Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AI1048

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-08-2003
Datum publicatie
12-08-2003
Zaaknummer
200304405/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 mei 2003, verzonden 26 mei 2003, kenmerk 03/19292, heeft verweerder het doen van proeven, bestaande uit het meevergassen van secundaire brandstoffen in de Willem-Alexandercentrale te Buggenum, onder voorwaarden gedoogd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200304405/1.

Datum uitspraak: 4 augustus 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de stichting "Stichting tot behoud leefmilieu Buggenum, Haelen, Horn, Nunhem en naaste omgeving", gevestigd te Buggenum en anderen, verzoekers,

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 mei 2003, verzonden 26 mei 2003, kenmerk 03/19292, heeft verweerder het doen van proeven, bestaande uit het meevergassen van secundaire brandstoffen in de Willem-Alexandercentrale te Buggenum, onder voorwaarden gedoogd.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bezwaar gemaakt.

Bij brief van 5 juli 2003, bij de Raad van State ingekomen op 8 juli 2003, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 29 juli 2003. Verzoekers zijn daar vertegenwoordigd door [gemachtigde]. Verweerder is vertegenwoordigd door I.L. van de Veen en J.J.G. Jansen, ambtenaren van de provincie. Namens Nuon Power Buggenum B.V. is het woord gevoerd door [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. Verzoekers stellen primair dat het besluit ten onrechte binnen de beroepstermijn in werking is getreden.

2.2. Anders dan verzoekers kennelijk menen, is het gedoogbesluit geen besluit krachtens de Wet milieubeheer, zodat de in artikel 20.3 van die wet opgenomen regeling omtrent het toekennen van schorsende werking aan een verzoek om voorlopige voorziening binnen de bezwaartermijn, op dit besluit niet van toepassing is. Dat de wijze van bekendmaking en inwerkingtreding van het gedoogbesluit in strijd is met de van toepassing zijnde bepalingen uit de Algemene wet bestuursrecht, is gesteld noch gebleken.

2.3. Het verzoek om het gedoogbesluit te schorsen steunt - zakelijke weergegeven - op de volgende gronden.

Verzoekers stellen zich op het standpunt dat het meevergassen van secundaire brandstoffen niet kan worden toegestaan zonder dat voorafgaand beoordeeld is of daarvoor een milieueffectrapportage (Mer) dient te worden opgesteld. Ter onderbouwing van dit standpunt wijzen zij op de uitspraak van de Afdeling van 16 april 2003, nr. 200202376/1, waarin de aan Nuon Power Buggenum B.V. verleende tijdelijke vergunning voor het meevergassen van secundaire brandstoffen wegens het ontbreken van een beoordeling of een Mer dient te worden opgesteld, is vernietigd.

Verzoekers stellen verder dat van legalisering van het meevergassen van secundaire brandstoffen geen sprake kan zijn, nu de op 25 maart 2002 ingediende aanvraag om een revisievergunning niet gecoördineerd behandeld is met de voor de bijbehorende lozing vereiste vergunning ingevolge de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo).

Verder betwisten verzoekers dat het meevergassen van secundaire brandstoffen mogelijk is zonder overschrijding van de voor de kolencentrale geldende emissiegrenswaarden, zoals in de gedoogvoorwaarden is bepaald.

2.4. Uit de stukken blijkt dat de op 25 maart 2002 ingediende aanvraag om een revisievergunning onder meer betrekking heeft op het meevergassen van secundaire brandstoffen. Bij die aanvraag is een Mer gevoegd. Op grond van die Mer is aannemelijk dat voor de aangevraagde activiteiten vergunning kan worden verleend. De gevraagde revisievergunning ziet op een aanzienlijk groter percentage secundaire brandstoffen dan het gedoogbesluit. Daaruit is af te leiden dat de thans gedoogde activiteiten voorafgaande aan het nemen van het gedoogbesluit inhoudelijk zijn beoordeeld in een Mer.

De stelling van verweerder dat de emissie van de proefactiviteiten niet uitkomt boven de emissiegrenswaarden die reeds gelden voor de kolen-centrale, is gebaseerd op de proeven die tot dusverre zijn uitgevoerd. Gelet op de ter zitting gegeven toelichting hierop, is de Voorzitter van oordeel dat de door verzoekers in het geding gebrachte samenstellingsgegevens van de secundaire brandstoffen als zodanig niet kunnen leiden tot de conclusie dat de emissiegrenswaarden worden overschreden.

Ter zitting heeft verweerder meegedeeld dat volgens het betrokken zuiveringsschap geen WVO-vergunning is vereist voor de activiteiten waarop de revisievergunning ziet en dat er daarom ook geen aanleiding was voor een gecoördineerde behandeling. In hetgeen verzoekers hebben aangevoerd ziet de Voorzitter geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van die mededeling.

2.5. De Voorzitter acht het mede op grond van het hiervoor overwogene aannemelijk dat de thans gedoogde activiteiten binnen een afzienbare termijn kunnen worden gelegaliseerd. De Voorzitter ziet in hetgeen tegen het besluit is aangevoerd geen aanleiding voor toewijzing van het verzoek.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.A.G. Stolker, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Stolker

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2003

157.