Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AI1196

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-08-2003
Datum publicatie
20-08-2003
Zaaknummer
200203247/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 mei 2002, kenmerk DGWM/2002/1852, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan appellante een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting bestemd voor ondermeer metaalhandel, handel in en op- en overslag van (oud) papier /karton, reparatie van machines en handel in motorvoertuigen en aggregaten gelegen aan de [locaties], alsmede aan de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente […], sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 6 mei 2002 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200203247/1.

Datum uitspraak: 20 augustus 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 mei 2002, kenmerk DGWM/2002/1852, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan appellante een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting bestemd voor ondermeer metaalhandel, handel in en op- en overslag van (oud) papier /karton, reparatie van machines en handel in motorvoertuigen en aggregaten gelegen aan de [locaties], alsmede aan de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente […], sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 6 mei 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 14 juni 2002, bij de Raad van State ingekomen op 14 juni 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 12 augustus 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van verweerder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 mei 2003, waar appellante vertegenwoordigd door mr. B.J.M. Veldhoven, advocaat te

Den Haag, en [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. C.H. Pennekamp-Topman, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bestreden besluit heeft betrekking op een inrichting voor de op- en overslag van diverse soorten afvalstoffen. Daarnaast vindt in de inrichting handel plaats in onder meer oude auto’s, auto-onderdelen, boten, motoren en generatoren.

2.2. In voorschrift 2.4 is de verplichting vastgelegd om binnen een maand na het in werking treden van de vergunning een beschrijving van de acceptatieprocedures inzake de diverse afvalstoffen en handelsobjecten die in de inrichting worden aangevoerd voor goedkeuring voor te leggen aan het hoofd van de regio Noord-Oost van de Afdeling Handhaving, directie Water en Milieu van de provincie Zuid-Holland.

In hoofdstuk 3.0 heeft verweerder voorschriften aan de vergunning verbonden met betrekking tot de administratie, registratie en inventarisatie van de afvalstoffen en handelsobjecten, die in de inrichting worden aangevoerd.

2.2.1. Appellante stelt dat verweerder ten onrechte in deze voorschriften, voorzover deze daarop betrekking hebben, een administratie-, registratie- en inventarisatieplicht voor handelsobjecten hebben voorgeschreven. In dit verband betoogt appellante dat de handels- en afvalstoffenafdeling binnen de inrichting strikt van elkaar zijn gescheiden en dat in het geval dat handelsobjecten worden gedemonteerd de afvalstoffen afkomstig van demontage aan de afvalstoffenafdeling worden afgegeven en aldaar geregistreerd. Zij stelt daarom dat voor het aan de vergunning verbinden van de voorschriften 2.4, 3.6 tot en met 3.8 en 3.12, in zoverre het handelsobjecten betreft, in de Wet milieubeheer geen wettelijke grondslag is gelegen.

2.2.2. Verweerder heeft aangevoerd dat indien een vergunning betrekking heeft op een inrichting waarin afvalstoffen worden verwijderd, op grond van artikel 8.14 van de Wet milieubeheer de verplichting bestaat dat de vergunning dergelijke voorschriften bevat. Volgens hem blijkt uit de aanvraag dat handelsobjecten, in de gevallen dat deze onverkoopbaar blijken te zijn, worden gedemonteerd, waardoor binnen de inrichting geen strikte scheiding is tussen de bedrijfsvoering in handelsobjecten en afvalstoffen. Hij stelt zich daarom op het standpunt dat, nu van tevoren niet duidelijk is of deze handelsobjecten uiteindelijk worden gedemonteerd en in de afvalstroom terechtkomen, het voor een volledige afvalstoffenadministratie noodzakelijk is om handelsobjecten te registreren en te administreren.

2.2.3. Ter zitting heeft appellante betoogd dat het slechts incidenteel voorkomt dat handelsobjecten onverkoopbaar blijken te zijn en worden gedemonteerd waarna de van de demontage afkomstige onderdelen aan de afvalstoffenafdeling worden afgegeven. Gelet hierop en op hetgeen appellante heeft gesteld met betrekking tot de gevolgde procedure inzake de overdracht aan de afvalstoffenafdeling van de van demontage afkomstige afvalstoffen is de Afdeling van oordeel dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat het ter bescherming van het milieu nodig is om handelsobjecten te administreren, te registreren dan wel te inventariseren. In verband hiermee komen de voorschriften 2.4 en 3.12 voorzover deze zien op handelsobjecten, en de voorschriften 3.6 tot en met 3.8, vanwege strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking.

2.2.4. Appellante stelt dat de in de aan de vergunning verbonden voorschriften neergelegde verplichting om alle door particulieren afgegeven afvalstoffen afzonderlijk te registreren, dan wel te administreren onnodig bezwarend is voor de bedrijfsvoering. Appellante geeft er de voorkeur aan om wat betreft de door particulieren afgegeven afvalstoffen slechts een weektotaal van afgegeven stoffen bij te houden.

2.2.5. Verweerder stelt dat geen sluitende afvalstoffenbalans kan worden verkregen wanneer de particuliere afgiftes van afvalstoffen niet worden geregistreerd en geadministreerd.

