Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AI1198

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-08-2003
Datum publicatie
20-08-2003
Zaaknummer
200206366/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 oktober 2002 heeft verweerder krachtens artikel 8.23 van de Wet milieubeheer de voorschriften, verbonden aan de bij besluiten van 9 maart 1992 en 19 november 1998 aan appellante verleende revisie- respectievelijk veranderingsvergunning voor een metaalconstructiebedrijf op het perceel [locatie] te [plaats], gewijzigd en aangevuld. Dit besluit is op 21 oktober 2002 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200206366/1.

Datum uitspraak: 20 augustus 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 oktober 2002 heeft verweerder krachtens artikel 8.23 van de Wet milieubeheer de voorschriften, verbonden aan de bij besluiten van 9 maart 1992 en 19 november 1998 aan appellante verleende revisie- respectievelijk veranderingsvergunning voor een metaalconstructiebedrijf op het perceel [locatie] te [plaats], gewijzigd en aangevuld. Dit besluit is op 21 oktober 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 29 november 2002, bij de Raad van State ingekomen op 2 december 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 14 januari 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 12 mei 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 juli 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en mr. E. van der Hoeven, gemachtigden, en verweerder, vertegenwoordigd door drs. S. Hartog-Dahmeijer en ing. R. Vliex, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 9 maart 1992 heeft verweerder ten behoeve van onderhavige inrichting krachtens de Hinderwet een revisievergunning verleend. Op 19 november 1998 heeft verweerder ten behoeve van onderhavige inrichting krachtens de Wet milieubeheer een veranderingsvergunning verleend. Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan voornoemde vergunningen voorschriften ten aanzien van afvalwater verbonden. Daarnaast heeft verweerder in het bestreden besluit ambtshalve met toepassing van artikel 8.23 van de Wet milieubeheer de aan de vergunning van 19 november 1998 verbonden geluidvoorschriften ingetrokken en aan de vergunningen van 9 maart 1992 en 19 november 1998 nieuwe geluidvoorschriften verbonden.

2.2. Ingevolge artikel 20.10, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Appellante heeft de grond inzake het bezwaar dat de aan de vergunning van 9 maart 1992 verbonden geluidvoorschriften ten onrechte zijn blijven gelden niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellante redelijkerwijs niet kan worden verweten op dit punt geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.3. Appellante voert als bezwaar van formele aard aan dat de aanvang en het einde van de beroepstermijn in de bekendmaking van het bestreden besluit onjuist zijn aangegeven.

2.3.1. In artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken bedraagt.

Ingevolge artikel 20.11 van de Wet milieubeheer vangt de beroepstermijn aan met ingang van de dag na de dag waarop een exemplaar van het besluit overeenkomstig artikel 3:44, tweede lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht ter inzage is gelegd.

2.3.2. Het bestreden besluit is ter inzage gelegd op 21 oktober 2002, zodat de termijn voor het indienen van een beroepschrift is begonnen op 22 oktober 2002 en is geëindigd op 2 december 2002. De Afdeling stelt vast dat appellante het beroepschrift binnen deze termijn heeft ingediend. In de openbare kennisgeving van het bestreden besluit is vermeld dat het bestreden besluit en daarop betrekking hebbende stukken van 21 oktober 2002 tot 2 december 2002 ter inzage liggen, gedurende welke termijn beroep kan worden ingesteld.

De Afdeling stelt vast dat de in de openbare kennisgeving vermelde beroepstermijn één dag korter is dan de in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde beroepstermijn. De Afdeling is van oordeel dat het hierbij evenwel gaat om een onregelmatigheid die dateert van na het nemen van het bestreden besluit. Een dergelijke onregelmatigheid kan geen grond voor vernietiging van dat besluit zijn, aangezien niet als het ware met terugwerkende kracht de rechtmatigheid aan het besluit kan komen te ontvallen. Het beroepsonderdeel faalt.

2.4. Voorts voert appellante als bezwaar van formele aard aan dat de ondertekening van het bestreden besluit niet binnen de grenzen van het door verweerder verleende mandaat valt, nu het bestreden besluit genomen zou zijn door het hoofd van de afdeling Vergunningen en Handhaving, doch per order door een andere persoon zou zijn ondertekend.

