Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AI1246

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-08-2003
Datum publicatie
20-08-2003
Zaaknummer
200206194/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 juni 2000 heeft de gemeenteraad van Nunspeet, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 20 juni 2000, vastgesteld het bestemmingsplan "Elspeet-Dorp 2000".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200206194/1.

Datum uitspraak: 20 augustus 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3. het college van burgemeester en wethouders van Nunspeet,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 juni 2000 heeft de gemeenteraad van Nunspeet, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 20 juni 2000, vastgesteld het bestemmingsplan "Elspeet-Dorp 2000".

Bij besluit van 23 januari 2001, kenmerk RE2000.62151, heeft verweerder beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Bij haar uitspraak van 24 april 2002, no. 200101025/1, heeft de Afdeling het besluit van verweerder gedeeltelijk vernietigd.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 5 november 2002, kenmerk RE2002.43323, opnieuw beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellante sub 1 bij brief van 20 november 2002, bij de Raad van State ingekomen op 22 november 2002, appellant sub 2 bij brief van 23 december 2002, bij de Raad van State ingekomen op 24 december 2002, en appellant sub 3 bij brief van 24 december 2002, bij de Raad van State ingekomen op 30 december 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 25 februari 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 juni 2003, waar appellante sub 1, vertegenwoordigd door [gemachtigde],

appellant sub 2 in persoon en bijgestaan door [gemachtigde],

appellant sub 3, vertegenwoordigd door R. Jager, ambtenaar van de gemeente, en verweerder, vertegenwoordigd door P.G.A.L. Evers, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar de gemeenteraad, vertegenwoordigd door R. Jager, ambtenaar van de gemeente, gehoord.

Na de zitting zijn nadere stukken ontvangen van appellante sub 1. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden. Met toestemming van partijen is afgezien van een nadere zitting.

2. Overwegingen

2.1. Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447).

Uit artikel VI, tweede lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd vóór 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.3. Met het plan wordt beoogd een actuele juridisch-planologische regeling voor het dorp Elspeet te bieden. In het plan wordt ruimte geboden voor enkele kleinschalige ontwikkelingen voor woningbouw en bedrijfsactiviteiten.

Verweerder heeft bij het bestreden besluit opnieuw beslist over de goedkeuring van het plan nadat het eerdere goedkeuringsbesluit gedeeltelijk door de Afdeling was vernietigd.

2.4. [locatie a]

2.4.1. Appellante sub 1 is van mening dat verweerder ten onrechte alsnog het plandeel met de bestemming “Agrarisch gebied” voor haar noodwoning [locatie a], heeft goedgekeurd. Zij betoogt dat het bouwwerk positief bestemd moet worden, omdat het college van burgemeester en wethouders binnen de komende planperiode niet zal optreden tegen de reeds lange tijd bestaande bewoning ervan.

2.4.2. Bij haar uitspraak van 24 april 2002 heeft de Afdeling onder meer overwogen dat het oordeel van de Afdeling in een eerdere uitspraak van

30 maart 1999, no. E01.97.0493, geen betrekking heeft op de vraag of verweerder in redelijkheid de bestemming voor het perceel in overeenstemming of in strijd met een goede ruimtelijke ordening heeft kunnen achten. De interpretatie van verweerder, dat de woning een positieve bestemming had moeten krijgen, is onjuist.

2.4.3. Verweerder heeft zich in zijn bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij heeft hij in aanmerking genomen dat het uitgangspunt van het streekplanbeleid is dat nieuwe woningen in het buitengebied niet zijn toegestaan. Gelet hierop heeft hij het plan op dit punt alsnog goedgekeurd.

2.4.4. De Afdeling stelt vast dat de noodwoning aan de [locatie a] volgens de streekplankaart in landelijk gebied B staat. Volgens een essentiële beleidsuitspraak in het Streekplan Gelderland 1996 is in dit gebied de natuur de belangrijkste functie en mogen ontwikkelingen van andere functies de beoogde natuurdoelstellingen niet frustreren. Daarmee overeenstemmend beleid van verweerder waarin nieuwe woningen in deze gebieden niet zijn toegestaan, acht de Afdeling niet onredelijk. Verweerder heeft dit plan terecht in overeenstemming geacht met het provinciale beleid. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in dit geval niet in redelijkheid aan het beleid heeft kunnen vasthouden. De enkele omstandigheid dat het gebruik van de noodwoning al gedurende langere tijd gaande is kan een positieve bestemming niet rechtvaardigen. Daarbij heeft de Afdeling in aanmerking genomen dat in strijd met in het verleden gemaakte afspraken na de bouw van de woning [locatie b] de in het geding zijnde noodwoning niet is verwijderd. Gelet op het voorgaande acht de Afdeling het standpunt van verweerder dat de noodwoning [locatie a] niet positief moet worden bestemd niet onredelijk.

Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op genoemd punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het bestreden plandeel.

Het beroep van appellante sub 1 is ongegrond.

2.5. [locatie c]

2.5.1. Appellanten sub 2 en 3 zijn van mening dat verweerder ten onrechte wederom goedkeuring heeft onthouden aan het plandeel met de bestemming “Wonen” en de aanduiding “woonvlak” voor het perceel direct ten oosten van de [locatie c]. Zij voeren aan dat het perceel binnen de door het college van gedeputeerde staten vastgestelde verstedelijkingscontour voor Elspeet ligt.

Voorts betwist appellant sub 3 de stelling van verweerder dat aan invulling van de verstedelijkingscontour een goede stedenbouwkundige opzet en een verstedelijkingsvisie ten grondslag moet liggen nu het opstellen van een visie pas beleid is geworden nadat het ontwerpplan ter inzage is gelegd en het gaat om één enkele woning.

2.5.2. Bij haar uitspraak van 24 april 2002 heeft de Afdeling onder meer overwogen dat het streekplanbeleid over verstedelijking van toepassing is, omdat het perceel van appellant sub 2 aan de [locatie] binnen de verstedelijkingscontour ligt. Daaruit volgt niet dat de plek zonder meer voor bebouwing in aanmerking dient te komen, maar het streekplan sluit bebouwing niet uit.

2.5.3. Verweerder heeft genoemd plandeel in strijd geacht met een goede ruimtelijke ordening. Hij is van mening dat ook binnen verstedelijkingscontouren een goede ruimtelijke invulling moet worden gegeven. Verdere opvulling van het bebouwingslint aan de [locatie] weegt daarbij niet op tegen het belang de in het gebied aanwezige groene ruimten open te houden, aldus verweerder.

2.5.4. Indien ten tijde van de beslissing van het college van gedeputeerde staten omtrent de goedkeuring een nieuw streekplan is vastgesteld, brengt het karakter van de toetsing door het college van gedeputeerde staten met zich dat zij – behoudens bijzondere omstandigheden – het nieuwe streekplan in acht nemen. Op 21 juni 2000 hebben provinciale staten van Gelderland het streekplan partieel herzien. Het bestreden besluit is genomen op 5 november 2002.

Uit het vorenstaande volgt dat verweerder bij de beslissing omtrent de goedkeuring van het plan terecht is uitgegaan van het beleid van de partiële herziening van het streekplan van 2000, waarin is opgenomen dat aan de invulling van de verstedelijkingscontouren een zogenoemde verstedelijkingsvisie ten grondslag dient te liggen.

2.5.5. Volgens de toelichting bij de streekplanuitwerking “Verstedelijkingscontouren CVN” dient binnen de verstedelijkingscontouren een goede ruimtelijke ordening te worden nagestreefd, waarbij de ruimtelijke kwaliteit van het stedelijk gebied op zijn minst dient te worden gehandhaafd en waar/indien mogelijk te worden verbeterd.

Volgens het geldende streekplan kunnen uitbreidingslocaties ten behoeve van verstedelijking eerst dan aan bod komen nadat inbreidingslocaties zijn benut, dan wel gemotiveerd is aangetoond dat bestaande en toekomstige inbreidingslocaties niet tijdig in ontwikkeling kunnen worden genomen. Nut en noodzaak van uitbreiding zal expliciet moeten worden onderbouwd in een actuele gemeentelijke visie op de ontwikkeling van wonen en werken voor het gehele grondgebied en alle kernen.

De Afdeling is niet gebleken van een motivering of visie ten aanzien van het bestreden plandeel dat in uitbreiding van woongebied voorziet. Verweerder heeft het plan in zoverre terecht in strijd met het streekplan geacht.

Ten noorden en ten zuiden van de [locatie] liggen agrarische gronden. Aan het begin van de [locatie] staan vier vrijstaande woningen, waarvan drie aan de zuidkant van de [locatie]. Het in geding zijnde perceel ligt tussen de woning [locatie c] en de woning [locatie d] en is een doorkijk tussen genoemde agrarische gebieden. [locatie d] vormt het einde van de ter plaatse aanwezige bebouwing en grenst aan een groot open gebied. De [locatie] rondom het in het geding zijnde perceel kent een open en landelijk karakter.

De Afdeling is van oordeel dat verweerder bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang dat is gediend bij behoud van groene ruimten dan aan het belang dat is gediend bij de bouw van een woning in het bebouwingslint aan de [locatie].

Gelet op al het voorgaande acht de Afdeling het standpunt van verweerder dat het plan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening niet onredelijk. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Verweerder heeft daarom terecht goedkeuring onthouden aan het plan, voorzover dat voorziet in een woningbouwmogelijkheid tussen de percelen locatie c] en [d].

De beroepen van appellanten sub 2 en 3 zijn dan ook ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en mr. P.A. Offers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Bindels

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2003

85-447.