agrarische bedrijfsgebouwen.

2.9.13. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat in het algemeen een gezonde bedrijfsvoering mogelijk is bij een bouwblok met een omvang van 1 hectare en een diepte van 150 meter. Voorts wijst hij erop dat voor opslag als neventak bij een agrarisch bedrijf een vrijstelling kan worden verleend tot een oppervlakte van 500 m2. Een goothoogte van 3 meter sluit, volgens de gemeenteraad, aan bij de aard van de bebouwing in het gebied. Hij acht een grotere goothoogte tot maximaal 6 meter, die mogelijk is op basis van een vrijstelling, ruim voldoende voor een goede agrarische bedrijfsvoering.

2.9.14. Verweerder sub 1 heeft geen reden gezien het plan op deze onderdelen in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij heeft overwogen dat bij een bouwblok met een diepte van 200 meter de gemeentegrens wordt overschreden, dat de gemeente De Bilt geen zeggenschap heeft over het grondgebied van de gemeente Utrecht en dat de verlening van een milieuvergunning voor opslag niet betekent dat die opslag positief bestemd moet worden. Voorts acht hij de vrijstellingsregeling voor opslag aanvaardbaar en is hij van mening dat het verplicht volgen van de vrijstellingsprocedure voor een hogere goothoogte dan 3 meter niet onnodig vertragend werkt.

2.9.15. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de voorschriften zijn gronden met de bestemming “Stadsrandgebied” onder meer bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf, behoudens voor zover de gronden zijn aangegeven met “grondwaterbeschermingsgebied”, “bos” of “natuurgebied” en voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf, uitsluitend voor zover de gronden zijn aangegeven met “grondwaterbeschermingsgebied”.

Hiervoor onder 2.8.8. is overwogen dat de door de gemeenteraad beoogde onderschikking van doeleinden niet in het plan is vastgelegd en dat dan ook de opgenomen doeleinden nevenschikkend zijn. Gelet hierop acht de Afdeling - daargelaten de vraag of het perceel van appellant voorzien is van de aanduidingen “grondwaterbeschermingsgebied”, “bos” of “natuurgebied” - de doeleindenomschrijving in artikel 5, eerste lid, van de voorschriften eveneens innerlijk tegenstrijdig.

Voorts brengt de aanduiding “intensieve veehouderij” blijkens artikel 5, eerste lid, van de voorschriften met zich dat onder meer mesterijen en fokkerijen uitsluitend zijn toegestaan voor zover de oppervlakte van de daarvoor benodigde gebouwen per bedrijf niet meer bedraagt dan 2500 m2 dan wel de bestaande oppervlakte indien deze groter is. Wanneer sprake is van “bestaande oppervlakte” geeft het plan niet aan.

De aanduiding “agrarisch bedrijf” ziet blijkens artikel 5, derde lid, onder a., sub 1., van de voorschriften op een bestaand agrarisch bedrijf. Het plan geeft evenwel niet aan wanneer sprake is van een bestaand agrarisch bedrijf.

Ingevolge artikel 5, derde lid, onder a., sub 4. van de voorschriften bedraagt de afstand tussen de grenzen van het bouwvlak, gemeten langs de weg niet meer dan 100 meter en voor het overige niet meer dan 150 meter.

Ingevolge artikel 5, derde lid, onder a., sub 5. van de voorschriften bedraagt de afstand tot de grens van het bouwperceel tenminste 5 meter.

De Afdeling stelt vast dat in beide bouwvoorschriften onvoldoende is bepaald vanaf welk punt tot aan welk ander punt gemeten dient te worden, om te kunnen bepalen of de voorgeschreven afstanden in acht zijn genomen.

Daarnaast blijkt uit het deskundigenbericht dat bij de vaststelling van het plan onvoldoende rekening is gehouden met de feitelijke situatie op het perceel. Het deskundigenbericht vermeldt immers dat bepaalde bedrijfsgebouwen van appellant reeds een goothoogte hebben van meer dan 3 meter, terwijl in artikel 5, derde lid, aanhef en onder 7., van de voorschriften de maximale goothoogte van die bedrijfsgebouwen is bepaald op 3 meter.

Voorts blijkt uit het vaststellingsbesluit dat de gemeenteraad kan instemmen met een bouwblok van (maximaal) 1 hectare en met de bestaande opslag met een maximum van 500 m2, op het perceel van appellant. Het deskundigenbericht vermeldt dat het perceel aan de straatzijde ongeveer 50 meter breed is, dat de gemeentegrens pas - gemeten vanuit de berm van de Voordorpsedijk - bij een diepte van meer dan ongeveer 165 meter wordt overschreden en dat de bestaande opslag bestaat uit schilders- en loodgieterijmaterialen. De Afdeling stelt echter vast dat een bouwblok met een diepte van 165 meter en deze opslag niet bij recht zijn toegestaan.

Hieruit volgt dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid en artikel 3:2 van de Awb.

Door het plan op deze onderdelen niettemin goed te keuren, heeft verweerder sub 1 gehandeld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

Het beroep van [appellant sub 5] is gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd. In verband hiermee behoeven de overige bezwaren van appellant op dit punt geen verdere bespreking.

Nu rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, ziet de Afdeling voorts aanleiding goedkeuring te onthouden aan het plandeel met de bestemming “Stadsrandgebied” en de aanduidingen “agrarisch bedrijf” en “intensieve veehouderij”, voor zover het betreft het perceel [locatie 7].

2.9.16. De Milieufederatie heeft aangevoerd dat verweerder sub 1 ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemming “Stadsrandgebied” en de aanduiding “bos” voor de bosgebieden in de polder De Gagel. Zij betoogt dat deze bosgebieden deel uitmaken van de ecologische hoofdstructuur. Volgens appellante is het natuurbelang in het plan onvoldoende beschermd.

2.9.17. De gemeenteraad heeft de bestemming en de aanduiding toegekend om de bestaande natuurwaarden te behouden en zo mogelijk te versterken.

2.9.18. Verweerder sub 1 heeft geen reden gezien de bestemming en de aanduiding in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij onderschrijft het standpunt van de gemeenteraad.

2.9.19. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de voorschriften zijn gronden met de bestemming “Stadsrandgebied” en de aanduiding “bos” bestemd voor dagrecreatie, boscomplexen, het behoud en herstel van natuurwaarden, het behoud van openheid, het behoud en het herstel van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden, wonen en verkeer.

Hiervoor onder 2.8.8. is overwogen dat de door de gemeenteraad beoogde onderschikking van doeleinden niet in het plan is vastgelegd en dat dan ook de opgenomen doeleinden nevenschikkend zijn. Gelet hierop acht de Afdeling deze doeleindenomschrijving eveneens innerlijk tegenstrijdig. Wat onder het begrip “boscomplexen” moet worden verstaan, geeft het plan overigens niet aan. Voorts zijn blijkens artikel 5, eerste lid, van de voorschriften ten dienste van dagrecreatie de aanleg en het gebruik van voet-, fiets- en ruiterpaden, picknickplaatsen en parkeerplaatsen voor ten hoogste 20 motorvoertuigen en de aanleg en het gebruik van naar de aard daarmee gelijk te stellen voorzieningen toegelaten en ten dienste van verkeer de aanleg en het gebruik van voet- en fietspaden.

Daarnaast kent het plan ondanks het door de gemeenteraad gewenste behoud van bestaande natuurwaarden geen bouwverbod voor de bosgebieden in de polder De Gagel. Immers blijkens artikel 5, derde lid, onder e., sub 2., van de voorschriften zijn ten dienste van overige doeleinden bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan, waarbij als enige beperking geldt een bouwhoogte van 1,5 dan wel 3 meter. Voorts overweegt de Afdeling dat voor het vellen en rooien van bomen in deze bosgebieden geen aanlegvergunning is vereist en dat het deskundigenbericht vermeldt dat het bij de bosgebieden om moerasbos gaat in een moerasgebied met open water. Bovendien zijn de bosgebieden op de streekplankaart aangeduid als “landelijk gebied 5”. Dit gebied kan, aldus het streekplan, gekarakteriseerd worden als een landelijk gebied met als hoofdfunctie natuur, waarbinnen het accent ligt op natuurgebieden met een zeer aangepast agrarisch of recreatief gebruik.

Hieruit volgt dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid en artikel 3:2 van de Awb.

Door het plan op deze onderdelen niettemin goed te keuren, heeft verweerder sub 1 gehandeld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

Het beroep van de Milieufederatie is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd.

Nu rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, ziet de Afdeling voorts aanleiding goedkeuring te onthouden aan de bestemming “Stadsrandgebied” en de aanduiding “bos” op de plankaart.

2.9.20. De Milieudefensie en anderen hebben aangevoerd dat verweerder sub 1 ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemming “Stadsrandgebied” voor de percelen [locatie 8], [locatie 9], [locatie 10], [locatie 11] en [locatie 12]. Zij stellen dat op deze percelen geen agrarisch bedrijf (meer) wordt uitgeoefend, maar dat sprake is van hobbymatige agrarische activiteiten of niet-agrarische activiteiten.

2.9.21. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat de positieve bestemming van de agrarische bedrijven in het algemeen en die aan de Ruigenhoeksedijk in het bijzonder, gebaseerd is op gegevens afkomstig van de meitellingen van het Centraal Bureau voor de Statistiek en op het landbouwstructuuradvies voor het inrichtingsgebied Noorderpark. Voorts is gebruik gemaakt van de veldinventarisatie die is uitgevoerd voor de opstelling van het plan. Volgens de gemeenteraad is hier feitelijk sprake van bestaande agrarisch bedrijven.

2.9.22. Verweerder sub 1 heeft geen reden gezien de bestemming in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij onderschrijft het standpunt van de gemeenteraad.

2.9.23. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de voorschriften zijn gronden met de bestemming “Stadsrandgebied” onder meer bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf, behoudens voor zover de gronden zijn aangegeven met “grondwaterbeschermingsgebied”, “bos” of “natuurgebied” en voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf, uitsluitend voor zover de gronden zijn aangegeven met “grondwaterbeschermingsgebied”.

Hiervoor onder 2.8.8. is overwogen dat de door de gemeenteraad beoogde onderschikking van doeleinden niet in het plan is vastgelegd en dat dan ook de opgenomen doeleinden nevenschikkend zijn. Gelet hierop acht de Afdeling - daargelaten de vraag of de percelen [locatie 8], [locatie 9], [locatie 10], [locatie 11] en [locatie 12] voorzien zijn van de aanduidingen “grondwaterbeschermingsgebied”, “bos” of “natuurgebied” - de doeleindenomschrijving in artikel 5, eerste lid, van de voorschriften innerlijk tegenstrijdig. Deze tegenstrijdigheid wordt niet weggenomen doordat de percelen [locatie 10], [locatie 11] en [locatie 12] tevens zijn voorzien van de aanduiding “agrarisch bedrijf” en de percelen [locatie 8] en [locatie 9] van de aanduiding “wonen”. Deze aanduidingen brengen immers geen verdere beperkingen ten aanzien van de gebruiksmogelijkheden van de percelen met zich, zoals die voortvloeien uit de doeleindenomschrijving in artikel 5, eerste lid, van de voorschriften.