De Afdeling stelt vast dat het bestreden besluit door verweerder is ondertekend zodat deze beroepsgrond niet ziet op het bestreden besluit en daardoor feitelijke grondslag mist.

2.5. Ingevolge artikel 8.23, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag beperkingen waaronder een vergunning is verleend en voorschriften die daaraan zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog beperkingen aanbrengen of voorschriften aan een vergunning verbinden in het belang van de bescherming van het milieu.

Ingevolge artikel 8.23, derde lid, in samenhang met artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Bij de overeenkomstige toepassing van artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.6. Appellante voert een aantal beroepsgronden aan met betrekking tot de door verweerder bij het bestreden besluit aan de vergunningen van 9 maart 1992 en 19 november 1998 verbonden geluidvoorschriften.

Appellante stelt in de eerste plaats onder verwijzing naar het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer dat op grond van de aan de onderliggende vergunningen verbonden voorschriften het milieu in voldoende mate wordt beschermd. Voorts stelt appellante dat de met het bestreden besluit aan voornoemde vergunningen verbonden nieuwe geluidvoorschriften ten onrechte een aanscherping behelzen ten opzichte van de onderliggende voorschriften, hetgeen in strijd met de rechtszekerheid en het verbod van willekeur zou zijn. Daarnaast heeft verweerder zich volgens appellante ten onrechte gebaseerd op het door recente metingen vastgestelde referentieniveau van het omgevingsgeluid. Verder stelt appellante zich op het standpunt dat verweerder een onjuiste gebiedstypering heeft gehanteerd. Ook zou verweerder volgens appellante ten onrechte de op het betrokken industrieterrein gelegen dienstwoningen bij het vaststellen van de geluidvoorschriften hebben betrokken, terwijl andere op hetzelfde industrieterrein gelegen inrichtingen geen aangescherpte geluidvoorschriften opgelegd hebben gekregen. Tot slot betoogt appellante dat de inrichting niet aan de in het bestreden besluit gestelde geluidgrenswaarden kan voldoen.

2.6.1. Ingevolge de aan de vergunningen van 9 maart 1992 en 19 november 1998 verbonden geluidvoorschriften golden voor het equivalente geluidniveau ten aanzien van woningen van derden aan het Wilhelminapark geluidgrenswaarden van 50, 45 en 40 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

Voor het maximale geluidniveau ten aanzien van woningen van derden aan het Wilhelminapark golden ingevolge voornoemde vergunningen geluidgrenswaarden van 70, 65 en 60 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

2.6.2. Ter voorkoming dan wel beperking van geluidhinder heeft verweerder met het bestreden besluit onder intrekking van de onderliggende geluidvoorschriften nieuwe geluidvoorschriften met betrekking tot de geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximale geluidniveau aan de vergunningen van 9 maart 1992 en 19 november 1998 verbonden.

In voorschrift 1.1 is bepaald dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr, LT) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties en door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en plaatsvindende activiteiten, ter plaatse van de gevel van enige niet tot de inrichting behorende woning van derden en/of geluidgevoelige bestemmingen gelegen op industrieterrein Zwanengat, niet meer mag bedragen dan 55, 50 en 45 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

In voorschrift 1.2 is bepaald dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr, LT) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties en door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en plaatsvindende activiteiten, ter plaatse van de gevel van enige niet tot de inrichting behorende woning van derden en/of geluidgevoelige bestemmingen gelegen aan het Wilhelminapark, niet meer mag bedragen dan 45, 40 en 35 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

In voorschrift 1.3 is bepaald dat onverminderd het gestelde in voorschrift 1.1 het maximale geluidniveau (LAmax) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige transportbewegingen, gemeten in de meterstand “fast”, ter plaatse van de gevel van enige niet tot de inrichting behorende woning van derden en/of geluidgevoelige bestemmingen gelegen op industrieterrein Zwanengat, niet meer mag bedragen dan 75, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