2.2.6. De Afdeling overweegt dat verweerder blijkens het verweerschrift alsnog een onderzoek heeft ingesteld naar het aantal particuliere ontdoeners dat afvalstoffen bij de onderhavige inrichting afgeeft en de grootte van de afgegeven partijen afvalstoffen door particulieren. Hoewel uit dit onderzoek, volgens verweerder kan worden opgemaakt, dat het meestal grotere partijen betreft die door particulieren worden afgegeven, heeft verweerder ter zitting verklaard er geen bezwaar tegen te hebben wanneer van de afgifte van kleine partijen afvalstoffen door particulieren geen uitgebreide registratie plaatsheeft, maar dat alsdan kan worden volstaan met de registratie van de herkomst van de afvalstoffen. Datzelfde geldt naar zeggen van verweerder ook voor kleine partijen afvalstoffen die door bedrijven worden afgegeven. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat verweerder thans zodanig andere inzichten koestert omtrent de registratie van afvalstoffen dan ten tijde van de vergunningverlening, dat klaarblijkelijk dit onderdeel van de vergunning onvoldoende is voorbereid en hoofdstuk 3.0 gezien de onderlinge samenhang tussen de in dit hoofdstuk opgenomen voorschriften wat het resterende gedeelte betreft eveneens voor vernietiging in aanmerking komt vanwege strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.3. In voorschrift 2.1 is – voor zover thans van belang - bepaald dat in de inrichting met inachtneming van de overige voorschriften van deze vergunning, jaarlijks maximaal 120 handelsobjecten van militaire of civiele herkomst mogen worden aangevoerd.

In voorschrift 2.3 is – voor zover thans van belang - bepaald dat in de inrichting overeenkomstig de aanvraag, maximaal per jaar 1.000 ton shreddervoormateriaal en 500 stuks autowrakken van buiten de inrichting afkomstig, mogen worden geaccepteerd.

2.3.1. Appellante heeft bezwaar tegen voorschrift 2.1 voor zover daarin is bepaald dat er jaarlijks maximaal 120 handelsobjecten in de inrichting mogen worden aangevoerd. Dit aantal is volgens appellante alleen werkbaar wanneer het uitsluitend ziet op het aantal aangevoerde voertuigen. Heeft het aantal betrekking op alle objecten – ook kleinere onderdelen –dan kan zij met dit aantal niet uit de voeten. Verder heeft appellante bezwaar tegen voorschrift 2.3 voor zover daarin is voorgeschreven dat in de inrichting per jaar maximaal 1.000 ton aan shreddervoormateriaal en 500 stuks autowrakken mogen worden geaccepteerd. Dit moet volgens appellante 2000 ton shreddervoormateriaal respectievelijk 500-600 stuks autowrakken zijn.

2.3.2. Verweerder betoogt in de considerans van het bestreden besluit dat eerst bij de definitieve aanvraag sprake is van 2500 ton shreddervoormateriaal en 600 autowrakken, doch dat de in de daaraan voorafgaande concept aanvragen genoemde hoeveelheden en aantallen lager waren. De geluidsrapportage is volgens verweerder gebaseerd op deze lagere hoeveelheden en aantallen, zodat er naar de mening van verweerder geen aanleiding bestond om voor de bij de definitieve aanvraag beoogde vergroting van de capaciteit van de inrichting vergunning te verlenen. Ter zitting heeft verweerder afstand genomen van de door hem in de considerans van het bestreden besluit gevolgde redenering en heeft hij naar voren gebracht dat in de geluidsrapportage niet is uitgegaan van de beoogde capaciteit maar van de representatieve bedrijfssituatie. Verder is de relatie die in het bestreden besluit wordt gelegd tussen de toegestane capaciteit en de geluidsrapportage niet zo eenduidig dat de geluidsrapportage bepalend zou zijn voor de toegestane hoeveelheid shreddervoormateriaal en het aantal stuks autowrakken. Uit het vorenstaande volgt dat voorschrift 2.3 wat betreft het shreddervoormateriaal en het aantal autowrakken mitsdien niet met de benodigde zorgvuldigheid tot stand is gekomen, zodat dit voorschrift in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking komt. Ter zitting heeft verweerder verder verklaard voorschrift 2.1 wat betreft de handelsobjecten niet langer te willen handhaven. Ook voor dit voorschrift geldt dat het in zoverre niet met de benodigde zorgvuldigheid tot stand is gekomen, zodat het voor het bestreden deel in aanmerking komt voor vernietiging vanwege strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.4. In voorschrift 11.7 is - voorzover thans van belang - bepaald dat de deuren van [locaties], alsmede de toeganghekken ([locatie] en [locatie]), behoudens voor het doorlaten van personen, transportmiddelen en/of goederen gesloten dienen te worden gehouden. De toegangsdeuren en hekken mogen in geopende stand niet worden vastgezet.

2.4.1. Appellante heeft bezwaar tegen dit voorschrift voorzover het betreft het gesloten houden van de deuren van [locaties]. Verweerder heeft ter zitting te kennen gegeven dat bij nader inzien voorschrift 11.7 voorzover dat voorschrift ziet op de deuren van [locaties] kan komen te vervallen. Hieruit volgt naar het oordeel van de Afdeling dat dit voorschrift in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen en voor dat deel vanwege strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking komt.

2.5. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit wat betreft de voorschriften 2.1 (handelsobjecten), 2.3 (shreddervoormateriaal en aantal autowrakken), 2.4 (handelsobjecten), 3.1 tot en met 3.13 en voorschrift 11.7 ([locaties]) voor vernietiging in aanmerking komt.

2.6. Verweerder dient op de na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 1 mei 2002, kenmerk DGWM/2002/1852, wat betreft de voorschriften 2.1 voorzover dat ziet op handelsobjecten, 2.3 voorzover dat ziet op shreddervoormateriaal en aantal autowrakken, 2.4 voorzover dat ziet op handelsobjecten, 3.1 tot en met 3.13 en 11.7 voorzover dat ziet op het gesloten houden van de deuren van de [locaties];

III. draagt verweerder op binnen 6 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Zuid-Holland te worden betaald aan appellante;

V. gelast dat de provincie Zuid-Holland aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 218,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. P.C.E. van Wijmen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.C. Brugman, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Brugman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2003

205.