Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AI1229

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-08-2003
Datum publicatie
20-08-2003
Zaaknummer
200204674/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 juli 2002, kenmerk A01/0030 MD 2001, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer: projectbureau Noord/Zuidlijn (hierna: vergunninghoudster) voor de duur van vier jaar een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een werkplatform met twee menginstallaties, twee scheidingsinstallaties voor grondbentoniet (bestaande uit een ontzandinginstallatie, recycle-installatie en ontwateringinstallatie), diverse pompinstallaties, generatorsets en enkele opslagsilo’s. Het werkplatform is gelegen in de Singelgracht ter hoogte van de Boerenwetering, hoek Ruysdaelkade en de Stadhouderskade te Amsterdam, kadastraal bekend gemeente Amsterdam, sectie ASD 061/14R, nummers 10776 (ged.) en 6728 (ged.). Dit besluit is op 17 juli 2002 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 1.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2004, 177 met annotatie van Redactie
BR 2003/225
M en R 2003, 166K
Milieurecht Totaal 2003/2098
JM 2003/107
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200204674/2.

Datum uitspraak: 20 augustus 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de stichting "Stichting Behou Gerard Dou" en anderen, allen gevestigd respectievelijk wonend te Amsterdam,

2. de vereniging "Woonvereniging Ahadeb", gevestigd te Amsterdam,

3. [appellanten sub 3], wonend te [woonplaats],

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 juli 2002, kenmerk A01/0030 MD 2001, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer: projectbureau Noord/Zuidlijn (hierna: vergunninghoudster) voor de duur van vier jaar een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een werkplatform met twee menginstallaties, twee scheidingsinstallaties voor grondbentoniet (bestaande uit een ontzandinginstallatie, recycle-installatie en ontwateringinstallatie), diverse pompinstallaties, generatorsets en enkele opslagsilo’s. Het werkplatform is gelegen in de Singelgracht ter hoogte van de Boerenwetering, hoek Ruysdaelkade en de Stadhouderskade te Amsterdam, kadastraal bekend gemeente Amsterdam, sectie ASD 061/14R, nummers 10776 (ged.) en 6728 (ged.). Dit besluit is op 17 juli 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 21 augustus 2002, bij de Raad van State ingekomen op 27 augustus 2002, appellante sub 2 bij brief van 27 augustus 2002, bij de Raad van State ingekomen op 28 augustus 2002, en appellanten sub 3 bij brief van 28 augustus 2002, bij de Raad van State ingekomen op 28 augustus 2002, beroep ingesteld. Appellanten sub 1 heeft haar beroep aangevuld bij brief van 4 september 2002 en bij brief van 17 september 2002. Appellante sub 2 heeft haar beroep aangevuld bij brief van 28 augustus 2002 en bij brief van 29 augustus 2002. Appellanten sub 3 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 25 september 2002.

Bij brief van 14 november 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 25 februari 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van vergunninghoudster. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 juni 2003, waar appellanten sub 1, vertegenwoordigd door [gemachtigde], appellante sub 2, vertegenwoordigd door [gemachtigden], appellanten sub 3, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. E.W. Beukenhorst, ing. O.R. Zorg en ing. M. Hillebregt, allen ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door prof. mr. N.S.J. Koeman, advocaat te Amsterdam.

2. Overwegingen

2.1. Appellanten sub 2 en sub 3 voeren, kort weergegeven, aan dat de pijpleidingen van en naar het werkplatform naar de bouwlocaties Vijzelgracht en Ceintuurbaan onderdeel zijn van de inrichting en derhalve aan de vergunning onder meer geluidvoorschriften hadden moet worden verbonden met betrekking tot het transport van de op het platform bewerkte stoffen. Appellanten sub 1 hebben onder meer gronden aangevoerd, welke verband houden met de samenhang tussen het werkplatform en het pijpleidingenstelsel.

2.1.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het pijpleidingenstelsel niet tot de inrichting behoort, aangezien de activiteiten van een inrichting binnen een zekere begrenzing behoren te worden verricht.

2.1.2. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer wordt verstaan onder inrichting: elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht.

In artikel 1.1, vierde lid, van de wet is, voorzover hier van toepassing bepaald dat als één inrichting wordt beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen.

2.1.3. Het werkplatform dient diverse grondwerkzaamheden die worden verricht ten behoeve van de bouw van twee nieuwe metrostations in Amsterdam ter plaatse van de Vijzelgracht en de Ferdinand Bolstraat/ Ceintuurbaan. De grondwerkzaamheden behelzen onder meer de aanleg van zogenoemde diepwanden. Voor de aanleg van deze diepwanden dienen sleuven te worden gegraven. Om het instorten van de wanden van deze sleuven tegen te gaan, wordt bentonietvloeistof tussen deze wanden gebracht. In verband met de beperkte ruimte en om overlast voor de omgeving vanwege de beide bouwlocaties zoveel mogelijk te beperken, is er voor gekozen de installaties voor de productie van deze steunvloeistof en het recyclen van de verontreinigde bentonietvloeistof te plaatsen op het bedoelde werkplatform, gelegen in de Singelgracht. De afstand tussen het onderhavige platform en de bouwlocatie aan de Vijzelgracht bedraagt hemelsbreed ongeveer 200 meter. De afstand tussen het werkplatform en de bouwlocatie aan de Ferdinand Bolstraat/ Ceintuurbaan bedraagt hemelsbreed ongeveer 500 meter. De bentonietvloeistof wordt vanaf het werkplatform onder druk door een daarvoor aangelegd en aan het werkplatform verbonden pijpleidingenstelsel naar de beide bouwlocaties geperst. Vervolgens wordt na verbruik het overtollig of verontreinigde deel van het gebruikte bentoniet door dit pijpleidingenstelsel weer afgevoerd naar het werkplatform om daar te worden ontzand dan wel gerecycled om daarna wederom door de desbetreffende pijpleidingen naar de beide bouwlocaties te worden getransporteerd. De Afdeling overweegt dat ter zitting is komen vast te staan dat deze pijpleidingen vanaf het werkplatform volgens een vast traject naar de beide bouwlocaties lopen. De begrenzing van de pijpleidingen blijkt uit de omstandigheid, dat bentoniet door deze leidingen in een gesloten circuit tussen het werkplatform en de twee bouwlocaties heen en weer wordt gepompt in gezuiverde dan wel vervuilde toestand.

De Afdeling is van oordeel dat er technische, organisatorische en functionele bindingen zijn tussen het werkplatform en het pijpleidingenstelsel en concludeert dat het werkplatform en het pijpleidingenstelsel tezamen één inrichting in de zin van artikel 1.1, eerste en vierde lid, van de Wet milieubeheer vormen, zodat ten onrechte vergunning is verleend voor slechts een deel van de vergunning.

2.2. De beroepen zijn gegrond. Aan de bespreking van de overige beroepsgronden komt de Afdeling niet meer toe. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

2.3. Niet is gebleken van proceskosten van appellante sub 2 en appellanten sub 3 die voor vergoeding in aanmerking komen. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten van appellanten sub 1 te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam van 17 juli 2002, kenmerk A01/0030 MD 2001;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam in de door appellanten sub 1 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 33,57; het bedrag dient door de gemeente Amsterdam te worden betaald aan appellanten

sub 1;

IV. gelast dat de gemeente Amsterdam aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 218,00 voor appellanten sub 1, € 218,00 voor appellante sub 2 en € 109,00 voor appellanten sub 3) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, Voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. P.C.E. van Wijmen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van Staat.

w.g. Schaafsma w.g. Oudenaller

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2003

179-375.