In voorschrift 1.4 is bepaald dat onverminderd het gestelde in voorschrift 1.1 en 1.3 het maximale geluidniveau (LAmax) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties en door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en plaatsvindende activiteiten, gemeten in de meterstand “fast”, ter plaatse van de gevel van enige niet tot de inrichting behorende woning van derden en/of geluidgevoelige bestemmingen gelegen op industrieterrein Zwanengat, niet meer mag bedragen dan 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

In voorschrift 1.5 is bepaald dat onverminderd het gestelde in voorschrift 1.2 het maximale geluidniveau (LAmax) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties en door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en plaatsvindende activiteiten, gemeten in de meterstand “fast”, ter plaatse van de gevel van enige niet tot de inrichting behorende woning van derden en/of geluidgevoelige bestemmingen aan het Wilhelminapark, niet meer mag bedragen dan 65, 60 en 55 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

2.6.3. Verweerder heeft voor de beoordeling van de van de inrichting te duchten directe geluidhinder hoofdstuk 4 en hoofdstuk 3, paragraaf 3.2, van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening 1998 (hierna te noemen: de Handreiking) als uitgangspunt gehanteerd. In de Handreiking is bepaald dat zolang er nog geen gemeentelijke nota industrielawaai is vastgesteld – zoals het geval is in de gemeente Moerdijk - bij het opstellen van de geluidvoorschriften gebruik moet worden gemaakt van de systematiek van richt- en grenswaarden zoals die in hoofdstuk 4 van de Handreiking zijn opgenomen.

Voor bestaande inrichtingen beveelt de Handreiking aan om bij herziening van vergunningen de richtwaarden voor woonomgevingen opnieuw te toetsen. Overschrijding van de richtwaarden is mogelijk tot het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Overschrijding van het referentieniveau van het omgevingsgeluid tot een maximum etmaalwaarde van 55 dB(A) kan in sommige gevallen toelaatbaar worden geacht op grond van een bestuurlijk afwegingsproces waarbij geluidbestrijdingskosten een belangrijke rol spelen.

Ten aanzien van de grenswaarden van de piekgeluidimmissieniveaus is in hoofdstuk 3, paragraaf 3.2, van de Handreiking aanbevolen uit te gaan van de grenswaarden van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau vermeerderd met 10 dB(A). Daarnaast is de maximale grenswaarde van 70 dB(A) als etmaalwaarde gegeven, welke geluidgrenswaarde in de dagperiode alleen in het geval dat er sprake is van een voor de bedrijfsvoering onvermijdbare situatie waarin technische noch organisatorische maatregelen soelaas bieden om het geluidniveau te beperken met ten hoogste 5 dB(A) mag worden overschreden.

Voorts heeft verweerder zich bij het bepalen van de in voorschrift 1.1 opgenomen geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau voor woningen van derden op industrieterrein Zwanengat gebaseerd op paragraaf 5.9 van de Handreiking, waarin gesteld wordt dat gestreefd moet worden naar een grenswaarde van 55 dB(A) voor burger- en bedrijfswoningen op een niet-gezoneerd industrieterrein, doch dat maximaal een grenswaarde van 65 dB(A) toelaatbaar is.

2.6.4. Gelet op artikel 2, eerste lid, van het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer (hierna: het Besluit) staat het vast dat het Besluit op onderhavige inrichting niet van toepassing is. Als gevolg hiervan is een zelfstandige beoordeling van de door de inrichting veroorzaakte geluidbelasting vereist.

2.6.5. De Afdeling overweegt dat ter zitting is komen vast te staan dat het bedrijventerrein Zwanengat een niet-gezoneerd bedrijventerrein is, alwaar zich zowel woningen bevinden die nooit tot een bedrijf hebben behoord, als woningen die tot bedrijven behoren. De Afdeling stelt vast dat het in beide gevallen gaat om objecten die voor bescherming in aanmerking komen. De Afdeling stelt vast dat aan de vergunningen van 9 maart 1992 en 19 november 1998 geen geluidvoorschriften zijn verbonden ter bescherming van deze woningen van derden op het industrieterrein Zwanengat.

Voorts stelt de Afdeling vast dat zich in de directe omgeving van de inrichting twee woningen van derden bevinden. Gelet op de omstandigheid dat deze woningen geen bindingen hebben met onderhavige inrichting, mocht verweerder ervan uitgaan dat hierbij sprake is van burgerwoningen op een niet-gezoneerd bedrijventerrein in de zin van de Handreiking.