Voorts heeft de gemeenteraad – in afwijking van hetgeen in het vaststellingsbesluit is overwogen - ter zitting verklaard geen onderzoek te hebben verricht naar de aard en de omvang van agrarische activiteiten in het plangebied, maar volwaardigheid te hebben aangenomen indien gesproken kon worden van een reeds aanwezig agrarisch bedrijf.

Uit de provinciale “Handleiding bestemmingsplan buitengebied” blijkt echter dat voor het toekennen van een bouwblok aan een bestaand agrarische bedrijf sprake moet zijn van een bedrijfsmatige agrarische productie - zijnde een productie primair gericht op het verwerven van inkomsten - en dat in situaties waarin de agrarische activiteiten slechts een hobbymatig karakter hebben of waarin vaststaat dat de bestaande agrarische bedrijfsactiviteiten gedurende de looptijd van het plan zullen worden beëindigd, geen agrarische maar een woonbestemming dient te worden toegekend.

Hieruit volgt dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid en artikel 3:2 van de Awb.

Door het plan op deze onderdelen niettemin goed te keuren, heeft verweerder sub 1 gehandeld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

Het beroep van de Milieudefensie en anderen is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd. In verband hiermee behoeven de overige bezwaren van appellanten op dit punt geen verdere bespreking.

Nu rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, ziet de Afdeling voorts aanleiding goedkeuring te onthouden aan de plandelen met de bestemming “Stadsrandgebied”, voor zover het betreft de percelen [locatie 8]. [locatie 9], [locatie 10], [locatie 11] en [locatie 12].

2.9.24. De Milieudefensie en anderen hebben aangevoerd dat verweerder sub 1 ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 5, vijfde lid, onder a., sub 4., van de voorschriften. Zij betogen dat de in het plan geboden uitbreidingsmogelijkheid beperkt had moeten worden tot 15% van de omvang van de bestaande stallen.

2.9.25. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat de uitbreidingsmogelijkheid zo gekozen is dat aan het hoofddoel van het gemeentelijke beleid, te weten de instandhouding van de bestaande agrarische bedrijven, in voldoende mate tegemoet kan worden gekomen.

2.9.26. Verweerder sub 1 heeft geen reden gezien dit voorschrift in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Volgens hem zijn voor bestaande agrarische bedrijven zodanige bouwmogelijkheden gewenst, dat ten minste voldoende ruimte wordt geboden voor de bebouwing die noodzakelijk is voor een doelmatige voortzetting en ontwikkeling van het bedrijf.

2.9.27. De provinciale “Handleiding bestemmingsplan buitengebied” vermeldt dat niet valt uit te sluiten dat de in een bestemmingsplan bij recht toegestane bebouwingmogelijkheid gedurende de planperiode niet toereikend is voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering. Door het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid kan worden voorzien in een mogelijkheid tot vergroting daarvan. Bij de toepassing van deze bepaling vormen de bedrijfseconomische noodzaak voor uitbreiding en de omringende functies en waarden de belangrijkste toetsingscriteria. Volgens de handleiding zal in de meeste gevallen een vergroting van 0,25 hectare voldoende zijn. Het koppelen van deze uitbreiding aan een absolute maat heeft de voorkeur boven een procentuele uitbreidingsmogelijkheid.

2.9.28. Ingevolge artikel 5, vijfde lid, onder a., sub 4., van de voorschriften kan het college een vrijstelling verlenen voor het vergroten van de oppervlakte van gebouwen ten behoeve van mesterijen, fokkerijen en pluimveebedrijven die zijn aangegeven met “intensieve veehouderijen” met ten hoogste 10% van de bestaande oppervlakte indien deze meer bedraagt dan 2275 m2.

De Afdeling stelt vast dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat verweerder sub 1 deze vrijstellingsbevoegdheid getoetst heeft aan bovenstaand provinciaal beleid.

Het bestreden besluit berust wat dit onderdeel van het plan betreft dan ook niet op een deugdelijke motivering.

Voorts overweegt de Afdeling dat beoogd is in de doeleindenomschrijving in artikel 5, eerste lid, van de voorschriften reeds een oppervlakte tot 2500 m2 bij recht toe te staan. Dit betekent dat het vereiste van een vrijstelling voor een oppervlakte tussen 2275 m2 en 2500 m2 zinloos is. Daarnaast acht de Afdeling deze vrijstellingsregeling voor het overige onvoldoende objectief begrensd, nu niet is aangegeven wat onder “bestaande oppervlakte” dient te worden verstaan en het maximale oppervlak dat met een vrijstelling kan worden verkregen, niet is bepaald.

Hieruit volgt dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met artikel 15, eerste lid, onder a., van de WRO.

Door het plan op dit onderdeel niettemin goed te keuren, heeft verweerder sub 1 gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

Het beroep van de Milieudefensie en anderen is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd. In verband hiermee behoeven de overige bezwaren van appellanten op dit punt geen verdere bespreking.

Nu rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, ziet de Afdeling voorts aanleiding goedkeuring te onthouden aan artikel 5, vijfde lid, onder a, sub 4., van de voorschriften.

2.10. Artikel 6: Kleinschalig overgangsgebied

2.10.1. Het college van gedeputeerde staten, [appellant sub 17], [appellante sub 18], [appellant sub 19], [appellant sub 20] en [appellant sub 21] hebben aangevoerd dat verweerder sub 2 ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan de aanduiding “kleine woning” op de percelen [locatie 16], [locatie 17] en [locatie 18], [locatie 14] en [locatie 15] met de bestemming “Kleinschalig overgangsgebied”.

2.10.2. Verweerder sub 2 heeft goedkeuring onthouden aan de aanduiding omdat sprake is van kennelijke strijd met het nationaal ruimtelijk beleid. Hij wijst erop dat de op deze percelen aanwezige recreatiewoningen binnen een kerngebied liggen van de ecologische hoofdstructuur, zoals aangegeven in het Structuurschema Groene Ruimte (hierna: SGR). Volgens hem heeft de aanduiding tot gevolg dat een permanent gebruik van deze woningen wordt toegestaan, hetgeen de wezenlijke kenmerken en waarden van het kerngebied aantast. Verweerder sub 2 acht geen zwaarwegend maatschappelijk belang aanwezig voor een dermate grote afwijking van het in het SGR opgenomen rijksbeleid. Bovendien liggen de percelen in het Nationaal Landschap het Groene Hart en binnen de rijksbufferzone Utrecht - Hilversum, waarvoor een restrictief rijksbeleid geldt, inhoudende dat een toename van het aantal burgerwoningen buiten de in het provinciale streekplan aangegeven bebouwingscontouren niet is toegestaan.

2.10.2.1. Vlak voor de sluiting van het onderzoek ter zitting heeft verweerder sub 2 bij de gelegenheid als bedoeld in artikel 8:65, tweede lid, van de Awb, betoogd dat niet alleen de verlening van goedkeuring van de aanduiding “kleine woning” op de percelen is vervangen, maar dat hij tevens aan alle andere delen van de plankaart en/of van de voorschriften die een permanente bewoning van die recreatiewoningen mogelijk maakt, goedkeuring heeft onthouden. Daartoe heeft hij gewezen op het slot van zijn besluit, waarin is gesteld: “In verband hiermee onthoud ik goedkeuring aan het plandeel daar waar het gaat om legalisering van permanente bewoning van recreatiewoningen Binckhorstlaan (met uitzondering van de [locatie 16], [locatie 17] en [locatie 18]), de Karnemelkseweg en de Vuursche Dreef”.

2.10.3. Ten aanzien van het hiervoor onder 2.10.2.1. opgenomen betoog van verweerder sub 2, is de Afdeling van oordeel dat deze uitleg van het vervangingsbesluit in een zo laat stadium van de (beroeps-)procedure naar voren is gebracht, dat dit betoog wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing moet blijven. Daarbij acht de Afdeling mede van belang dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder sub 2 redelijkerwijs niet kan worden verweten deze uitleg niet eerder naar voren te hebben gebracht.

Ambtshalve toetsend is de Afdeling van oordeel dat aan de door verweerder sub 2 aangehaalde zinsnede geen doorslaggevende betekenis toekomt. Immers de inspecteur van de ruimtelijke ordening heeft in zijn tegen het ontwerp-plan bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze en in zijn tegen het vastgestelde plan bij verweerder sub 1 ingebrachte bedenking alleen aangegeven dat de aanduiding “kleine woning” strijdt met het nationaal ruimtelijk beleid en ook in de kennisgeving van 19 september 2001, als bedoeld in artikel 3:12, eerste lid, van de Awb, wordt uitsluitend melding gemaakt van de onthouding van goedkeuring aan deze aanduiding op de percelen.

2.10.3.1. De Afdeling stelt vast dat in het plan aan de aanduiding “kleine woning” uitsluitend betekenis toekomt in relatie tot de bouwvoorschriften, als opgenomen in artikel 6, derde lid, onder c., sub 1., 3. en 6., van de voorschriften.

Ingevolge deze bepalingen bedraagt het aantal woningen niet meer dan het bestaande aantal, de oppervlakte van het bouwperceel niet meer dan 350 m2 en de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen niet meer dan 30 m2, en mogen de ter plaatse aanwezige woningen en aanbouwen niet vergroot worden, tenzij voldaan dient te worden aan de minimale afmetingen van het Bouwbesluit.

Anders dan verweerder sub 2 veronderstelt creëren deze bouwvoorschriften en daarmee de aanduiding “kleine woning”, niet de mogelijkheid om de op de percelen aanwezige recreatiewoningen permanent te gebruiken, maar wordt (deze vorm van) bewoning op gronden met de bestemming “Kleinschalig overgangsgebied” toegestaan door de doeleindenomschrijving in artikel 6, eerste lid, van de voorschriften.

Het bestreden besluit is wat dit onderdeel van het plan betreft dan ook niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

De beroepen van het college van gedeputeerde staten, van [appellant sub 17], van [appellante sub 18], van [appellant sub 19], van [appellant sub 20] en van [appellant sub 21] zijn gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb.

2.10.4. [appellanten sub 6], de Milieufederatie, [appellant sub 12] en het Utrechts Landschap hebben aangevoerd dat verweerder sub 1 ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemming “Kleinschalig overgangsgebied” en de aanduiding “kleine woning” voor de percelen [locaties 13], [locatie 14] en [locatie 15] en aan de bestemming “Kleinschalig overgangsgebied” en de aanduiding “recreatiewoning” voor de percelen [locatie 16], [locatie 17] en [locatie 18]. Appellanten stellen dat het toestaan van permanente bewoning van daar aanwezige recreatiewoningen op gespannen voet staat met de waarden van het omliggende gebied en in strijd is met het rijks- en provinciaal beleid.

2.10.5. De gemeenteraad heeft de bestemming en de aanduiding toegekend omdat de mogelijke permanente bewoning reeds onder het overgangsrecht van het vorige plan viel. Volgens hem is niet te voorzien dat dit aldus toegestane gebruik binnen de planperiode wordt beëindigd.

