Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AI1200

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-08-2003
Datum publicatie
19-08-2003
Zaaknummer
200304292/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 mei 2003, kenmerk 03.6722, heeft verweerder afwijzend beslist op het verzoek om krachtens de Wet milieubeheer handhavend op te treden ten aanzien van het door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [vergunninghoudster] te [plaats] onvergund opslaan van springstoffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200304292/2.

Datum uitspraak: 11 augustus 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de regionale inspecteur VROM-Inspectie Regio Zuid-West, gevestigd te Rotterdam,

verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van Borsele,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 mei 2003, kenmerk 03.6722, heeft verweerder afwijzend beslist op het verzoek om krachtens de Wet milieubeheer handhavend op te treden ten aanzien van het door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [vergunninghoudster] te [plaats] onvergund opslaan van springstoffen.

Tegen dit besluit heeft verzoeker beroep ingesteld bij de Raad van State. Dit beroepschrift is ter afdoening als bezwaarschrift aan verweerder doorgezonden.

Bij brief van 1 juli 2003, bij de Raad van State ingekomen op 2 juli 2003, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 juli 2003, waar verzoeker, vertegenwoordigd door drs. A. Valkenburg, drs. M. van den Plas en J.A. Aarts, allen ambtenaar bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, en verweerder, vertegenwoordigd door S.L.M. de Haan en L.P. Kaaijsteker, beiden ambtenaar bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster als partij gehoord, vertegenwoordigd door mr. F.C.M. van Gurp, advocaat te Middelburg, en bijgestaan door [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

Ingevolge artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder bestuursdwang verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

Krachtens artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

2.2. In de onderhavige inrichting wordt ongeveer 355 kilogram ontplofbare stoffen opgeslagen. Vaststaat - en dit wordt door partijen overigens ook niet betwist – dat deze opslag zonder de daarvoor vereiste vergunning krachtens de Wet milieubeheer plaatsvindt. Ten aanzien van deze overtreding is verweerder in beginsel dan ook bevoegd handhavend op te treden.

2.3. Volgens verzoeker heeft verweerder niet in redelijkheid kunnen besluiten tot het afwijzen van zijn handhavingsverzoek. Hij brengt hiertoe naar voren dat deze opslag in geval van een calamiteit een ernstig gevaar oplevert voor de nabij de inrichting gelegen woningen. Hij baseert zich hierbij mede op het advies van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (hierna: RIVM) van 19 augustus 2002.

2.4. In de considerans van het bestreden besluit overweegt verweerder dat vergunningverlening voor deze opslag in het verschiet ligt. Derhalve ziet hij geen aanleiding bestuurlijke handhavingsmaatregelen te treffen.

2.5. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat vergunninghoudster op 15 juli 1998 bij verweerder een verzoek om een vergunning krachtens de Wet milieubeheer ten behoeve van de eerdergenoemde opslag van springstoffen heeft ingediend. Uit de stukken blijkt verder dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit aan verweerder in het kader van deze vergunningaanvraag door de Directeur Materieel Koninklijke Landmacht en het RIVM negatieve adviezen zijn uitgebracht. In het bestreden besluit is verweerder niet op de inhoud van deze adviezen ingegaan. Evenmin heeft hij gemotiveerd op welke gronden hij, ondanks deze adviezen, meent tot vergunningverlening te kunnen overgaan. De Voorzitter is van oordeel dat het bestreden besluit op deze punten een draagkrachtige motivering ontbeert, hetgeen in strijd is met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Dat sprake is van strijdigheid met het motiveringsvereiste blijkt volgens de Voorzitter temeer nu ter zitting door verweerder is toegelicht dat de aanvraag van vergunninghoudster inmiddels op 8 juli 2003 is afgewezen.

2.6. Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter voldoende aanleiding het bestreden besluit bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, nu niet is gebleken van daarvoor in aanmerking komende kosten.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Borsele van 22 mei 2003, kenmerk 03.6722, tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

II. gelast dat de gemeente Borsele aan verzoeker het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 232,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Melse

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2003

191-404.