De Afdeling stelt vast dat de in voorschrift 1.1 gestelde langtijdgemiddeld beoordelingsniveaus ten aanzien van woningen van derden op industrieterrein Zwanengat overeenkomen met de in de Handreiking aanbevolen streefwaarde van 55 dB(A). Voorts stelt de Afdeling vast dat deze geluidgrenswaarden hoger liggen dan de equivalente geluidniveaus in de vergunningen van 9 maart 1992 en 19 november 1998. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat er in zoverre geen sprake is van een onnodig bezwarende beperking van de toegestane door de inrichting te veroorzaken geluidbelasting. Hierbij overweegt de Afdeling nog dat blijkens het verweerschrift en het verhandelde ter zitting verweerder ook ten aanzien van andere inrichtingen op industrieterrein Zwanengat de geluidgrenswaarden zal gaan aanscherpen.

Wat betreft de in de voorschriften 1.3 en 1.4 gestelde geluidgrenswaarden voor het maximale geluidniveau stelt de Afdeling vast dat deze gelijk zijn aan de grenswaarden die in de Handreiking als maximaal aanvaardbaar zijn aangemerkt. De in voorschrift 1.5 voor het maximale geluidniveau opgenomen geluidgrenswaarden zijn weliswaar 5 dB(A) lager dan die in de Handreiking als maximaal aanvaardbaar zijn aangemerkt maar hoger dan de grenswaarden die daarin als minimum worden aanbevolen.

Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voorschriften 1.1, 1.3, 1.4 en 1.5 noodzakelijk zijn in het belang van de bescherming van het milieu. Dit beroepsonderdeel treft geen doel.

2.6.6. Voor het bepalen van de in voorschrift 1.2 opgenomen geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau voor woningen van derden aan het Wilhelminapark heeft verweerder zich gebaseerd op het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Voorts heeft verweerder hierbij aansluiting gezocht bij de in de Handreiking genoemde richtwaarden voor een rustige woonwijk met weinig verkeer van 45, 40 en 35 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode, welke kwalificatie van de omgeving door appellante is bestreden.

2.6.7. Blijkens een tweetal akoestische onderzoeken uitgevoerd door de Regionale Milieudienst West-Brabant (hierna te noemen: RMW) van augustus 2001 en februari 2002 bedraagt het referentieniveau van het omgevingsgeluid aan de achterzijde van de woningen aan het Wilhelminapark 42 dB(A). Deze hoogte van het referentieniveau van het omgevingsgeluid is door appellante niet bestreden.

Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de voorzijde van de woningen aan het Wilhelminapark gekwalificeerd kan worden als een rustige woonwijk met weinig verkeer, voor welk type omgeving ingevolge de Handreiking een richtwaarde van 45 dB(A) als etmaalwaarde geldt. Terzake van de achterzijde van voornoemde woningen is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat deze gekwalificeerd kan worden als een woonwijk in de stad, voor welk type omgeving ingevolge de Handreiking een richtwaarde van 50 dB(A) als etmaalwaarde geldt.

De Afdeling overweegt dat verweerder op basis van een bestuurlijke afweging en met een toereikende motivering kan besluiten om lagere geluidgrenswaarden vast te stellen dan de richtwaarden opgenomen in de Handreiking. De door verweerder gegeven motivering dat, gelet op de twee verschillende gebiedstyperingen van de omgeving van de inrichting, aansluiting gezocht moet worden bij het referentieniveau van het omgevingsgeluid, acht de Afdeling in dit geval voldoende. Gelet op het vorenstaande, alsmede gelet op de omstandigheid dat de in voorschrift 1.2 opgenomen geluidgrenswaarden overeenkomen met de richtwaarden die ingevolge de Handreiking zouden gelden voor de voorzijde van de woningen aan het Wilhelminapark en gelet op de omstandigheid dat verweerder in voornoemd voorschrift een hogere etmaalwaarde heeft opgenomen dan het referentieniveau van het omgevingsgeluid, ziet de Afdeling in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voorschrift 1.2 nodig is ter voorkoming dan wel voldoende beperking van geluidhinder. Dit beroepsonderdeel faalt.