2.10.6. Verweerder sub 1 heeft geen reden gezien het plan op deze onderdelen in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij onderschrijft het standpunt van de gemeenteraad.

2.10.7. Wat betreft de verlening van goedkeuring door verweerder sub 1 aan de aanduiding “kleine woning” op de percelen [locatie 13], [locatie 14] en [locatie 15], stelt de Afdeling vast dat het besluit van verweerder sub 1 op dit onderdeel vervangen is door het besluit van verweerder sub 2 en dat het besluit van verweerder sub 2 op grond van artikel 29, achtste lid, van de WRO in zoverre in de plaats treedt van het besluit van verweerder sub 1.

De beroepen van [appellanten sub 6], van de Milieufederatie, van [appellant sub 12] en van het Utrechts Landschap zijn in zoverre dan ook niet-ontvankelijk.

2.10.7.1. Ten aanzien van de goedkeuring door verweerder sub 1 van de bestemming “Kleinschalig overgangsgebied” voor de percelen [locaties 13], [locatie 14] en [locatie 15] en van de bestemming “Kleinschalig overgangsgebied” en de aanduiding “recreatiewoning” voor de percelen [locatie 16] en [locatie 17], overweegt de Afdeling dat deze percelen op de streekplankaart zijn aangeduid als “landelijk gebied 4”. Dit gebied kan, aldus het streekplan, gekarakteriseerd worden als een landelijk gebied met verweven natuurwaarden en grondgebruik. Het streekplanbeleid is erop gericht woonbebouwing te concentreren in het stedelijk gebied, binnen de aangegeven contouren, en functioneel niet aan het buitengebied gebonden gebruiksvormen uit het landelijke gebied te weren.

Voorts liggen de percelen eveneens in een gebied dat op afbeelding 11 bij het streekplan, getiteld “ecologische hoofdstructuur”, is aangeduid als “kerngebied”. Volgens het streekplan is de hoofddoelstelling binnen de ecologische hoofdstructuur de duurzame instandhouding, het herstel en de ontwikkeling van natuurlijke en landschappelijke waarden.

In de provinciale “Handleiding bestemmingsplannen buitengebied” is opgenomen dat ter voorkoming van permanent gebruik van recreatiewoningen het gewenst is een dergelijk gebruik via de gebruiksvoorschriften expliciet uit te sluiten.

2.10.7.2. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de voorschriften zijn gronden met de bestemming “Kleinschalig overgangsgebied” onder meer bestemd voor wonen.

De Afdeling stelt vast dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat verweerder sub 1 de bestemming getoetst heeft aan bovenstaand provinciaal beleid. Dit klemt te meer aangezien uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat aan de percelen in het vorige plan geen woonbestemming was toegekend. Voorts is verweerder sub 1 niet kenbaar nagegaan of bij één of meerdere percelen sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden die een uitzondering op het streekplanbeleid rechtvaardigen. Daarbij acht de Afdeling van belang dat de enkele omstandigheid dat het college in het verleden niet handhavend is opgetreden tegen de gestelde permanente bewoning, niet met zich brengt dat van het beleid moet worden afgeweken. Voor zover verweerder sub 1 – in navolging van de gemeenteraad - voor bepaalde percelen wijst op de overgangsrechtelijke bepalingen uit het vorige plan, overweegt de Afdeling dat verweerder sub 1 de onderbouwing van zijn betoog niet heeft gegeven.

Het bestreden besluit berust wat dit onderdeel van het plan betreft dan ook niet op een deugdelijke motivering.

De beroepen van [appellanten sub 6], van de Milieufederatie, van [appellant sub 12] en van het Utrechts Landschap zijn in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb.

2.10.8. [appellanten sub 1] hebben aangevoerd dat verweerder sub 1 ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de aanduiding “recreatiewoning” op het perceel [locatie 16] met de bestemming “Kleinschalig overgangsgebied”. Volgens hen moet het permanente gebruik van hun woning worden toegestaan. Zij doen in dat verband een beroep op de bestemmingsregeling voor andere percelen aan de Binckhorstlaan, de Karnemelkseweg, de Vuursche Dreef en de Graaf Floris de Vijfde-weg.

2.10.9. De gemeenteraad heeft de aanduiding toegekend omdat sprake is van een niet-permanent bewoonde recreatiewoning.

2.10.10. Verweerder sub 1 heeft geen reden gezien de aanduiding in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij onderschrijft het standpunt van de gemeenteraad. Volgens hem is het college in het verleden succesvol opgetreden tegen het permanente gebruik van de woning op het perceel.

2.10.11. De Afdeling stelt vast dat hiervoor onder 2.10.7.2. is geoordeeld dat de goedkeuring van het plandeel met de bestemming “Kleinschalig overgangsgebied” en de aanduiding “recreatiewoning” voor het perceel [locatie 16] niet in stand kan blijven.

Hieruit volgt dat het beroep van [appellanten sub 1] voor zover gericht tegen deze aanduiding bij die bestemming eveneens gegrond is.

Overigens wijst de Afdeling erop dat - anders dan partijen veronderstellen

- deze aanduiding geen verdere beperking ten aanzien van de gebruiksmogelijkheden van het perceel met zich brengt, zoals die voortvloeien uit de doeleindenomschrijving in artikel 6, eerste lid, van de voorschriften. Die mogelijkheden zijn (nog) ruimer indien een bestaande recreatiewoning aanwezig is en de gronden tevens voorzien zijn van deze aanduiding, omdat dan ter plaatse eveneens verblijfsrecreatie is toegestaan.

2.10.12. [appellante sub 3] heeft aangevoerd dat verweerder sub 1 ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemming “Kleinschalig overgangsgebied” en de aanduidingen “agrarisch bedrijf” en “kassen” voor zijn perceel [locatie 19]. Zij betoogt dat niet alle bestaande bedrijfsactiviteiten positief bestemd zijn en dat een bedrijfsbestemming toegekend had moeten worden.

2.10.13. De gemeenteraad heeft de bestemming en de aanduidingen toegekend omdat de bedrijfsbebouwing wordt gebruikt voor ‘eigen teelt’ ten behoeve van een tuincentrum, hetgeen een toelaatbare agrarische gebruiksvorm is. Volgens hem kan voor de bestaande opslag een vrijstelling worden verleend tot een oppervlakte van 500 m2. Het gemeentelijke beleid staat echter nieuwvestiging van niet-agrarische bedrijvigheid niet toe, zodat het perceel geen bedrijfsbestemming kan worden toegekend.

2.10.14. Verweerder sub 1 heeft geen reden gezien de bestemming en de aanduidingen in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij onderschrijft het standpunt van de gemeenteraad.

2.10.15. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de voorschriften zijn gronden met de bestemming “Kleinschalig overgangsgebied” onder meer bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf, behoudens voor zover de gronden zijn aangegeven met “grondwaterbeschermingsgebied”, “bos” of “natuurgebied” en voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf, uitsluitend voor zover de gronden zijn aangegeven met “grondwaterbeschermingsgebied”.

Hiervoor onder 2.8.8. is overwogen dat de door de gemeenteraad beoogde onderschikking van doeleinden niet in het plan is vastgelegd en dat dan ook de opgenomen doeleinden nevenschikkend zijn. Gelet hierop acht de Afdeling - daargelaten de vraag of het perceel van appellante voorzien is van de aanduiding “grondwaterbeschermingsgebied”, “bos” of “natuurgebied” - de doeleindenomschrijving in artikel 6, eerste lid, van de voorschriften eveneens innerlijk tegenstrijdig.

Bovendien wordt blijkens dit artikellid onder “de uitoefening van een agrarisch bedrijf” niet (tevens) boom- of heesterteelt begrepen. Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, en het verhandelde ter zitting is echter gebleken dat de door de gemeenteraad bedoelde ‘eigen teelt’ in ieder geval teelt van heesters (in potten) op het perceel betreft.

Daarnaast ziet de aanduiding “agrarisch bedrijf” blijkens artikel 6, derde lid, onder a., sub 1., van de voorschriften op een bestaand agrarisch bedrijf. Het plan geeft evenwel niet aan wanneer sprake is van een bestaand agrarisch bedrijf.

Voorts blijkt uit het vaststellingsbesluit dat de gemeenteraad kan instemmen met de bestaande opslag op het perceel van appellante, met een maximum van 500 m2. Het deskundigenbericht vermeldt dat deze opslag bestaat uit tuinmeubilair, pallets en afvalcontainers. De Afdeling stelt echter vast dat deze opslag niet bij recht is toegestaan.

Hieruit volgt dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid en artikel 3:2 van de Awb.

Door het plan op deze onderdelen niettemin goed te keuren, heeft verweerder sub 1 gehandeld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

Het beroep van [appellante sub 3] is gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd. In verband hiermee behoeven de overige bezwaren van appellante op dit punt geen verdere bespreking.

Nu rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, ziet de Afdeling voorts aanleiding goedkeuring te onthouden aan het plandeel met de bestemming “Kleinschalig overgangsgebied” en de aanduidingen “agrarisch bedrijf” en “kassen”, voor zover het betreft het perceel [locatie 19].

2.10.16. De Milieufederatie heeft aangevoerd dat verweerder sub 1 ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemming “Kleinschalig overgangsgebied” en de aanduiding “bos” voor de bosgebieden op de flank van de Utrechtse Heuvelrug. Zij betoogt dat deze bosgebieden deel uitmaken van de ecologische hoofdstructuur. Volgens appellante is het natuurbelang in het plan onvoldoende beschermd.

2.10.17. De gemeenteraad heeft de bestemming en de aanduiding toegekend om de bestaande natuurwaarden te behouden en zo mogelijk te versterken.

2.10.18. Verweerder sub 1 heeft geen reden gezien de bestemming en de aanduiding in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij onderschrijft het standpunt van de gemeenteraad.

2.10.19. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de voorschriften zijn gronden met de bestemming “Kleinschalig overgangsgebied” en de aanduiding “bos” bestemd voor dagrecreatie, het behoud en het herstel van de landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden, het behoud van openheid, wonen en verkeer.

Hiervoor onder 2.8.8. is overwogen dat de door de gemeenteraad beoogde onderschikking van doeleinden niet in het plan is vastgelegd en dat dan ook de opgenomen doeleinden nevenschikkend zijn. Gelet hierop acht de Afdeling deze doeleindenomschrijving eveneens innerlijk tegenstrijdig. Voorts zijn ingevolge artikel 6, eerste lid, van de voorschriften ten dienste van dagrecreatie de aanleg en het gebruik van voet-, fiets- en ruiterpaden, picknickplaatsen en parkeerplaatsen voor ten hoogste 20 motorvoertuigen en de aanleg en het gebruik van naar de aard daarmee gelijk te stellen voorzieningen toegelaten en ten dienste van verkeer de aanleg en het gebruik van voet- en fietspaden. Overigens wordt in artikel 6, zesde lid, van de voorschriften de aanleg van paden, picknickplaatsen en parkeerplaatsen op gronden met de bestemming “Kleinschalig overgangsgebied” en de aanduiding “bos” aangemerkt als verboden gebruik.

