Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AI1265

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-08-2003
Datum publicatie
20-08-2003
Zaaknummer
200300294/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 november 2002, kenmerk 2002-15.816/45, MV, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "[vergunninghoudster] h.o.d.n. "Blik Recycling Nederland" een vergunning verleend voor het oprichten en het voor een periode van tien jaar in werking hebben van een inrichting voor het sorteren en bewerken van metaalhoudende afvalstoffen op het perceel [locatie]te [plaats], kadastraal bekend gemeente Hoogezand-Sappemeer, sectie M, nummers 26 en 283. Dit besluit is op 11 november 2002 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200300294/1.

Datum uitspraak: 20 augustus 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “Hotel-Café-Restaurant Westerbroek Exploitatie B.V.”, gevestigd te Westerbroek,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Groningen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 november 2002, kenmerk 2002-15.816/45, MV, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "[vergunninghoudster] h.o.d.n. "Blik Recycling Nederland" een vergunning verleend voor het oprichten en het voor een periode van tien jaar in werking hebben van een inrichting voor het sorteren en bewerken van metaalhoudende afvalstoffen op het perceel [locatie]te [plaats], kadastraal bekend gemeente Hoogezand-Sappemeer, sectie M, nummers 26 en 283. Dit besluit is op 11 november 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 13 december 2002, bij verweerder ingekomen op 18 december 2002, beroep ingesteld. Deze brief is ter behandeling doorgezonden naar de Raad van State.

Bij brief van 10 maart 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 juni 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M.L.G. Modderman, ing. A. Truin en

ing. I. Dwarshuis, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Eerst ter zitting heeft appellante betoogd dat zij vreest voor geurhinder. Het aanvoeren van deze grond in dit stadium van de procedure is in strijd met de goede procesorde. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat appellante deze niet eerder in de procedure naar voren had kunnen brengen. Voornoemde grond kan derhalve niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

2.2. Verweerder heeft gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk is. De identiteit van appellante is volgens hem onduidelijk en de beroepsgronden zouden niet terug te voeren zijn op de bedenkingen die zijn ingebracht.

Wat betreft de identiteit van appellante stelt de Afdeling vast dat uit het beroepschrift voldoende duidelijk wordt dat beroep wordt ingesteld namens appellante.

Wat betreft de stelling dat de beroepsgronden niet zouden zijn terug te voeren op de bedenkingen die zijn ingebracht, overweegt de Afdeling als volgt. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Met uitzondering van de grond inzake geluidhinder heeft appellante de beroepsgronden niet als bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellante redelijkerwijs niet kan worden verweten op deze punten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep, met uitzondering van de grond inzake geluidhinder, niet-ontvankelijk is.

2.3. Appellante vreest dat niet aan de geluidvoorschriften zal kunnen worden voldaan.

2.3.1. Verweerder heeft in hoofdstuk 3 van het bestreden besluit voorschriften opgenomen om geluid- en trillinghinder te voorkomen dan wel in voldoende mate te beperken.

Onderdeel II van het dictum van het bestreden besluit bepaalt dat de aanvraag om vergunning deel uitmaakt van de vergunning, zulks met uitzondering van onder meer de gehele bijlage 8 welke bij de aanvraag is gevoegd. Nu bijlage 8 het akoestisch rapport bevat, maakt dit rapport geen deel uit van het besluit. Ter zitting heeft verweerder duidelijk gemaakt dat dit evenwel niet beduidt dat hij zich – afgezien van de berekening van de geluidbelasting vanwege het laden van schroot in een schip – niet in de uitgangspunten en conclusies daarvan kan vinden. Naar de geluidbelasting vanwege het laden van schroot in een schip heeft verweerder nader onderzoek verricht. Gesteld noch gebleken is dat deze akoestische onderzoeken ontoereikend zijn. Verweerder heeft geluidgrenswaarden opgelegd die zijn afgestemd op de resultaten van voormelde akoestische onderzoeken. De Afdeling merkt op dat verweerder vergunninghoudster voorts ter controle in voorschrift 3.4 de verplichting heeft opgelegd om binnen twaalf maanden na het van kracht worden van de vergunning een uitgebreid onderzoeksrapport aan hem over te leggen ten aanzien van de door de inrichting veroorzaakte geluidbelasting.

De Afdeling overweegt dat er, gelet op het bovenstaande, ten tijde van het nemen van het bestreden besluit voor verweerder geen aanleiding bestond om aan te nemen dat vergunninghoudster niet aan de opgelegde geluidgrenswaarden kan voldoen.

2.4. Gelet op het bovenstaande dient het beroep, voorzover ontvankelijk, ongegrond te worden verklaard.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voorzover het andere gronden dan geluidhinder betreft;

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.J. Overdijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Hirsch Ballin w.g. Overdijk

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2003

320-446.