Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AI1233

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-08-2003
Datum publicatie
20-08-2003
Zaaknummer
200204844/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 juni 2002, kenmerk MW01.18047, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [appellante sub 1] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet geweigerd voor een inrichting bestemd voor het bewaren, bewerken en verwerken van autowrakken, handel in ferro, non-ferro metalen, kabels en witgoed, herstellen en verkoop van (tweedehands) motorvoertuigen, constructiewerkzaamheden metaalwaren, stalling en verhuur van containers en mobiele pletmachines op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente […], sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 25 juli 2002 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200204844/1.

Datum uitspraak: 20 augustus 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], gevestigd te [plaats],

2. de vereniging " Belangenvereniging Het Kerkeveld", gevestigd te Zevenaar,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2002, kenmerk MW01.18047, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [appellante sub 1] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet geweigerd voor een inrichting bestemd voor het bewaren, bewerken en verwerken van autowrakken, handel in ferro, non-ferro metalen, kabels en witgoed, herstellen en verkoop van (tweedehands) motorvoertuigen, constructiewerkzaamheden metaalwaren, stalling en verhuur van containers en mobiele pletmachines op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente […], sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 25 juli 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellante sub 1 bij brief van 3 september 2002, bij de Raad van State ingekomen op 4 september 2002, en appellante sub 2 bij brief van 31 augustus 2002, bij de Raad van State ingekomen op 3 september 2002, beroep ingesteld. Appellante sub 1 heeft haar beroep aangevuld bij brief van 4 september 2002.

Bij brief van 31 oktober 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 25 februari 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante sub 1 en appellante sub 2. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 mei 2003, waar appellante sub 1, vertegenwoordigd door [gemachtigden], appellante sub 2, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en verweerder, vertegenwoordigd door B.A.M. Kolle, R.J. Baars, P.M.G.M. van Riswijk, ambtenaren van de provincie, mr. T. Brouwer, A. Wensink, gemachtigden, zijn verschenen.

Voorts is het college van burgemeester en wethouders van Zevenaar, vertegenwoordigd door A.A.T.M. Klomp-Kuipers, wethouder van de gemeente, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Voor de inrichting is door burgemeester en wethouders van Zevenaar op 19 april 1983 een vergunning krachtens de Hinderwet verleend, welke vergunning bij Koninklijk besluit van 21 augustus 1984, nr. 31, is gewijzigd.

Op grond van deze vergunning mogen, voorzover thans van belang, maximaal 1000 autowrakken per jaar in de inrichting worden verwerkt.

De aanvraag van 24 december 1996 voor een revisievergunning behelst, voorzover thans van belang, een uitbreiding van het aantal te verwerken autowrakken tot 30.000 per jaar. Bij uitspraak van 22 maart 2001, nr. E03.98.0910, heeft de Afdeling het besluit van verweerder van 21 april 1998, strekkende tot verlening van de gevraagde vergunning, vernietigd.

2.2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de vergunning geweigerd omdat, kort samengevat, de geluidgrenswaarden die gesteld zouden moeten worden aan het equivalente geluidniveau en aan het piekgeluidniveau de uitbreiding van de activiteiten, zoals omschreven in de aanvraag, niet zouden toelaten. Het vergunnen van slechts een klein gedeelte van de aangevraagde activiteiten zou neerkomen op een verkapte weigering van de vergunning.

2.3. Appellante sub 2 heeft onder meer aangevoerd dat zij geluid- en geuroverlast ondervindt van de inrichting.

2.3.1. Hetgeen appellante sub 2 met haar beroep nastreeft, is bereikt, aangezien de vergunning bij het bestreden besluit is geweigerd. Voor het oordeel dat appellante sub 2 niettemin nog belang heeft bij de beoordeling van het beroep, bestaat geen grond. Het beroep van appellante sub 2 is dan ook niet-ontvankelijk.

2.4. Appellante sub 1 heeft aangevoerd dat verweerder na de eerdere uitspraak van de Afdeling niet op grondslag van dezelfde aanvraag, alsnog tot weigering van de vergunning kon overgaan, nu zij daardoor in een slechtere positie is gebracht dan zij zonder het instellen van dat beroep zou zijn geweest.

2.5. De Afdeling overweegt dat het uitgangspunt dat een burger er door het instellen van beroep niet op achteruit mag gaan, ziet op de uitspraak in beroep en niet op het besluit van een bestuursorgaan na een uitspraak in beroep. Voor dit besluit is mede van belang dat ook het beroep van derden, waaronder de vereniging “Belangenvereniging Het Kerkeveld” gegrond is verklaard. Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.6. Appellante sub 1 stelt – kort samengevat – dat de vergunning ten onrechte is geweigerd vanwege de geluidbelasting die wordt veroorzaakt door de inrichting. In dat verband voert zij aan dat de karakterisering van de omgeving als landelijke omgeving onjuist is, gelet op de ligging op relatief korte afstand van enkele drukke provinciale wegen en een spoorlijn, en dat verweerder bij de vaststelling van de grenswaarden voor de Oud Zevenaarsedijk ten onrechte het referentieniveau van het omgevingsgeluid niet heeft betrokken.

