Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AI1250

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-08-2003
Datum publicatie
20-08-2003
Zaaknummer
200206256/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 maart 1999 heeft het dagelijks bestuur van het Plassenschap Loosdrecht en Omstreken (hierna: het dagelijks bestuur) aan [partij] ontheffing verleend van de verbodsbepaling vervat in artikel 10 van de Verordening Bescherming Plassengebied (hierna: de verordening) voor het maken en hebben van een beschoeiing op het perceel, kadastraal bekend gemeente […], sectie […], nummer […].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200206256/1.

Datum uitspraak: 20 augustus 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Amsterdam van 16 oktober 2002 in het geding tussen:

appellant

en

het dagelijks bestuur van het Plassenschap Loosdrecht en Omstreken.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 maart 1999 heeft het dagelijks bestuur van het Plassenschap Loosdrecht en Omstreken (hierna: het dagelijks bestuur) aan [partij] ontheffing verleend van de verbodsbepaling vervat in artikel 10 van de Verordening Bescherming Plassengebied (hierna: de verordening) voor het maken en hebben van een beschoeiing op het perceel, kadastraal bekend gemeente […], sectie […], nummer […].

Bij besluit van 19 juni 2000 heeft het dagelijks bestuur het daartegen gemaakte bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard en aan appellant medegedeeld dat zijn bezwaarschrift tevens zal worden opgevat als een verzoek om bestuursdwang toe te passen.

Bij besluit van 8 september 2000 heeft het dagelijks bestuur geweigerd dit verzoek om bestuursdwang in te willigen.

Bij besluit van 24 januari 2001 heeft het dagelijks bestuur het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 oktober 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 24 november 2002, bij de Raad van State ingekomen op 26 november 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 23 januari 2003 heeft [partij] van antwoord gediend.

Bij brief van 24 januari 2003 heeft het dagelijks bestuur van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 mei 2003, waar appellant in persoon, het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. J.M.J. Meijs en H. Hijdra, ambtenaren van het plassenschap, en [partij] in persoon, bijgestaan door [rechtsbijstandverlener], zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 10, onder a, van de verordening is het onder meer verboden beschoeiingen te maken of te hebben.

Ingevolge artikel 16 van de verordening kan, voor zover van belang, het bestuur van de verboden, vervat in deze verordening, schriftelijk ontheffing verlenen onder door hem te stellen voorwaarden.

2.2. Bij de aan [partij] verleende ontheffing van artikel 10 van de verordening is, voor zover van belang, onder nr. 2 als voorwaarde gesteld dat de beschoeiing volgens een vloeiend verlopende lijn vlak langs de bestaande beschoeiing dient te worden geplaatst. Bij de beslissing op bezwaar inzake het verzoek om bestuursdwang van 24 januari 2001 heeft het dagelijks bestuur voor het onderhavige perceel een analoge toepassing gegeven aan het door hem ingevolge de ‘Nota toepassing beleid inzake werken in de Noordelijke en Zuidelijke Kievitsbuurt’ (hierna: de nota) gevoerde beleid. In deze nota is vermeld dat men een nieuwe beschoeiing in het algemeen niet meer dan 0,75 meter buiten de bestaande oeverlijn mag plaatsen. Daarbij heeft het dagelijks bestuur gesteld dat in het verleden de maximale maat van 0.75 meter ook in het onderhavige gebied werd aangehouden als de vigerende norm. Met inachtneming van het vorenstaande en een bezichtiging van de situatie ter plaatse heeft het dagelijks bestuur zich op het standpunt gesteld dat de onderhavige beschoeiing overeenkomstig voorwaarde 2 van de ontheffing volgens een vloeiend verlopende lijn vlak langs de bestaande beschoeiing is geplaatst.

Bij een onderzoek ter plaatse door de rechtbank is waargenomen dat de beschoeiing ter hoogte van de ‘slipway’ van appellant deels vlak langs de bomenrij en deels enkele centimeters uit de bomenrij is geplaatst.

2.3. Het hoger beroep van appellant is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het dagelijks bestuur zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de beschoeiing vlak langs de bestaande beschoeiing is geplaatst en niet in afwijking van het bepaalde onder voorwaarde 2 van de ontheffing. Hij heeft aangevoerd tegen de toepassing van de Nota op het betreffende perceel geen bezwaar te hebben. Hij heeft evenwel op grond van dit beleid betoogd, dat indien er sprake is van bestaande beschoeiing, zoals op dit perceel, een nieuwe beschoeiing strak langs de bestaande beschoeiing dient te worden geplaatst.

2.4. Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting, hetgeen in de nota omtrent de maximale afstand tussen oeverlijn dan wel bestaande en nieuwe beschoeiing is opgenomen en de overige stukken, is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat het dagelijks bestuur zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in het geding zijnde beschoeiing vlak langs de bestaande beschoeiing is geplaatst en niet afwijkt van hetgeen in de ontheffing onder voorwaarde 2 is opgenomen. De feitelijke situatie kan met zich brengen dat, om een vloeiend verlopende lijn te krijgen, er op sommige plaatsen enige ruimte is tussen een nieuwe en een oude beschoeiing. In casu is dit het geval.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Voorzitter, en mr. P.J.J. van Buuren en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Zwemstra

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2003

91-402.