Daarnaast kent het plan ondanks het door de gemeenteraad gewenste behoud van bestaande natuurwaarden geen bouwverbod voor de bosgebieden op de flank van de Utrechtse Heuvelrug. Immers blijkens artikel 6, derde lid, onder g., sub 2., van de voorschriften zijn ten dienste van overige doeleinden bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan, waarbij als enige beperking geldt een bouwhoogte van 1,5 dan wel 3 meter. Voorts overweegt de Afdeling dat voor het vellen en rooien van bomen in deze bosgebieden geen aanlegvergunning is vereist en dat het deskundigenbericht vermeldt dat in één van deze bosgebieden, te weten het Maartensdijksche Bosch, de das voor komt. Een gedeelte van de bosgebieden is op de streekplankaart is aangeduid als “landelijk gebied 5”. Dit gebied kan, aldus het streekplan, gekarakteriseerd worden als een landelijk gebied met als hoofdfunctie natuur, waarbinnen het accent ligt op natuurgebieden met een zeer aangepast agrarisch of recreatief gebruik.

Hieruit volgt dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid en artikel 3:2 van de Awb.

Door het plan op deze onderdelen niettemin goed te keuren, heeft verweerder sub 1 gehandeld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

Het beroep van de Milieufederatie is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd. In verband hiermee behoeven de overige bezwaren van appellante op dit punt geen verdere bespreking.

Nu rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, ziet de Afdeling voorts aanleiding goedkeuring te onthouden aan de bestemming “Kleinschalig overgangsgebied” en de aanduiding “bos” op de plankaart.

2.10.20. [appellant sub 13] heeft aangevoerd dat verweerder sub 1 ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 6, eerste lid en zevende lid, onder b., sub 1., en onder c., sub 1., van de voorschriften, voor zover daarin bij recht respectievelijk met een vrijstelling de vestiging van een boom-, heesterkwekerij of fruitteeltbedrijf mogelijk is. Hij vreest een te grote aantasting van de aanwezige landschappelijke en natuurwaarden.

Ter zitting heeft appellant zijn beroepsgrond beperkt tot het gebied achter de Dennenlaan en de Charles Weddepohllaan.

2.10.21. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat boom- en heesterkwekerijen onder het doel ‘de uitoefening van het agrarisch bedrijf’ vallen voor zover het oppervlak niet meer bedraagt dan 0,5 hectare. Grotere kwekerijen kunnen, volgens hem, uitsluitend op basis van een vrijstelling worden gerealiseerd. De kleinschalige open ruimtes worden via de beschrijving in hoofdlijnen beschermd.

2.10.22. Verweerder sub 1 heeft geen reden gezien de voorschriften in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij heeft overwogen dat binnen de aanduiding “landelijk gebied 3” op de streekplankaart fruit- en boomteelt niet is uitgesloten. Dit neemt niet weg dat deze gebruiksvorm kan leiden tot een aantasting van natuur- en landschapswaarden. In het plan is dan ook, volgens verweerder sub 1, terecht de inrichting van gronden voor fruitteelt en het kweken van bomen, heesters en vaste planten aanlegvergunningplichtig en is nieuwvestiging van dergelijke bedrijven niet toegestaan.

2.10.23. In artikel 6, eerste lid, van de voorschriften is bepaald dat onder het doel ‘uitoefening van het agrarisch bedrijf’ fruitteelt in de vorm van boomgaarden groter dan 0,5 hectare, boom- en heesterteelt niet is toegestaan.

De Afdeling stelt vast dat - anders dan de gemeenteraad heeft beoogd - boom- en heesterteelt niet en fruitteelt wel, zij het zeer beperkt, bij recht is toegestaan en dat het maximumoppervlak van 0,5 hectare voor fruitteelt niet per bedrijf of per perceel geldt.

Blijkens artikel 6, zesde lid, van de voorschriften is het verboden gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met de doeleindenomschrijving in het eerste lid van dit artikel.

Ingevolge artikel 6, zevende lid, onder b., sub 1., van de voorschriften kan het college vrijstelling verlenen van het zesde lid, voor boom-, heester en fruitteelt in de vorm van boomgaarden groter dan 0,5 hectare, voor zover het gronden betreft ten oosten van de A27.

De Afdeling stelt vast dat – anders dan de gemeenteraad heeft beoogd - voor boom- en heesterteelt in de vorm van boomgaarden kleiner dan 0,5 hectare geen vrijstelling kan worden verkregen.

In artikel 6, zevende lid, onder c., aanhef en sub 1., van de voorschriften is bepaald dat de onder b. bedoelde vrijstelling beperkt is tot incidentele gevallen, niet wordt verleend indien gelet op de beoordeling aan de hand van de afweging van belangen opgenomen in onderdeel 15.4 van de plantoelichting, sprake is van ernstige of onevenredige afbreuk, in de afweging in ieder geval worden betrokken de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden, de ruimtelijke kenmerken als genoemd in de beschrijving in hoofdlijnen en de verkeersveiligheid en alleen wordt verleend indien de afwisseling tussen beslotenheid en openheid binnen de bestemming “Kleinschalig overgangsgebied” in stand blijft en dat een indicatie daarvoor is dat de teelt in kleine percelen van ongeveer 2 hectare te midden van openruimten met afstanden van tenminste 250 meter tot naburig besloten gebied plaatsvindt.

De Afdeling acht deze vrijstellingsregeling onvoldoende objectief begrensd, nu gesproken wordt over “een indicatie” en de maximum omvang aan boom-, heester- of fruitteelt dat met een vrijstelling kan worden toegestaan, niet is bepaald.

Hieruit volgt dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb en artikel 15, eerste lid, onder a., van de WRO.

Door het plan op deze onderdelen niettemin goed te keuren, heeft verweerder sub 1 gehandeld in strijd met deze artikelen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

Het beroep van appellant Klaassen is in zoverre dan ook gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd.

Nu rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, ziet de Afdeling voorts aanleiding goedkeuring te onthouden aan artikel 6, eerste lid van de voorschriften, voor zover het betreft het tekstgedeelte “is fruitteelt in de vorm van boomgaarden groter dan 0,5 ha, boom- en heesterteelt niet toegestaan” en aan artikel 6, zevende lid, onder b., sub 1., en onder c., sub 1., van de voorschriften, voor zover het betreft het gebied achter de Dennenlaan en de Charles Weddepohllaan.

2.10.24. [appellant sub 13] heeft aangevoerd dat verweerder sub 1 ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemming “Kleinschalig overgangsgebied” voor het gebied achter de Dennenlaan en de Charles Weddepohllaan. Hij betoogt dat de teelt van maïs de openheid van dit gebied te zeer aantast en dat derhalve een verbod daarop had moeten worden opgenomen.

2.10.25. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat de karakteristieke openheid van het gebied niet, althans niet blijvend, wordt aangetast door de teelt van maïs. Volgens hem is de na te streven afwisseling tussen openheid en beslotenheid gediend met incidentele verdichtingen.

2.10.26. Verweerder sub 1 heeft geen reden gezien het plan wegens het ontbreken van het gewenste verbod in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij heeft overwogen dat bij maïs slechts sprake is van een visuele aantasting gedurende een aantal maanden per jaar. Volgens hem is gelet op de gevestigde agrarische belangen de opgenomen regeling niet onaanvaardbaar.

2.10.27. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de voorschriften zijn gronden met de bestemming “Kleinschalig overgangsgebied” onder meer bestemd voor het behoud van openheid.

Mede gelet op het deskundigenbericht, is niet aannemelijk geworden dat de teelt van maïs tot een onevenredige aantasting van de bestaande openheid in het gebied achter de Dennenlaan en de Charles Weddepohllaan zal leiden.

Verweerder sub 1 heeft het dan ook niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening behoeven te achten dat maïsteelt in het plan niet verboden is. Daarbij acht de Afdeling van belang dat door de teelt van maïs de openheid van het gebied slechts gedurende een relatief korte periode wordt beperkt.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Hieruit volgt dat verweerder sub 1 in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep van [appellant sub 13] is in zoverre ongegrond.

2.11. Artikel 7: Bedrijven

2.11.1. [appellanten sub 6] en de Milieufederatie hebben aangevoerd dat verweerder sub 1 ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemming “Bedrijven” voor de percelen [locatie 20] en [locatie 21]. Zij betogen dat een bedrijfsbestemming niet past te midden van kwetsbare natuur- en natuurontwikkelingsgebieden. Volgens appellanten wordt aldus de sanering van de illegale opslag van autowrakken tenietgedaan.

2.11.2. De gemeenteraad heeft een bedrijfsbestemming toegekend en het gebruik beperkt tot de aanwezige bedrijfsuitoefening. Volgens hem gaat het bij de percelen om bestendiging van het feitelijke gebruik.

2.11.3. Verweerder sub 1 heeft geen reden gezien de bestemming in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij heeft overwogen dat de bestaande situatie gelegaliseerd dient te worden, tenzij binnen de planperiode tot beëindiging van het feitelijke gebruik wordt overgegaan of het feitelijke gebruik niet valt onder het overgangsrecht van het voorheen geldende plan. Volgens hem is van beide geen sprake en zijn derhalve de twee bedrijven uit een oogpunt van rechtszekerheid terecht positief bestemd.

2.11.4. De percelen zijn op de streekplankaart is aangeduid als “landelijk gebied 5”. Dit gebied kan, aldus het streekplan, gekarakteriseerd worden als een landelijk gebied met als hoofdfunctie natuur, waarbinnen het accent ligt op natuurgebieden met een zeer aangepast agrarisch of recreatief gebruik. Het streekplanbeleid is erop gericht (bestaande) niet-agrarische bedrijfsactiviteiten te concentreren op bedrijventerreinen in het stedelijk gebied, binnen de aangegeven contouren, en functioneel niet aan het buitengebied gebonden gebruiksvormen uit het landelijk gebied te weren. Voorts liggen de percelen in de bufferzone tussen Utrecht en het Gooi waarover het streekplan vermeldt dat de ecologische en natuurwaarden het primaat hebben als groene component in de totale structuur. Deze open ruimte vormt volgens het streekplan een corridor in de noordvleugel van de Randstad en een ecologische verbinding tussen de Utrechtse Heuvelrug, het plassengebied en het centrale deel van het Groene Hart.

De percelen liggen eveneens in een gebied dat op afbeelding 11 bij het streekplan, getiteld “ecologische hoofdstructuur”, is aangeduid als “natuurkern” en “kerngebied”. Volgens het streekplan is de hoofddoelstelling binnen de ecologische hoofdstructuur de duurzame instandhouding, het herstel en de ontwikkeling van de natuurlijke en landschappelijke waarden.