Appellante sub 1 voert verder nog aan dat verweerder, in strijd met artikel 8.4, derde lid, van de Wet milieubeheer, door de vergunning te weigeren de bestaande rechten heeft miskend die zij heeft op grond van de eerder verleende vergunning krachtens de Hinderwet.

2.6.1. Op grond van artikel 8.4, derde lid, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag bij de verlening van een revisievergunning de rechten die de vergunninghouder aan de eerder verleende vergunning ontleende, niet wijzigen anders dan mogelijk zou zijn met toepassing van afdeling 8.1.2 van de wet.

Bij deze bestaande rechten gaat het om de eerder vergunde activiteiten en niet om de milieubelasting ervan zoals die, bijvoorbeeld in de eerdere vergunning aan grenswaarden is gebonden. Artikel 8.4, derde lid, van de Wet milieubeheer staat er daarbij niet aan in de weg dat het bevoegd gezag bij de beoordeling of nieuwe activiteiten of een uitbreiding van activiteiten kunnen dan wel kan worden vergund deze situatie beoordeelt aan de hand van de zich op dat moment voordoende milieuhygiënische inzichten.

2.6.2. Blijkens de stukken heeft verweerder bij de beoordeling van de geluidbelasting van de inrichting de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking) gehanteerd. Verweerder heeft overeenkomstig het gestelde in de Handreiking de in hoofdstuk 4 van de Handreiking aanbevolen beoordelingswijze tot uitgangspunt genomen. Deze beoordelingswijze komt overeen met die van de circulaire Industrielawaai (hierna: circulaire).

In de Handreiking zijn voor verschillende omgevingscategorieën richtwaarden opgenomen. Overschrijding van deze richtwaarden is voor bestaande inrichtingen mogelijk tot het referentieniveau van het omgevingsgeluid.

Verweerder heeft de Handreiking aldus toegepast dat hij voor de bepaling van de geluidgrenswaarden wat de woningen aan de Oud Zevenaarsedijk betreft aansluiting heeft gezocht bij de richtwaarden voor een landelijke omgeving. Daarbij is voor verweerder met name van belang geweest het aantal klachten dat door omwonenden is geuit. Voor de woningen aan de Babberichseweg is uitgegaan van het referentieniveau omdat dit ter plaatse 3 dB(A) hoger is dan de richtwaarde.

Niet geoordeeld kan worden dat verweerder de Handreiking op deze wijze onjuist heeft toegepast. Daarbij neemt de Afdeling in overweging dat de inrichting is gelegen aan een dijkweg met lintbebouwing. In de omgeving bevinden zich verspreid liggende agrarische bedrijven en burgerwoningen. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld, dat de omgeving gelijk is te stellen met een “landelijke omgeving”. Voor dit type omgeving hanteert de Handreiking een etmaalwaarde van 40 dB(A).

Niet in geschil is dat de door verweerder gehanteerde grenswaarden niet kunnen worden nageleefd.

2.6.3. Met betrekking tot de piekgeluidgrenswaarden heeft verweerder aansluiting gezocht bij de circulaire. In het bestreden besluit wordt overwogen dat voor de beoordeling van de vergunningaanvraag is uitgegaan van piekgeluidgrenswaarden die 10 dB(A) hoger liggen dan de equivalente geluidgrenswaarden. Daartoe heeft verweerder overwogen dat de ligging in de buurt van een stiltegebied en het aantal klachten mede bepalend zijn geweest voor de keuze om vast te houden aan de streefwaarde zoals deze is opgenomen in de circulaire.

2.6.4. De Afdeling stelt vast dat deze piekgeluidgrenswaarden gedurende zowel de dag-, avond- als nachtperiode 10 dB(A) hoger zijn dan de equivalente geluidgrenswaarden gedurende dezelfde perioden, hetgeen overeenkomt met de in de circulaire aanbevolen streefwaarden voor piekgeluiden. Voorts zijn de in acht te nemen grenswaarden voor piekgeluiden lager dan de aanbevolen maximale waarden uit de circulaire. Niet geoordeeld kan worden dat verweerder de circulaire op deze wijze onjuist heeft toegepast.

Niet in geschil is dat deze piekgeluidgrenswaarden niet kunnen worden nageleefd.

2.6.5. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat indien slechts een gedeelte van de aangevraagde activiteiten was vergund verweerder de grondslag van de aanvraag zou hebben verlaten. Dit verdraagt zich niet met het stelsel van de Wet milieubeheer, dat met zich meebrengt dat verweerder beschikt op de aanvraag zoals deze wordt ingediend.

2.6.6. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vergunning moet worden geweigerd vanwege het feit dat geluidhinder niet in voldoende mate kan worden voorkomen. De beroepsgrond is ongegrond.

2.6.7. Het beroep van appellante sub 2 is niet-ontvankelijk. Het beroep van appellante sub 1 is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van appellante sub 2 niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van appellante sub 1 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, Voorzitter, en mr. Th.G. Drupsteen en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.L.D. Trippert-van Gemeren, ambtenaar van Staat.

w.g. Schaafsma w.g. Trippert-van Gemeren

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2003

289.