Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AI1228

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-08-2003
Datum publicatie
20-08-2003
Zaaknummer
200204644/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 juli 2002, kenmerk 844813, heeft verweerder aan Grontmij Advies en Techniek B.V. een vergunning onder voorschriften krachtens de Ontgrondingenwet verleend voor het ontgronden van de percelen kadastraal bekend gemeente Zeeland, sectie I, nummers 145 en 345, sectie K, nummer 238 en sectie L, nummers 23,27,29,32 en 354.

Wetsverwijzingen
Ontgrondingenwet
Ontgrondingenwet 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2004, 34 met annotatie van J.M. Verschuuren
Gst. 2004, 154 met annotatie van A.A.J. de Gier
JM 2004/13 met annotatie van De Vries
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200204644/1.

Datum uitspraak: 20 augustus 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 juli 2002, kenmerk 844813, heeft verweerder aan Grontmij Advies en Techniek B.V. een vergunning onder voorschriften krachtens de Ontgrondingenwet verleend voor het ontgronden van de percelen kadastraal bekend gemeente Zeeland, sectie I, nummers 145 en 345, sectie K, nummer 238 en sectie L, nummers 23,27,29,32 en 354.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 26 augustus 2002, bij de Raad van State ingekomen op 27 augustus 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 11 december 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 28 januari 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 mei 2003, waar appellant, in persoon en bijgestaan door mr. C.A.M.J. de Wit, advocaat te Uden, en verweerder, vertegenwoordigd door A.A.G. van den Meerendonk en ing. A.J. Mulder, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen. Verder is daar gehoord het college van burgemeester en wethouders van Landerd, vertegenwoordigd door J.H. van Alphen, ambtenaar van de gemeente, en Grontmij Advies en Techniek B.V. vertegenwoordigd door [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. De verleende vergunning maakt een ontgronding met een oppervlakte van 40 hectare mogelijk. De te ontgronden percelen liggen in het natuurgebied de Maashorst. De ontgronding strekt ertoe dit natuurgebied verder te ontwikkelen. Daartoe dienen delen van het uit grasland bestaande gebied te worden omgevormd naar heide door de verwijdering van de teelaardelaag tot een diepte van maximaal 0,35 meter beneden het bestaande maaiveld. In het gebied is reeds 20 hectare grasland omgevormd tot heide.

2.2. Appellant exploiteert een agrarisch bedrijf ten westen van het te ontgronden gebied. Hij betoogt dat de ontgronding in strijd is met het bestemmingsplan en dat niet is gebleken dat de gemeenteraad bereid is aan de ontgronding planologische medewerking te verlenen. Appellant vreest dat het dassenleefgebied door de ontgronding wordt aangetast. Verder is hij van mening dat onvoldoende onderzoek is verricht naar de gevolgen van de ontgronding voor flora en fauna en dat ten onrechte geen voorschriften ter beperking van de gevolgen van de ontgronding zijn gesteld.

2.3. Ingevolge artikel 10, derde lid, van de Ontgrondingenwet deelt de raad, van ieder van de gemeenten op het gebied waarvan de aanvrage om vergunning betrekking heeft, aan het ingevolge artikel 8 bevoegde gezag binnen zes weken nadat het verzoek daartoe is ingekomen mee of de beoogde ontgronding in overeenstemming is met het geldende bestemmingsplan, een ter inzage gelegd ontwerp voor een herziening van het bestemmingsplan of een geldend voorbereidingsbesluit ter zake, en deelt, zo zulks niet het geval is, mee of het gemeentebestuur bereid is aan de ontgronding planologische medewerking te verlenen.

Ingevolge artikel 10, achtste lid, van deze wet, wordt een vergunning niet verleend of gewijzigd indien de beoogde ontgronding in strijd zou zijn met een bestemmingsplan, een ter inzage gelegd ontwerp voor een herziening van het bestemmingsplan of een geldend voorbereidingsbesluit ter zake, tenzij- voorzover hier van belang- de raad van de betrokken gemeente heeft meegedeeld planologische medewerking te verlenen.

2.4. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de voorgenomen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd ten behoeve van landschapsbouw en natuurontwikkeling, zodat er geen sprake is van strijd met de ter plaatse geldende bestemming “Natuurgebied”.

2.5. Ingevolge het bestemmingsplan “Buitengebied” van de gemeente Landerd rust op het grootste gedeelte van de te ontgronden percelen de bestemming “Natuurgebied (Ng)” en voor het overige de bestemmingen “Bos met accent op natuur (Bn)” en “Agrarisch gebied met natuurwaarden (An).

Op hulpkaart A is aan deze gronden, voor zover hier relevant, het differentiatievlak “dassenleefgebied” toegekend.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften, voor zover hier relevant, zijn de gronden die zijn aangewezen voor “Natuurgebied” bestemd voor de instandhouding van natuurlijke en landschappelijke waarden.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier relevant, zijn de gronden die zijn aangewezen voor “Bos met accent op natuur”, bestemd voor de instandhouding van het bos ten behoeve van de opbouw van het landschap en instandhouding van aanwezige natuurwaarden.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden die zijn aangewezen voor “Agrarisch gebied met natuurwaarden” bestemd voor, voor zover hier relevant, de instandhouding van natuurlijke en landschappelijke waarden.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, onder a, artikel 5, tweede lid, onder a, en artikel 7, tweede lid, onder a, van de planvoorschriften, zijn de gronden aangeduid met differentiatievlak “dassenleefgebied” tevens bestemd voor de instandhouding van het dassenleefgebied.

Ingevolge artikel 24, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier relevant, is het verboden de in dit plan opgenomen gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming, zoals die nader is aangegeven in de doeleinden.

2.6. De Afdeling beziet eerst of de ontgronding in strijd is met de op de percelen rustende bestemmingen en aanduiding, die gelet op de hiervoor weergegeven doeleindenomschrijvingen gericht zijn op instandhouding van het dassenleefgebied. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de ontgronding een verslechtering betekent van het dassenleefgebied, doordat met de ontgronding grasland wordt verwijderd. Dit grasland is als fourageergebied een belangrijk deel van het dassenleefgebied. De ontgronding is derhalve niet gericht op de instandhouding van het dassenleefgebied. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat de voorgenomen ontgronding in strijd is met het geldende bestemmingsplan. De Afdeling stelt vast dat de raad van de gemeente Landerd niet heeft meegedeeld planologische medewerking te verlenen.

Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit genomen in strijd met artikel 10, achtste lid, van de Ontgrondingenwet. De vergunning had dan ook niet mogen worden verleend. In dit verband overweegt de Afdeling dat, anders dan verweerder stelt, dit artikelonderdeel geen ruimte laat voor een afweging van het belang dat is gediend met de ontgronding en het belang waarop de geldende bestemming en/of aanduiding is gericht.

Het beroep van appellant is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

De overige beroepsgronden behoeven gelet hierop geen bespreking.

2.7. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 16 juli 2002, kenmerk 844813;

III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 832,70, waarvan € 805,00, is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Noord-Brabant te worden betaald aan appellant;

IV. gelast dat de provincie Noord-Brabant aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 109,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. J.J. Vis, Leden, in tegenwoordigheid van mr. F.T.T. van der Heijde, ambtenaar van Staat.

w.g. Kosto w.g. Van der Heijde

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2003

270-387.