De provinciale “Handleiding bestemmingsplan buitengebied” hanteert als uitgangspunt dat een bestemmingsplan geen mogelijkheid biedt voor de nieuwvestiging van niet-agrarische bedrijven in het buitengebied, aangezien deze daaraan functioneel niet gebonden zijn. Voor reeds bestaande niet-agrarische bedrijven bepaalt de handleiding dat bij het leggen van een bestemming een afweging dient te worden gemaakt tussen enerzijds de bedrijfs- en werkgelegenheidsbelangen en anderzijds de belangen van onder meer natuur en landschap. Blijkt na afweging van deze belangen dat een bedrijf in de gegeven situatie niet aanvaardbaar is, dan is het gewenst te streven naar verplaatsing. Dit geldt met name voor die gevallen waarin sprake is van een recente vestiging van een bedrijf en daar waar zodanig geringe investeringen in de bestaande gebouwen zijn gedaan, dat redelijkerwijs op verplaatsing mag worden aangedrongen.

Dit provinciaal beleid komt de Afdeling in het algemeen niet onredelijk voor.

2.11.4.1. Uit artikel 7, eerste lid, van de voorschriften gelezen in samenhang met de “Lijst van bedrijven in het Buitengebied” volgt dat het perceel [locatie 20] bestemd is voor de vestiging van een handelsonderneming en het perceel [locatie 21] voor de vestiging van een autoherstelinrichting.

Niet in geschil is dat het bij deze bedrijven gaat om niet-agrarische bedrijven, die functioneel niet aan het buitengebied gebonden zijn.

De Afdeling stelt vast dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat verweerder sub 1 de bestemming getoetst heeft aan bovenstaand provinciaal beleid. Dit klemt te meer aangezien ter zitting gebleken is dat aan de percelen in het vorige plan geen bedrijfsbestemming was toegekend. Voor zover verweerder sub 1 – in navolging van de gemeenteraad - voor beide percelen wijst op de overgangsrechtelijke bepalingen uit het vorige plan, overweegt de Afdeling dat verweerder sub 1 de onderbouwing voor zijn betoog niet heeft gegeven. Er is dan ook sprake is van nieuwvestiging als bedoeld in het streekplan.

Voorts is niet gebleken dat bij één van beide percelen sprake is van bijzondere feiten of omstandigheden die een uitzondering op het streekplanbeleid zou kunnen rechtvaardigen. Daarbij acht de Afdeling van belang dat uit het deskundigenbericht blijkt dat de percelen een verwaarloosde indruk maken, dat van enige bedrijfsmatige activiteit nauwelijks iets te bespeuren is, dat eventuele vervuiling op de percelen direct schadelijke gevolgen kan hebben voor het naastgelegen kwetsbare natuurgebied en dat dus de situering van beide bedrijfspercelen uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening als bijzonder ongelukkig moet worden aangemerkt.

Gelet hierop heeft verweerder sub 1 zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de bestemmingen niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.

Door het plan op deze onderdelen niettemin goed te keuren, heeft verweerder sub 1 gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

Op deze grond komt het bestreden besluit op dit onderdeel voor vernietiging in aanmerking.

Hiervoor onder 2.5.4. is geoordeeld dat de goedkeuring van de plandelen die samenvallen met het als een SBZ aangewezen gebied “Oostelijke vechtplassen” niet in stand kan blijven. Aangezien de beroepen van [appellanten sub 6] en van de Milieufederatie eveneens gericht zijn tegen de goedkeuring van plandelen die deel uit maken van dit gebied, zijn hun beroepen reeds om die reden in zoverre eveneens gegrond.

Nu rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, ziet de Afdeling voorts aanleiding goedkeuring te onthouden aan de plandelen met de bestemming “Bedrijven”, voor zover het betreft de percelen [locatie 20] en [locatie 21].

2.11.5. [appellant sub 8] heeft aangevoerd dat verweerder sub 1 ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 7, tweede lid, onder a., van de voorschriften. Volgens appellante is de toegestane uitbreiding met maximaal 100 m2 onvoldoende. Zij wenst de mogelijkheid te hebben het terrein tussen de bestaande bebouwing op haar perceel [locatie 22] te bebouwen.

2.11.6. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat een maximale uitbreidingsmogelijkheid van 100 m2 past binnen het gemeentelijke beleid dat gericht is op het weren van niet-agrarische bedrijven uit het buitengebied. Hij acht verplaatsing naar een bedrijventerrein gewenst bij een grotere uitbreidingsbehoefte dan in het plan geboden.

2.11.7. Verweerder sub 1 heeft geen reden gezien het voorschrift in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij heeft overwogen dat de gemeenteraad voldoende gemotiveerd heeft aangegeven waarom de in het plan geboden uitbreidingsmogelijkheid minder groot is dan toegelaten op grond van het provinciaal beleid. Volgens hem staat het de gemeenteraad vrij in deze mate af te wijken.

2.11.8. Het streekplanbeleid is erop gericht (bestaande) niet-agrarische bedrijfsactiviteiten te concentreren op bedrijventerreinen in het stedelijk gebied, binnen de aangegeven contouren, en functioneel niet aan het buitengebied gebonden gebruiksvormen uit het landelijk gebied te weren.

De provinciale “Handleiding bestemmingsplan buitengebied” geeft aan dat indien de verplaatsing van een bestaand niet-agrarisch bedrijf naar een bedrijventerrein geen reële optie vormt, een positieve bestemming in de rede ligt, waarbij de bestemmingsregeling wat betreft gebruik en bebouwing zoveel mogelijk moeten worden toegesneden op de bestaande situatie. Teneinde de bestaande bedrijvigheid in stand te kunnen houden is het daarbij, volgens de handleiding, wel reëel een beperkte uitbreiding van de bebouwing mogelijk te maken. Een uitbreiding van 15% tot 20% wordt hiervoor in de handleiding als toereikend beschouwd.

2.11.8.1. Uit artikel 7, eerste lid, van de voorschriften gelezen in samenhang met de “Lijst van bedrijven in het Buitengebied” volgt dat het perceel [locatie 22] bestemd is voor de vestiging van een metaalsmelterij.

Niet in geschil is dat het bij de metaalsmelterij van appellante gaat om een bestaand niet-agrarisch bedrijf, dat functioneel niet aan het buitengebied gebonden is, en waarvan verplaatsing naar een bedrijventerrein niet wordt overwogen.

Uit artikel 7, tweede lid, onder a., van de voorschriften volgt dat de oppervlakte aan gebouwen op het perceel niet meer mag bedragen dan de bestaande oppervlakte vermeerderd met 15% met een maximum van 100 m2. Het deskundigenbericht vermeldt dat op het perceel ruim 1900 m2 aan bebouwing aanwezig is. Het plan biedt derhalve bij recht een uitbreidingsmogelijkheid van ruim 5%. Nu verweerder sub 1 – in navolging van de gemeenteraad – de verplaatsing van de metaalsmelterij van appellante naar een bedrijventerrein niet als een reële optie beschouwt, is de Afdeling van oordeel dat hij met de enkele stelling dat het de gemeenteraad vrij staat af te wijken, onvoldoende draagkrachtig heeft onderbouwd waarom de thans geboden uitbreidingsmogelijkheid in overeenstemming is te achten met het provinciaal beleid.

Het beroep van [appellant sub 8] is gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb.

2.11.9. [appellant sub 9] heeft aangevoerd dat verweerder sub 1 ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemming “Bedrijven” voor haar perceel [locatie 23] en [locatie 24]. Volgens haar zijn niet alle bestaande bedrijfsactiviteiten en -bebouwing positief bestemd.

Ook kan appellante zich niet verenigen met de verlening van goedkeuring aan het gewijzigde overgangsrecht, als opgenomen in artikel 18, lid C., van de voorschriften.

2.11.10. De gemeenteraad heeft de omschrijving in de “Lijst van bedrijven in het buitengebied” aangepast omdat de activiteiten van appellante op het perceel [locatie 23] en [locatie 24] niet alleen te kwalificeren zijn als een handels- en constructiebedrijf van aanhangwagens, maar ook als een verhuurbedrijf. Hij acht het aanvaardbaar dat dit perceel en het daarnaast gelegen perceel [locatie 25] op de plankaart één bestemmingsvlak vormen, omdat uit de “Lijst van bedrijven in het Buitengebied” per adres de aard van de aldaar gevestigde bedrijven blijkt. Voorts heeft de gemeenteraad het overgangsrecht gewijzigd vastgesteld teneinde het gebruik dat reeds in strijd was met het vorige plan daarvan uit te sluiten, zodat daartegen nog handhavend kan worden opgetreden.

2.11.11. Verweerder sub 1 heeft geen reden gezien het plan op deze onderdelen in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Volgens hem is het bedrijf van appellante niet geheel positief bestemd. Hij acht het aanvaardbaar dat het reeds met het vorige plan strijdige gebruik onder het overgangsrecht wordt gebracht.

2.11.12. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de voorschriften zijn de gronden met de bestemming “Bedrijven” onder meer bestemd voor bedrijven en is de aard van de bedrijvigheid beperkt tot de bij het betreffende perceel gegeven omschrijving in de “Lijst van bedrijven in het Buitengebied”.

De Afdeling stelt vast dat alleen een gedeelte van het perceel van appellante, te weten [locatie 23], is opgenomen in de “Lijst van bedrijven in het Buitengebied” met als omschrijving ‘verhuur-. handels- en constructiebedrijf van aanhangwagens’.

Bovendien blijkt uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, en het verhandelde ter zitting dat de activiteiten van appellante op het perceel [locatie 23] en [locatie 24] ook de verbouw, opbouw en ombouw respectievelijk aanpassing van (bedrijfs-)auto’s, alsmede de inkoop, verkoop en keuringen van deze voertuigen omvat.

Ingevolge artikel 7, tweede lid, onder b., c. en i., van de voorschriften worden de gebouwen gebouwd in één bouwlaag met kap en bedraagt de goothoogte niet meer dan 4 meter en de afstand van de bebouwing tot de grens van de bestemming tenminste 10 meter.

Het deskundigenbericht vermeldt dat de bebouwing op het perceel [locatie 23] en [locatie 24] deels uit één bouwlaag met een plat dak en deels uit twee bouwlagen met een plat dak bestaat, dat de goothoogte 6 meter, en dat de afstand tussen de bestaande bebouwing en de achterste grens van het bestemmingsvlak minder dan 10 meter bedraagt. Ter zitting is gebleken dat een en ander gebouwd is op basis van een bouwvergunning.

Gelet hierop moet worden geoordeeld dat verweerder sub 1 zijn standpunt dat het bedrijf van appellante terecht niet geheel positief is bestemd, niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft voorbereid en evenmin op een deugdelijke motivering heeft doen berusten.

Het beroep van [appellant sub 9] is gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. In verband hiermee behoeve de overige bezwaren van appellante op dit punt geen verdere bespreking.

2.12. Artikel 9: Militaire doeleinden

2.12.1. Het Utrechts Landschap heeft aangevoerd dat verweerder sub 1 ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemming “Militaire doeleinden” en de aanduiding “opslagterrein” voor gronden aan de Nieuwe Weteringseweg, voor zover niet is voorzien in de mogelijkheid deze gronden na sluiting van het mobilisatiecomplex in te richten als natuurgebied.