2.6.8. Ten aanzien van de haalbaarheid van de in de voorschriften 1.1 en 1.2 gestelde langtijdgemiddeld beoordelingsniveaus en de in de voorschriften 1.3, 1.4 en 1.5 gestelde maximale geluidniveaus merkt de Afdeling het volgende op.

Uit het door appellante overlegde akoestisch onderzoek van 26 november 2002, uitgevoerd door [adviesbureau], is gebleken dat in de dag- en avondperiode niet kan worden voldaan aan de in de voorschriften 1.1, 1.2, 1.3, 1.4 en 1.5 gestelde geluidgrenswaarden. Uit het door verweerder bij vergunningverlening gehanteerde akoestisch onderzoek, uitgevoerd door RMW, van augustus 2001, is gebleken dat de inrichting wel aan de in voornoemde voorschriften opgenomen geluidgrenswaarden kan voldoen.

Gelet op de stukken, waaronder het deskundigenbericht, en het verhandelde ter zitting is de Afdeling van oordeel dat het verschil tussen de uitkomsten van enerzijds het akoestisch onderzoek van [adviesbureau] en anderzijds het akoestisch onderzoek van RMW gelegen is in het hanteren van verschillende uitgangspunten ten aanzien van de representatieve bedrijfssituatie van de inrichting. Hierbij is met name van belang dat in het rapport van [adviesbureau] andere bedrijfstijden worden gehanteerd dan het geval is het rapport van RMW, alsmede dat in het rapport van [adviesbureau] is uitgegaan van andere aannames terzake van de tijden waarop de deuren van de tot de inrichting behorende gebouwen openstaan en de binnen de inrichting aanwezige mobiele bronnen in werking zijn.

De Afdeling is van oordeel dat wat betreft de door de inrichting veroorzaakte geluidbelasting bepalend is de representatieve bedrijfssituatie zoals deze bij de vergunningen van 9 maart 1992 en 19 november 1998 is vergund. Gelet op hetgeen hierover in de aan voornoemde vergunningen ten grondslag liggende aanvragen is vermeld, stelt de Afdeling vast dat in het rapport van [adviesbureau] wordt uitgegaan van een onjuiste representatieve bedrijfssituatie.

Voorzover appellante stelt dat in het onderzoek uitgevoerd door RMW niet is uitgegaan van een representatieve bedrijfssituatie, merkt de Afdeling op dat de uitgangspunten in dit onderzoek mede gebaseerd zijn op door appellante verstrekte gegevens. Gelet op het vorenstaande en op het feit dat ook overigens niet van het hanteren van onjuiste uitgangspunten bij het opstellen van het geluidsrapport is gebleken, heeft verweerder terecht de resultaten uit dit onderzoek als representatief aangemerkt.

Voorzover in het bij nadere memorie door appellante overgelegde rapport van [adviesbureau] van 26 juni 2003 wordt gesteld dat de inrichting zelfs ingeval van de door RMW gehanteerde representatieve bedrijfssituatie niet kan voldoen aan de in het bestreden besluit gestelde geluidgrenswaarden, merkt de Afdeling op dat ter zitting is komen vast te staan dat de in dat rapport opgenomen akoestische rijsignalering van de mobiele kraan een geluidbron is die ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog niet aanwezig was binnen de inrichting. Daarom had verweerder bij het nemen van het bestreden besluit hiermee geen rekening behoeven te houden. Voor het overige ziet de Afdeling in hetgeen in voornoemd rapport is aangevoerd onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel, dat verweerder op basis van het akoestisch onderzoek van RMW onvoldoende inzicht heeft verkregen in de geluidbelasting van de inrichting, zodat een goede beoordeling hiervan niet mogelijk was.

Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de gestelde geluidgrenswaarden naleefbaar zijn. Dit beroepsonderdeel faalt.

2.7. Het beroep is, voorzover ontvankelijk, ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voorzover het de grond betreft inzake het bezwaar dat de aan de vergunning van 9 maart 1992 verbonden geluidvoorschriften ten onrechte zijn blijven gelden;

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Voorzitter, en mr. M. Oosting en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Van Hardeveld

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2003

312-443.