Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AI1052

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-08-2003
Datum publicatie
12-08-2003
Zaaknummer
200304090/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 juli 2003, kenmerk IJH, heeft verweerder het verzoek van verzoekers om handhavend op te treden in verband met het geluid dat wordt veroorzaakt door een windmolen aan de Suderdyk 3 te Boazum, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200304090/1.

Datum uitspraak: 7 augustus 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekers], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Littenseradiel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 juli 2003, kenmerk IJH, heeft verweerder het verzoek van verzoekers om handhavend op te treden in verband met het geluid dat wordt veroorzaakt door een windmolen aan de Suderdyk 3 te Boazum, afgewezen.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bezwaar gemaakt. Voorts hebben zij de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 29 juli 2003, waar verzoekers, bijgestaan door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door B. Kroese, zijn verschenen. Namens de drijver van de inrichting zijn daar gehoord [gemachtigden].

2. Overwegingen

2.1. Het verzoek strekt tot - kort weergegeven – het stilleggen van de windmolen aan de Suderdyk 3 te Boazum. Aan dat verzoek is met name ten grondslag gelegd dat het geluid van de windmolen tot slaapstoornissen leidt. Volgens verzoekers voldoet de windmolen niet aan de geldende geluideisen. Zij verwijzen in dat verband naar een geluidrapport van de milieuadviesdienst Zuidwest Friesland van 9 maart 2001. In dat rapport wordt geconcludeerd dat de geluidnormen op de gevels van de woningen Suderdyk [nrs.] met 8 dB(A) worden overschreden.

2.2. Uit het besluit van 10 juli 2003 en een brief van 23 mei 2003 kan worden afgeleid dat verweerder de gehanteerde meet- en beoordelingswijze uit het geluidrapport van 9 maart 2001 ongeschikt acht om te beoordelen of ter plaatse van de betreffende woningen aan de geluidvoorschriften wordt voldaan.

In opdracht van de leverancier van de windmolen is op 22 januari 2002 een onderzoeksrapport uitgebracht, waarin wordt geconcludeerd dat ruimschoots wordt voldaan aan de geluidvoorschriften.

Vanwege onder meer deze uiteenlopende onderzoeksgegevens heeft verweerder zelf opdracht gegeven aan ECN om het geluid van de windmolen te beoordelen. Volgens verweerder hebben de voor dat onderzoek benodigde weersomstandigheden zich tot dusverre nog niet voorgedaan. In afwachting van dat onderzoek ziet verweerder geen aanleiding om de windmolen stil te leggen.

2.3. De Voorzitter kan aan de hand van de tegenstrijdige gegevens die tot dusverre bekend zijn niet vaststellen of er sprake is van overtreding van de geluidvoorschriften, zodat evenmin kan worden beoordeeld of verweerder het verzoek om de windmolen stil te leggen, in redelijkheid heeft afgewezen. Op grond van de stukken en de zitting is aannemelijk dat de door verzoekers gestelde geluidhinder van de windmolen zich niet permanent voordoet, maar met name bij bepaalde windsnelheden en bij bepaalde windrichtingen. In het kader van de behandeling van de beslissing op bezwaar zou kunnen worden bezien in hoeverre op grond daarvan aanleiding bestaat om de windmolen bij bepaalde weersomstandigheden stil te leggen. Deze procedure leent zich niet voor het vaststellen van dergelijke voorwaarden. Het geheel stilleggen van de windmolen op grond van de thans bekende feiten en omstandigheden acht de Voorzitter, gezien de belangen die gemoeid zijn met het in werking houden van de windmolen, onevenredig belastend voor de drijver van de inrichting.

2.4. Gezien het vorenstaande ziet de Voorzitter, in afweging van de betrokken belangen, onvoldoende aanleiding voor toewijzing van het verzoek.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.A.G. Stolker, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Stolker

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2003

157.