2.12.2. De gemeenteraad acht het opnemen van de gevraagde wijzigingsbevoegdheid niet zinvol omdat het ministerie van Defensie heeft laten weten dat het mobilisatiecomplex niet zal worden opgeheven.

2.12.3. Verweerder sub 1 heeft geen reden gezien het plan op dit onderdeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij onderschrijft het standpunt van de gemeenteraad.

2.12.4. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder sub 1 zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit onderdeel niet in strijd is met een goede ruimtelijk ordening.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de voorschriften zijn gronden met de bestemming “Militaire doeleinden” bestemd voor een mobilisatiecomplex en voor een opslagterrein, voor zover aangeduid met “opslagterrein”.

Niet in geschil is dat deze doeleindenomschrijving het bestaande gebruik van de gronden aan de Nieuwe Weteringseweg omvat. Voorts is niet weersproken dat niet te verwachten valt dat het gebruik als mobilisatiecomplex annex opslagterrein voor explosieven en munitie binnen de planperiode beëindigd zal worden.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Hieruit volgt dat verweerder sub 1 in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep van het Utrechts Landschap is in zoverre ongegrond.

2.13. Artikel 14: Wijzigings- en uitwerkingsbepalingen

2.13.1. De Milieufederatie en [appellant sub 12] hebben aangevoerd dat verweerder sub 1 ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 14, lid A., onder 6., in samenhang met artikel 14, lid B., onder 4., van de voorschriften. Zij achten de daarin opgenomen wijzigingsbevoegdheid voor uitbreiding met 15% van bestaande recreatiebedrijven niet aanvaardbaar. Voorts liggen volgens de Milieufederatie deze recreatiebedrijven in de ecologische hoofdstructuur. Volgens [appellant sub 12] wordt niet voldaan aan het provinciale beleid.

Ter zitting hebben appellanten hun beroepsgrond beperkt tot het bungalowpark De Egelshoek, het bungalowpark Graaf Floris V en de camping Het Kleine Bos.

2.13.2. De gemeenteraad heeft de voorschriften opgenomen om bestaande recreatiebedrijven een minimale uitbreidingsmogelijkheid te bieden. Volgens hem laat de kwaliteit van het omliggende gebied een uitbreiding met 15% toe en waarborgen de voorwaarden bij de wijzigingsbevoegdheid een evenwichtige beoordeling van de diverse in het geding zijnde belangen, waaronder de ter plaatse aanwezige natuurwaarden.

2.13.3. Verweerder sub 1 heeft geen reden gezien de voorschriften in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij onderschrijft het standpunt van de gemeenteraad. Volgens hem voldoet de uitbreidingsmogelijkheid aan het provinciale beleid dat ziet op verbetering van het kwaliteitsniveau van de recreatiebedrijven.

2.13.4. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de WRO kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het college binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kan wijzigen.

Blijkens artikel 14, lid A., onder 6., van de voorschriften is het college bevoegd de bestemming “Open weidegebied” te wijzigen ten behoeve van uitbreiding van een verblijfsrecreatief bedrijf en de bouw van recreatiewoningen.

In artikel 14, lid B., onder 4., van de voorschriften is onder meer bepaald dat de uitbreiding van een verblijfsrecreatief bedrijf beperkt is tot een omvang van maximaal 15% van de bestaande oppervlakte van het bedrijf.

Naar het oordeel van Afdeling is hiermee onvoldoende objectief bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden van de wijzigingsbevoegdheid gebruik mag worden gemaakt. Wat onder de begrippen “verblijfsrecreatief bedrijf” en “oppervlakte van het bedrijf” moet worden verstaan en wanneer sprake is van “bestaande oppervlakte”, geeft het plan niet aan. Bovendien is de bestemming waarin gewijzigd mag worden in artikel 14 van de voorschriften niet benoemd.

Hieruit volgt dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met artikel 11, eerste lid, van de WRO.

Door het plan op dit onderdeel niettemin goed te keuren, heeft verweerder sub 1 gehandeld in strijd met artikel 11, eerste lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

De beroepen van de Milieufederatie en van [appellant sub 12] zijn in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd. In verband hiermee behoeve de overige bezwaren van appellanten op dit punt geen verdere bespreking.

Nu rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, ziet de Afdeling voorts aanleiding goedkeuring te onthouden aan artikel 14, lid A., onder 6., en aan artikel 14, lid B., onder 4., van de voorschriften.

2.13.5. De Milieudefensie en anderen hebben aangevoerd dat verweerder sub 1 ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 14, lid A., onder 1., sub b. en c., in samenhang met artikel 14, lid B., onder 1., tweede gedachtestreepje, van de voorschriften. Zij stellen dat de bouw van een tweede woning alleen bij hoge uitzondering kan worden toegestaan en na sloop van de agrarische bedrijfsbebouwing.

2.13.6. De Afdeling stelt vast dat de gemeenteraad in het besluit tot vaststelling van het plan niet is ingegaan op dit als zienswijze ingebrachte bezwaar tegen het ontwerp-plan.

Gelet hierop is het plan op dit punt vastgesteld in strijd met artikel 25 in samenhang met artikel 23, eerste lid, van de WRO. Uit deze bepalingen volgt dat de gemeenteraad tijdig ingebrachte zienswijzen als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de WRO bij de vaststelling van het plan betrekt.

Door het plan op dit punt niettemin goed te keuren, heeft verweerder sub 1 gehandeld in strijd met deze artikelen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

Voorts overweegt de Afdeling dat ingevolge artikel 11, eerste lid, van de WRO bij een bestemmingsplan kan worden bepaald dat het college binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kan wijzigen.

Blijkens artikel 14, lid A., onder 1., sub b. en c., van de voorschriften is het college bevoegd het plan, voor zover het betreft de agrarische bedrijfsgebouwen met bijbehorende erven, te wijzigen ten behoeve van de opslag van goederen en bedrijven gericht op het stallen, verzorgen, trainen en dresseren van paarden.

In artikel 14, lid B., onder 1., tweede gedachtestreepje, van de voorschriften is onder meer bepaald dat bij de wijzing van een agrarisch bedrijf in een andere functie het aantal woningen niet meer mag bedragen dan 1 per hoofdgebouw van een voormalig agrarisch bedrijf dan wel ten hoogste 2 woningen indien het behoud van het gebouw uit stedenbouwkundig oogpunt gewenst is en de omvang van het hoofdgebouw dit noodzakelijk maakt. Indien de oppervlakte van de bijgebouwen meer bedraagt dan 120 m2, zal van het meerdere tenminste 50% moeten worden afgebroken.

Naar het oordeel van Afdeling is hiermee onvoldoende objectief bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden van de wijzigingsbevoegdheid gebruik mag worden gemaakt. Wat onder het begrip “hoofdgebouw” moet worden verstaan, geeft het plan niet aan. Bovendien is de bestemming die gewijzigd mag worden en de bestemming waarin gewijzigd mag worden in artikel 14 van de voorschriften niet benoemd.

Hieruit volgt dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met artikel 11, eerste lid, van de WRO.

Door het plan op dit onderdeel niettemin goed te keuren, heeft verweerder sub 1 eveneens gehandeld in strijd met artikel 11, eerste lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

Het beroep van de Milieudefensie en anderen is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd. In verband hiermee behoeve de overige bezwaren van appellanten op dit punt geen verdere bespreking.

Nu rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, ziet de Afdeling voorts aanleiding goedkeuring te onthouden aan artikel 14, lid A., onder 1., sub b. en c., en aan artikel 14, lid B., onder 1., tweede gedachtestreepje, van de voorschriften.

2.13.7. De Milieudefensie en anderen hebben aangevoerd dat verweerder sub 1 ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 14, lid B., onder 1., vijfde gedachtestreepje, van de voorschriften. Voorts bestrijden appellanten de motivering die verweerder sub 1 aan zijn onthouding van goedkeuring aan artikel 14, lid A., onder 1., sub d., van de voorschriften ten grondslag heeft gelegd. Zij stellen dat voor sociaal-maatschappelijke, educatieve en recreatieve functies geen nieuwbouw mag plaatsvinden, maar uitsluitend gebruik mag worden gemaakt van vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing.

2.13.8. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat de wijzigingsbevoegdheid voorziet in een verbod tot het oprichten van nieuwbouw ten behoeve van sociaal-maatschappelijke, educatieve en recreatieve functies.

2.13.9. Verweerder sub 1 heeft goedkeuring onthouden aan artikel 14, lid A., onder 1., sub d., van de voorschriften omdat het huidige - anders dan het toekomstige - provinciaal beleid zich nog verzet tegen sociaal-maatschappelijke, educatieve en recreatieve functies in vrijkomende agrarische bebouwing. Hij heeft geen aanleiding gezien artikel 14, lid B., onder 1., vijfde gedachtestreepje, van de voorschriften in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten, omdat het plan voldoende inspeelt op toekomstige ontwikkelingen in de landbouw.

2.13.10. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de WRO kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het college binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kan wijzigen.

Artikel 14, lid A., onder 1., sub d., van de voorschriften geeft het college de bevoegdheid het plan, voor zover het betreft de agrarische bedrijfsgebouwen met bijbehorende erven, te wijzigen ten behoeve van sociaal-maatschappelijke, educatieve en recreatieve functies.

In artikel 14, lid B., onder 1., vijfde gedachtestreepje, van de voorschriften is onder meer bepaald dat de sociaal-maatschappelijke, educatieve en recreatieve activiteiten uitsluitend zijn toegestaan binnen de bestemming “Stadsrandgebied” en uitsluitend als nevenactiviteit met een maximale oppervlakte van 400 m2 aan gebouwen per bedrijf.

Naar het oordeel van Afdeling is hiermee onvoldoende objectief bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden van de wijzigingsbevoegdheid gebruik mag worden gemaakt. Voorts kent de wijzigingsbevoegdheid niet het door de gemeenteraad gewenste verbod tot het oprichten van nieuwbouw. Bovendien is de bestemming die gewijzigd mag worden en de bestemming waarin gewijzigd mag worden in artikel 14 van de voorschriften niet benoemd.

Hieruit volgt dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met artikel 11, eerste lid, van de WRO.

Het bestreden besluit berust wat de onthouding van goedkeuring aan artikel 14, lid A., onder 1., sub d., van de voorschriften betreft dan ook niet op een deugdelijke motivering. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb.

Door artikel 14, lid B., onder 1., vijfde gedachtestreepje niettemin goed te keuren, heeft verweerder sub 1 gehandeld in strijd met artikel 11, eerste lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Op deze grond dient het bestreden besluit op dit onderdeel te worden vernietigd.

Het beroep van de Milieudefensie en anderen is in zoverre gegrond. In verband hiermee behoeve de overige bezwaren van appellanten op dit punt geen verdere bespreking.

Nu rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, ziet de Afdeling voorts aanleiding goedkeuring te onthouden aan artikel 14, lid A., onder 1., sub d., en aan artikel 14, lid B., onder 1., vijfde gedachtestreepje, van de voorschriften.

2.13.11. De Milieudefensie en anderen hebben aangevoerd dat verweerder sub 1 ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 14, lid A., onder 3., in samenhang met artikel 14, lid B., onder 2., van de voorschriften. Zij betogen dat de wijzigingsbevoegdheid te ruim is geformuleerd en dat meer / andere voorbehouden voor toepassing daarvan gewenst zijn.

2.13.12. De Afdeling stelt vast dat de gemeenteraad in het besluit tot vaststelling van het plan niet is ingegaan op dit als zienswijze ingebrachte bezwaar tegen het ontwerp-plan.

Gelet hierop is het plan op dit punt vastgesteld in strijd met artikel 25 in samenhang met artikel 23, eerste lid, van de WRO. Uit deze bepalingen volgt dat de gemeenteraad tijdig ingebrachte zienswijzen als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de WRO bij de vaststelling van het plan betrekt.

Door het plan op dit punt niettemin goed te keuren, heeft verweerder sub 1 gehandeld in strijd met deze artikelen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

Voorts overweegt de Afdeling dat ingevolge artikel 11, eerste lid, van de WRO bij een bestemmingsplan kan worden bepaald dat het college binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kan wijzigen.

Blijkens artikel 14, lid A., onder 3., van de voorschriften is het college bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van de vestiging van agrarische bedrijven.

In artikel 14, lid B., onder 2., van de voorschriften is bepaald dat:

- de wijzing alleen van toepassing is op volwaardige grondgebonden

agrarische bedrijven;

- de wijziging uitsluitend van toepassing is op de bestemming

“Open weidegebied” en “Stadsrandgebied” en uitsluitend voor zover

de gronden zijn aangegeven met “boerderijbouw na wijziging”;

- bij de maatvoering en omvang wordt aangesloten bij de voor het

betreffende gebied geldende voorwaarden voor de agrarische bedrijven;

- bij de beoordeling van de aanvraag voor de vestiging en/of uitbreiding van

een agrarisch bedrijf de bedrijfseconomische noodzaak op het tijdstip van

de aanvraag en in de nabije toekomst dient vast te staan;

- voor zover ten behoeve van de realisering van agrarische bedrijven op de

gronden aangegeven met “boerderijbouw na wijziging” in de polder

Achttienhoven een nieuwe weg noodzakelijk is, dienen daarbij bepaalde,

nader in het plan omschreven, voorwaarden in acht te worden genomen.

Naar het oordeel van Afdeling is hiermee onvoldoende objectief bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden van de wijzigingsbevoegdheid gebruik mag worden gemaakt. De bestemming waarin gewijzigd mag worden is in artikel 14 van de voorschriften niet benoemd.

Voorts kan het toepassingsbereik van de wijzigingsbevoegdheid (artikel 14, lid A., onder 3., van de voorschriften spreekt over vestiging) niet op basis van de daarbij behorende voorwaarden (artikel 14, lid B., onder 2., vierde gedachtestreepje van de voorschriften spreekt over vestiging en uitbreiding) worden verruimd tot gevallen waarop die wijzigingsbevoegdheid blijkens zijn grondslag geen betrekking heeft. Bovendien is in het plan niet bepaald wat onder “de nabije toekomst” dient te worden verstaan.

Hieruit volgt dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met artikel 11, eerste lid, van de WRO.

Door het plan op dit onderdeel niettemin goed te keuren, heeft verweerder sub 1 eveneens gehandeld in strijd met artikel 11, eerste lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

Het beroep van de Milieudefensie en anderen is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd. In verband hiermee behoeve de overige bezwaren van appellanten op dit punt geen verdere bespreking.

Nu rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, ziet de Afdeling voorts aanleiding goedkeuring te onthouden aan artikel 14, lid A., onder 3., en aan artikel 14, lid B., onder 2., van de voorschriften.

2.14. Overige bezwaren

2.14.1. [appellant sub 12] heeft aangevoerd dat verweerder sub 1 ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de aanduiding “plangrens” nabij de Schaapsdrift. Hij stelt dat de lintbebouwing ter plaatse niet behoort tot het stedelijke gebied.

2.14.2. De Afdeling stelt vast dat de gemeenteraad in het besluit tot vaststelling van het plan niet is ingegaan op dit als zienswijze ingebrachte bezwaar tegen het ontwerp-plan.

Gelet hierop is het plan op dit punt vastgesteld in strijd met artikel 25 in samenhang met artikel 23, eerste lid, van de WRO. Uit deze bepalingen volgt dat de gemeenteraad tijdig ingebrachte zienswijzen als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de WRO bij de vaststelling van het plan betrekt.

Door het plan op dit punt niettemin goed te keuren, heeft verweerder sub 1 gehandeld in strijd met deze artikelen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

Het beroep van [appellant sub 12] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd.

Nu rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, ziet de Afdeling voorts aanleiding goedkeuring te onthouden aan het plandeel met de aanduiding “plangrens”, zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart.

2.14.3. De Milieufederatie heeft aangevoerd dat verweerder sub 1 ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, voor zover daarin rond woonkernen, recreatieterreinen en natuurgebieden geen zone’s zijn opgenomen, waarbinnen een standstill geldt voor de intensieve veehouderij. Zij wijst er daarbij op dat de provinciale handleiding dergelijke zone’s voorschrijft ter voorkoming van onaanvaardbare stankhinder en verdere verzuring. Ter zitting heeft appellante haar beroepsgrond beperkt tot de woonkernen Westbroek, Hollandsche Rading, Maartensdijk en Groenekan, tot het bungalowpark De Egelshoek, het bungalowpark Graaf Floris V en de camping Het Kleine Bos en tot de gronden met de aanduiding “bos” binnen de bestemmingen “Open weidegebied”, “Stadsrandgebied” of “Kleinschalig overgangsgebied”.

2.14.4. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat het plan reeds voldoende waarborgen bevat om verzuring tegen te gaan. Omdat het plangebied buiten de reconstructiegebieden ligt, acht hij het niet noodzakelijk nadere voorschriften in het plan op te nemen.

2.14.5. Verweerder sub 1 heeft geen reden gezien het plan wegens het ontbreken van de door de Milieufederatie gewenste zone’s in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij onderschrijft het standpunt van de gemeenteraad.

2.14.6. De provinciale “Handleiding bestemmingsplan buitengebied” vermeldt dat ter beperking van de ammoniakemissie het gewenst is om nabij natuur- en bosgebieden de ontwikkeling van de niet-grondgebonden veehouderij in bestemmingsplannen te reguleren. Deze regulering kan beperkt blijven tot in de regel een zone van 1000 meter rondom - op 1 mei 1988 - bestaande voor verzuring gevoelige natuur- en bosgebieden die zijn gelegen binnen de ecologische hoofdstructuur en een zone van 250 meter rondom de omvangrijke voor verzuring gevoelige natuur- en bosgebieden daarbuiten. Uitbreiding of nieuwvestiging - ook als neventak - van niet-grondgebonden veehouderijen is pas aanvaardbaar nadat gebleken is dat dit niet leidt tot een onevenredige aantasting van nabij gelegen voor verzuring of eutrofiëring gevoelige natuurwaarden. Omdat er bij de handhaving van de kleinere natuur- en bosgebieden buiten de ecologische hoofdstructuur ruimtelijk gezien geen accent ligt, ontbreekt voor deze gebieden de noodzaak van regulering van niet-grondgebonden veehouderijen.

Daarnaast geeft de handleiding aan dat het gewenst is om zowel uitbreiding als nieuwvestiging van niet-grondgebonden veehouderij in een zone van ongeveer 200 meter rondom primaire woon- en recreatiefuncties eerst toe te staan, nadat is gebleken dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een onevenredige aantasting van die functies.

2.14.6.1. De Afdeling stelt vast dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat verweerder sub 1 het plan in zoverre getoetst heeft aan bovenstaand provinciaal beleid.

Het bestreden besluit berust wat dit onderdeel van het plan betreft dan ook niet op een deugdelijke motivering.

Het beroep van de Milieufederatie is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb.

Hiervoor onder 2.5.4. is geoordeeld dat de goedkeuring van de plandelen die samenvallen met het als een SBZ aangewezen gebied “Oostelijke vechtplassen” niet in stand kan blijven. Voor zover het beroep van de Milieufederatie eveneens gericht is tegen de goedkeuring van plandelen die deel uit maken van dit gebied, is haar beroep reeds om die reden in zoverre eveneens gegrond.

Daarnaast is hiervoor onder 2.8.4.1. geoordeeld dat de goedkeuring van de plandelen met de bestemming “Open weidegebied” niet in stand kan blijven. Voor zover het beroep van de Milieufederatie eveneens gericht is tegen de goedkeuring van bepaalde plandelen met deze bestemming, is haar beroep reeds om die reden in zoverre eveneens gegrond.

2.15. Proceskosten

2.15.1. Ten aanzien van [appellanten sub 1], appellante Haaksman B.V., [appellant sub 5], [appellanten sub 6], [appellant sub 8], [appellant sub 9], de Milieudefensie en anderen en [appellant sub 12] dient verweerder sub 1 op hierna te vermelden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Ten aanzien van [appellant sub 19] en [appellant sub 20] dient verweerder sub 2 op hierna te vermelden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Wat betreft de Milieufederatie, [appellant sub 10], [appellant sub 13] en het Utrechts Landschap, het college van gedeputeerde staten van Utrecht, [appellant sub 17], [appellante sub 18] en [appellant sub 21] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Met betrekking tot [appellant sub 2], [appellante sub 16]. en [appellant sub 4] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart zich onbevoegd van het beroep van [appellante sub 16] kennis te nemen;

II. verklaart niet-ontvankelijk:

- het beroep van [appellant sub 2], voor zover het betreft de beroepsgrond

omtrent het verloop van de plangrens nabij zijn perceel [locatie 1];

- het beroep van [appellant sub 5], voor zover het betreft de beroepsgrond omtrent het aantal bouwlagen voor en de inhoudsmaat van zijn agrarische bedrijfswoning;

- de beroepen van H. Schouten en anderen en van de Stichtse

Milieufederatie, voor zover het betreft de beroepsgrond gericht tegen de aanduiding “kleine woning” op de percelen [locatie 13], [locatie 14] en [locatie 15];

- het beroep van de Vereniging Milieudefensie en anderen, voor zover het betreft de beroepsgronden omtrent het ontbreken van een verbod op de maïsteelt voor gronden met de bestemming “Open weidegebied” en omtrent het ontbreken van een verbod op verplaatsing van intensieve veehouderijen naar grondwaterbeschermingsgebieden;

- het beroep van [appellant sub 12], voor zover het betreft de beroepsgronden omtrent de bescherming van het cultuurhistorisch landschap in de polder Achttienhoven, omtrent de geluidscontour van het luchthaventerrein Hilversum en gericht tegen het derde lid, onder a., sub 2., en tegen het vijfde lid, onder a., sub 3., van de artikelen 3 tot en met 6 van de voorschriften en tegen de aanduiding “kleine woning” op de percelen [locatie 13], [locatie 14] en [locatie 15;

- het beroep van [appellant sub 13], voor zover het betreft de beroepsgrond omtrent het globale karakter van het plan;

- het beroep van de Stichting het Utrechts Landschap, voor zover het betreft de beroepsgronden omtrent de bestemmingsregeling voor de camping “De Fazantenhof” en gericht tegen de aanduiding “kleine woning” op de percelen [locatie 13], [locatie 14] en [locatie 15];

III. verklaart de beroepen van de Vereniging Milieudefensie en anderen (voor zover ontvankelijk), van [appellant sub 13] en van de Stichting het Utrechts Landschap gedeeltelijk en de beroepen van [appellanten sub 1], [appellante sub 3], van [appellant sub 5] (voor zover ontvankelijk), van [appellanten sub 6] (voor zover ontvankelijk), van de Stichtse Milieufederatie (voor zover ontvankelijk), van [appellante sub 8]., van [appellante sub 9], van [appellant sub 10], van [appellant sub 12], van het college van gedeputeerde staten van Utrecht, van [appellant sub 17], van [appellante sub 18], van [appellant sub 19], van [appellant sub 20] en van [appellant sub 21] geheel gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Utrecht van 5 juni 2001, kenmerk 2001REG001268i, voor zover het betreft de onthouding van goedkeuring aan artikel 14, lid A., onder 1., sub d., van de voorschriften en de verlening van goedkeuring aan:

a. de plandelen met de bestemming “Zoddengebied” en de plandelen met de bestemming “Bedrijven”, voor zover deze samenvallen met het als een speciale beschermingszone aangewezen gebied “Oostelijke Vechtplassen”;

b. artikel 1, lid n., artikel 3, zevende lid, onder c., sub 3., artikel 4, zevende lid, onder c., sub 3., artikel 5, vijfde lid, onder a., sub 4., artikel 5, zevende lid, onder c., sub 3., artikel 6, zevende lid, onder c., sub 3., artikel 14, lid A., onder 1., sub b., en c., en onder 3. tot en met 6., artikel 14, lid B., onder 1., tweede en vijfde gedachtestreepje, en onder 2. en 4., van de voorschriften;

c. artikel 3, eerste lid, van de voorschriften, voor zover het betreft de tekstgedeelten ”voor zover dat niet is aangegeven op het kaartblad “plandeelvergroting” niet meer dan 1250 m2 bedraagt” en “voor zover dat is aangegeven op het kaartblad “plandeelvergroting” niet meer dan 250 m2 bedraagt”;

d. artikel 4, eerste lid, van de voorschriften, voor zover het betreft de tekstgedeelten “voor zover dat niet is aangegeven op het kaartblad “plandeelvergroting” niet meer dan 1250 m2 bedraagt”, “voor zover dat is aangegeven op het kaartblad “plandeelvergroting” niet meer dan 250 m2 bedraagt” en “in afwijking van het hiervoor gestelde geldt voor bedrijven aangegeven met “intensieve veehouderij” een oppervlakte van niet meer dan 2500 m2 dan wel de bestaande oppervlakte indien deze groter is”;

e. artikel 5, eerste lid, en artikel 6, eerste lid, van de voorschriften, voor zover het betreft de tekstgedeelten ”voor zover dat niet is aangegeven met “intensieve veehouderij” niet meer dan 1250 m2 bedraagt” en “voor andere bedrijven niet meer dan 2500 m2 bedraagt dan wel de bestaande oppervlakte indien deze groter is”;

f. de bestemming “Open weidegebied”, de bestemming “Stadsrandgebied” en de aanduiding “bos” en de bestemming “Kleinschalig overgangsgebied” en de aanduiding “bos” op de plankaart;

g. het plandeel met de bestemming “Stadsrandgebied” en de aanduidingen “agrarisch bedrijf” en “intensieve veehouderij”, voor zover het betreft het perceel [locatie 7];

h. de plandelen met de bestemming “Stadsrandgebied”, voor zover het betreft de percelen [locatie 8], [locatie 9], [locatie 10], [locatie 11] en [locatie 12] ;

i. de plandelen met de bestemming “Kleinschalig overgangsgebied”, voor zover het betreft de percelen [locatie 13], [locatie 14] en [locatie 15];

j. de plandelen met de bestemming “Kleinschalig overgangsgebied” en de aanduiding “recreatiewoning”, voor zover het betreft de percelen [locatie 16], [locatie 17] en [locatie 18];

k. het plandeel met de bestemming “Kleinschalig overgangsgebied” en de aanduidingen “agrarisch bedrijf” en “kassen”, voor zover het betreft het perceel [locatie 19];

l. artikel 6, eerste lid van de voorschriften, voor zover het betreft het tekstgedeelte “is fruitteelt in de vorm van boomgaarden groter dan 0,5 ha, boom- en heesterteelt niet toegestaan” en voor zover het betreft het gebied achter de Dennenlaan en de Charles Weddepohllaan

m. artikel 6, zevende lid, onder b., sub 1., en onder c., sub 1., van de voorschriften, voor zover het betreft het gebied achter de Dennenlaan en de Charles Weddepohllaan;

n. artikel 7, tweede lid, onder a., van de voorschriften, voor zover het betreft het perceel [locatie 22];

o. het plandeel met de bestemming “Bedrijven”, voor zover het betreft het perceel [locatie 23] en [locatie 24] ;

p. het plandeel met de aanduiding “plangrens”, zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart;

q. de plandelen met bestemming “Stadsrandgebied” en de plandelen met de bestemming “Kleinschalig Overgangsgebied”, voor zover toegekend aan een zone van 1000 meter rondom – op 1 mei 1988 – bestaande voor verzuring gevoelige natuur- en bosgebieden die zijn gelegen binnen de ecologische hoofdstructuur, binnen een zone van 250 meter rondom de omvangrijke voor verzuring gevoelige natuur- en bosgebieden buiten de ecologische hoofdstructuur of binnen een zone van 200 meter rondom primaire woon- en recreatiefuncties;

en het besluit van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 31 augustus 2001, kenmerk M 345 geheel;

V. onthoudt goedkeuring aan:

- artikel 1, lid n., artikel 5, vijfde lid, onder a., sub 4., artikel 14, lid A., onder 1., sub b., c. en d., en onder 3., 5. en 6., artikel 14, lid B., onder 1., tweede en vijfde gedachtestreepje, en onder 2. en 4., van de voorschriften;

- artikel 3, eerste lid, van de voorschriften, voor zover het betreft de tekstgedeelten ”voor zover dat niet is aangegeven op het kaartblad “plandeelvergroting” niet meer dan 1250 m2 bedraagt” en “voor zover dat is aangegeven op het kaartblad “plandeelvergroting” niet meer dan 250 m2 bedraagt”;

- artikel 4, eerste lid, van de voorschriften, voor zover het betreft de tekstgedeelten “voor zover dat niet is aangegeven op het kaartblad “plandeelvergroting” niet meer dan 1250 m2 bedraagt”, “voor zover dat is aangegeven op het kaartblad “plandeelvergroting” niet meer dan 250 m2 bedraagt” en “in afwijking van het hiervoor gestelde geldt voor bedrijven aangegeven met “intensieve veehouderij” een oppervlakte van niet meer dan 2500 m2 dan wel de bestaande oppervlakte indien deze groter is”;

- de bestemming “Open weidegebied”, de bestemming “Stadsrandgebied” en de aanduiding “bos” en de bestemming “Kleinschalig overgangsgebied” en de aanduiding “bos” op de plankaart;

- het plandeel met de bestemming “Stadsrandgebied” en de aanduidingen “agrarisch bedrijf” en “intensieve veehouderij”, voor zover het betreft het perceel [locatie 7];

- de plandelen met de bestemming “Stadsrandgebied”, voor zover het betreft de percelen [locatie 8], [locatie 9], [locatie 10], [locatie 11] en [locatie 12] ;

- het plandeel met de bestemming “Kleinschalig overgangsgebied” en de aanduidingen “agrarisch bedrijf” en “kassen”, voor zover het betreft het perceel [locatie 19];

- artikel 6, eerste lid van de voorschriften, voor zover het betreft het tekstgedeelte “is fruitteelt in de vorm van boomgaarden groter dan 0,5 ha, boom- en heesterteelt niet toegestaan” en voor zover het betreft het gebied achter de Dennenlaan en de Charles Weddepohllaan

- artikel 6, zevende lid, onder b., sub 1., en onder c., sub 1., van de voorschriften, voor zover het betreft het gebied achter de Dennenlaan en de Charles Weddepohllaan;

- de plandelen met de bestemming “Bedrijven”, voor zover het betreft de percelen [locatie 20] en [locatie 21];

- het plandeel met de aanduiding “plangrens”, zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart;

VI. bepaalt dat deze onthouding van goedkeuring deels in de plaats treedt van het onder III., aanhef en sub. a., b., c., d., f., g., h., k., l. m., en p., vermelde onderdeel van het vernietigde besluit van het college van gedeputeerde staten van Utrecht;

VII. verklaart de beroepen van [appellant sub 2] (voor zover ontvankelijk) en van [appellant sub 4] geheel en de beroepen van de Vereniging Milieudefensie en anderen (voor zover ontvankelijk), van [appellant sub 13] en van de Stichting het Utrechts Landschap voor het overige ongegrond;

VIII. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Utrecht in verband met de behandeling van de beroepen gemaakte proceskosten ten aanzien van:

- [appellanten sub 1] tot een bedrag van € 483,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellante sub 3] tot een bedrag van € 805,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellant sub 5] tot een bedrag van € 644,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellanten sub 6] tot een bedrag van € 116,86;

- [appellante sub 8] tot een bedrag van € 762,26, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellante sub 9] tot een bedrag van € 644,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- de Vereniging Milieudefensie en anderen tot een bedrag van € 644,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellant sub 12] tot een bedrag van € 116,86;

en de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in verband met de behandeling van de beroepen gemaakt proceskosten ten aanzien van:

- [appellant sub 19] tot een bedrag van € 322,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellant sub 20] tot een bedrag van € 805,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

deze bedragen dienen door de provincie Utrecht respectievelijk de Staat der Nederlanden (het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) te worden betaald aan de genoemde (rechts-)personen;

IX. gelast dat de provincie Utrecht aan [appellante sub 3], de Stichtse Milieufederatie, [appellante sub 8], [appellante sub 9], de Vereniging Milieudefensie en anderen, en de Stichting het Utrechts Landschap afzonderlijk het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht (€ 204,20) en aan [appellanten sub 1], [appellant sub 5], [appellanten sub 6], [appellant sub 10], [appellant sub 12] en [appellant sub 13] afzonderlijk het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht (€ 102,10) vergoedt en dat de Staat der Nederlanden (het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) aan het college van gedeputeerde staten van Utrecht het door haar voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht (€ 204,20) en aan [appellant sub 17], [appellante sub 18], [appellant sub 19], [appellant sub 20] en [appellant sub 21] afzonderlijk het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht (€ 102,10) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Voorzitter, en mr. J.J. Vis en dr. J.J.C. Voorhoeve, Leden, in tegenwoordigheid van mr. F.T.T. van der Heijde, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton w.g. Van der Heijde

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2003

291-349.